Introductie
De wet kent geen afwikkelingsbewindvoerder. Het is een binnen het notariaat bedachte naam voor een categorie standaardbepalingen die gebruikt worden in de testamenten-adviespraktijk, met de bedoeling om bij afwikkeling van een nalatenschap de uitoefening van bevoegdheden door erfgenamen in te perken. Het gaat om bevoegdheden die erfgenamen op grond van het erfrecht en andere Nederlandse wetten na overlijden hebben en op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De kunstfiguur is er in variaties. Gemeten naar de inperkingen die de varianten voor erfgenamen beogen, zijn ze te classificeren van gematigd tot extreem.
Een gematigde variant is de afwikkelingsbewindvoerder puur, met de wettelijke bevoegdheden voor de uitvoerder van een testamentair bewind die het beheer krijgt over goederen die tot een gemeenschap behoren (art. 4:170 BW). Hier kunnen erfgenamen hun stem nog laten horen in een gerechtelijke procedure bij de Nederlandse rechtbank. Dus omgeven met de waarborgen van onze rechtsstaat.
Als extreme variant geldt de ‘almachtige afwikkelingsbewindvoerder‘, een constructie die volgens de ontwerpers een deken over de nalatenschap legt die de rechten van erfgenamen doet verstikken. Daarbij wordt in een testament bepaald dat er na overlijden, bij afwikkeling van de erfenis, maar één persoon is die de praktische zeggenschap heeft. Deze variant krijgt de meeste kritiek, omdat volgens Nederlands dwingend recht alleen eigenaren zeggenschap toekomt en elke deelgenoot gerechtigd is het oordeel van een Nederlandse rechter in te roepen. In de extreme variant handelt en beslist de almachtige afwikkelingsbewindvoerder over alles en wordt erfgenamen de toegang tot de rechter ontzegd. En dat zijn na overlijden de gezamenlijke erfgenamen. Gebruik van deze modelregeling in notariële akten na overlijden kan daarom uiterst merkwaardig worden genoemd, zowel in juridisch als in maatschappelijk opzicht. Juridisch, omdat na overlijden de volledige zeggenschap over de nalatenschap toekomt aan alle erfgenamen gezamenlijk, omdat er bij overlijden ‘van rechtswege’ een volledige eigendomsoverdracht plaatsvindt van erflater op de erfgenamen, ook als er een testamentair bewind is ingesteld. Dat bepaalt de dwingendrechtelijke hoofdregel voor erfopvolging in het Nederlands erfrecht, de saisine (art. 4:182 BW). Maatschappelijk, omdat er geen knelpunten bekend zijn, of waarden en normen bestaan, die deze vergaande ingreep in het eigendomsrecht zouden kunnen rechtvaardigen als zijnde noodzakelijk in het algemeen belang.
Een fervent bepleiter van deze ‘almachtige afwikkelingsbewindvoerder’, die in communicatie over het onderwerp de boventoon is gaan voeren, legde in 2004 als notaris in een juridisch tijdschriftartikel uit wat de achterliggende bedoeling van de regeling is: erfgenamen monddood maken en een deken over de nalatenschap leggen die hun rechten doet verstikken. Hij vindt deze vergaande ingreep nodig om nalatenschappen die anderen in eigendom toebehoren, in een redelijk tempo af te kunnen laten wikkelen door notarissen, estate-planners, bankmedewerkers en beroepsexecuteurs en om vooraf ontworpen nalatenschapsplannen uit te kunnen voeren.1 “Executele en estate-planning: twee handen op een buik“.2 Hij geeft de op het eigendomsrecht gebaseerde testeervrijheid van de testamentmaker voorrang boven de op hetzelfde recht gebaseerde ‘afwikkelvrijheid’ van de erfgenaam. Zonder juridische onderbouwing. Het gaat om een praktijkbehoefte waarvan nooit is onderzocht of deze daadwerkelijk bestaat.3
Volgens de enige dissertatie over het onderwerp, uit 2007 van dezelfde voorstander, nu b2b-adviseur estateplanning, zijn testamentaire bepalingen voor een zelfstandig verdelende executeur of bewindvoerder in beginsel niet rechtsgeldig. Met als gevolg dat zulke bepalingen in eerste instantie voor niet geschreven moeten worden gehouden. Erfgenamen en andere belanghebbenden die het niet eens zijn met testamentaire bepalingen die tijdelijk eigenaarsbevoegdheden aan een executeur of testamentair bewindvoerder toekennen, of een regime van dwangvertegenwoordiging instellen, kunnen op grond daarvan te goeder trouw een beroep doen op de nietigheid van zulke bepalingen. De wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de beheersexecuteur mag uitsluitend worden gebruikt voor zover nodig voor uitoefening van de wettelijke executeurstaken, niet voor verdeling van de erfgemeenschap. Bepalingen in een testament die nietig zijn, worden voor niet geschreven gehouden. Ook notarissen die op grond van hun zorgplicht menen niet mee te kunnen werken aan effectuering van handelingen op grond van zulke wankele bepalingen, en de dreiging van een kort geding of klacht op hun tafel krijgen, kunnen zich te goeder trouw op de nietigheid beroepen.4
Wetgever verklaarde in een vroeg stadium van de parlementaire behandeling van de nieuwe wettelijke regels voor het erfrecht, dat de rechtsfiguur van de conversie uit het verbintenissenrecht toepasbaar is bij nietige uiterste wilsbeschikkingen.5 In de dissertatie wordt bepleit zoveel mogelijk gebruik te maken van dit instrument. Zijn anderen het er niet mee eens dat een belanghebbende testamentaire bepalingen voor nietig houdt, kan op grond van deze stelling aan de rechter worden gevraagd te beoordelen of sprake is van nietigheid en zo ja, of alsnog rechtsgeldigheid aan de in beginsel nietige rechtshandeling kan worden verleend door inzet van het instrument van de conversie. Recent is deze weg ook nog eens beschreven door prof. Freek Schols.6 Er kan in zijn visie ‘automatisch conversie plaatsvinden’ (een in het Nederlands recht niet bestaande mogelijkheid), en als dat mensen te ver gaat, kan dit via de rechter, aldus F. Schols.
De stelling dat er geen rechten worden ingeperkt omdat erfgenamen bij de instelling van een testamentair afwikkelingsbewind na overlijden niet alle rechten krijgen, steunt op het denkmodel van een ’trustachtige afwikkelingsbewindvoerder’ die in landen met een common-law-systeem wel, maar in het Nederlands recht (nog) niet bestaat. Nederland kent geen scheiding van eigendomsrechten.7 Sterker nog, de dwingendrechtelijke regeling van art. 3:84 lid 3 BW verbiedt dergelijke fiduciaire regelingen (‘fiduciaverbod’). Boek 3 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek bevat regels van het algemene vermogensrecht; deze gaan voor op de regels van het erfrecht. Als juridisch fundament voor de trustachtige afwikkelingsbewindvoerder werd de privatieve verbintenis van de onherroepelijke last gekozen, tussen erflater en executeur-afwikkelingsbewindvoerder, die werd genesteld in art. 4:171 BW. In de ogen van velen een juridische toverpil, door voorstanders omschreven als interessante erfrechtelijke code ‘171’.
Uit de tekst en wetsgeschiedenis blijkt dat art. 4:171 BW geen zelfstandige uiterste wilsbeschikking is. Daarom kunnen op dit artikel gebaseerde testamentaire bepalingen de regels van het algemene vermogensrecht niet rechtsgeldig doorkruisen.
Het is ook niet zo dat met art. 4:171 BW kan worden afgeweken van alle aan artikel 4:171 BW voorafgaande bepalingen, zoals het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch overwoog in zijn arrest van 23 maart 2025, (ECLI:NL:GHSHE:2025:818).8 De dwingendrechtelijke bepalingen van het algemene vermogensrecht gaan vóór op de de wet op het erfrecht en de daar vervatte regeling van het Testamentair bewind, ongeacht wat er in een testament staat.9 In een dissertatie uit 2020 wordt vastgesteld dat de instelling van een testamentair bewind niet meebrengt dat er bij overlijden een onvolledige eigendomsoverdracht van erflater op de erfgenamen plaatsvindt. Ook in dat geval vindt er op grond van de saisineregel een volledige eigendomsoverdracht plaats, zowel van de juridische als de economische. Het Nederlands testamentair bewind is geen trustachtige figuur.
De idee dat de rechtsgeldigheid van testamentaire bepalingen, die bevoegdheden aan een executeur of bewindvoerder toekennen, kan worden vastgesteld door uitlegging van het testament is onjuist. Als onduidelijk is wat erflater bedoelde, kan worden uitgelegd. Daarna moet op rechtsgeldigheid worden getoetst: valt de bepaling binnen een in de wet erfrecht of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking? Is er mogelijk strijd met art. 4:4 BW etc. Is de overweging dat sprake is van nietigheid, kan, op verzoek van een belanghebbende, worden beoordeeld of geconverteerd kan worden in rechtsgeldigheid. Daarbij dient op grond van de wet een onredelijkheidstoets plaats te vinden.
De theorie dat in een testament wettelijke bepalingen voor de executeur kunnen worden opgerekt door gebruik te maken van privatieve lastgeving, is afgekeurd door de Hoge Raad.10 Bovendien kan de last na overlijden worden opgezegd door de erfgenamen.
De idee om de bevoegdheid tot zelfstandig verdelen te baseren op de rechtsfiguur van de ‘onherroepelijke volmacht’ gaat niet op. Een onherroepelijke volmacht kan namelijk alleen geldig zijn na overlijden als deze ziet op het verrichten van een rechtshandeling die in beginsel tijdens leven door de volmachtgever kan worden verricht. Geeft een volmacht de bevoegdheid een handeling te verrichten die alleen na overlijden kan worden uitgevoerd, is sprake van een ‘beschikking bij dode’. Om rechtsgeldig te zijn, moet zo’n beschikking vallen onder een in de wet erfrecht of andere wet met name genoemde ‘uiterste wilsbeschikking’, en moet de beschikking voldoen aan de vormvereisten die de wet erfrecht daarvoor stelt. Het verdelen van een nalatenschap is geen uiterste wilsbeschikking, en daarmee is de onherroepelijke volmacht die inhoudt dat moet worden verdeeld een nietige rechtshandeling.11
De idee om ‘de executele’ te beschouwen als erfrechtelijke verbintenis heeft drie grote manco’s. Ten eerste treedt de opdrachtnemer of lasthebber op naast de executeur en bewindvoerder en bestaat grote rechtsonzekerheid over zijn erfrechtelijke positie. De erfgenamen zijn bij overlijden opvolgend partij geworden bij de overeenkomst en zij zijn gebonden aan de privatieve vertegenwoordiging door de executeur. In de functie van executeur bestaat geen bevoegdheid de opdracht die door de rechtsopvolgers van overledenen aan opdrachtnemer is gegeven, uit te voeren. Ten tweede bestaat bij de rechtsfiguren opdracht en last geen privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid. In de derde plaats kan een erfgenaam, als opvolgend partij bij de overeenkomst, de opdracht beëindigen.
Er bestaan daarom goede gronden voor de stelling dat het in beginsel buitenwettelijk is, wat er op de praktijkvloer gebeurt, bij notaris, estate planner en executeur. Wellicht kan worden aangenomen dat opname van zulke bepalingen in een testament niet strijdt met de beroepsregels van de notaris, maar dat doet niet af van de al dan niet rechtsgeldigheid ervan. Overname van zulke testamentaire bepalingen in notariële akten die worden opgemaakt na overlijden, zonder Belehrung, op grond waarvan ‘de trustachtige afwikkelingsbewindvoerder’ in de praktijk aan het werk kan gaan, past vermoedelijk niet binnen de beroepsregels zolang er geen bestendige hogere jurisprudentie is. En die is er niet.
Hoe zit het? Hoe komen rechters ertoe om erfgenamen die hun eigendomsrechten verdedigen tegen een grensoverschrijdende executeur-bewindvoerder met lege handen naar huis te sturen?
Het antwoord is ontnuchterend: haast niemand kent de kritiek en de tegenargumenten. Voor de weinigen die dat wel doen, gaat het veelal regelrecht tegen het eigenbelang (van de beroepsgroep) in, kritiek en bedenkingen te uiten.12 Justitiabelen hebben daarom op papier misschien rechtsbescherming, maar kunnen deze in de praktijk om meerdere redenen niet goed geldend maken.
Laatst bijgewerkt: 28 februari 2026
1. Zes veelgestelde vragen (FAQ) over het afwikkelingsbewind
° FAQ 1 | Hoe regel je een afwikkelingsbewind over de nalatenschap?
Veel websites en brochures over het Nederlands erfrecht geven als informatie dat bij testament iemand kan worden benoemd die na overlijden zelfstandig de hele nalatenschap mag afwikkelen en verdelen onder de erfgenamen, ook zonder hun medewerking en toestemming, zelfs tegen hun wil. Dit zou een goede manier zijn om ruzie te voorkomen, omdat de erfgenamen dan niet zelf zouden mogen beslissen. In een testament moet dan een executeur worden benoemd en die krijgt extra bevoegdheden. Dat wordt meestal ‘de executeur-afwikkelingsbewindvoerder‘ of ‘driesterrenexecuteur‘ genoemd. Dit verhaal komt ook van de notaris, estateplanner, advocaat en executeur. Vanuit juridisch oogpunt is dat in zijn algemeenheid en stelligheid onjuist, om meerdere redenen. Verschillende wetenschappers beschreven in 2004 uitvoerig dat er meerdere zware juridische blokkades bestaan om aan deze constructie ooit erfrechtelijke werking toe te kunnen kennen. De kritiek is in 2007 op alle belangrijke onderdelen erkend door een groot bepleiter van de kunstfiguur, in de enige dissertatie over het onderwerp.13
In de praktijk van notaris, estate-planner en executeur werd jarenlang niet veel aandacht besteed aan de kritiek. er wordt steeds verwezen naar een wetsartikel in het Wetboek van erfrecht, de afdeling ‘Testamentair bewind’, die gebruik van een wonderbaarlijke clausule in testamenten mogelijk zou maken.14 De waarlijk wonderbaarlijke werking is erin gelegen dat dit wetsartikel, art. 4:171 BW, een testamentmaker de mogelijkheid zou bieden om dwingendrechtelijke hoofdbeginselen van zowel het erfrecht als van het goederenrecht buitenspel te zetten. Mits in het testament bepaalde bewoordingen worden gebruikt. Een start-up voor modellenboeken, de vof ScholsBurgerhartSchols, presenteerde in 2004 de grondslagen voor een model dat deze wonderbaarlijke werking zou kunnen krijgen. Door gebruik in de praktijk en door ondersteunende rechterlijke beslissingen (‘rechtsvorming’). De Koninklijke Notariële Beroepsvereniging nam de buitenwettelijke constructie met een zelf ontwikkelde ’toverformule’ op in het officiële modellenboek. Na een aanvankelijke waarschuwing aan de notaris het model ’terughoudend’ in te zetten, vielen in de loop der jaren de remmen weg. Een kandidaat-notaris werkzaam bij een groot internationaal kantoor met notarissen, advocaten en accountants, bestempelde de theorie van de waarlijk wonderbaarlijke werking in 2013 als ‘heersende leer’.15 Zonder draagkrachtige motivering en zonder helder te beschrijven waar precies deze mening heersend zou zijn. Inmiddels is duidelijk dat het gaat om een mening die heerst binnen de beroepsgroepen notariaat, estate-planning en executeurs.
De conclusie van Maasland werd tien jaar later (!) klakkeloos (!) overgenomen door de plaatsvervangend Procureur generaal bij het Parket van de Hoge Raad (plv. PG) in zijn conclusie van 9 juni 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:691). ‘Klakkeloos’ klinkt op het eerste gezicht misschien enigszins bot of respectloos, maar de kritische ondertoon die uit het woord blijkt, steunt op meerdere juridische en wetenschappelijke gronden.
► zie: Heersende leer ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’| Een herijking
In een dissertatie uit 2020 constateert (thans) hoogleraar Estate Planning De Leeuw, dat bij instelling van een testamentair bewind, de saisineregel ervoor zorgt dat bij overlijden volledige eigendomsoverdracht plaatsvindt van erflater op de erfgenamen, niet alleen de economische, ook de juridische.16 Het Nederlands testamentair bewind is volgens haar analyse geen ’trustachtige figuur’. Met als promotoren de kopstukken Frans Sonneveldt en Allard Lubbers kan in de literatuur en rechtspraak niet eenvoudig aan deze constatering voorbij worden gegaan. Consequentie is namelijk dat de tijdelijke overdracht van eigendomsbevoegdheden door erflater in een testament op de executeur-afwikkelingsbewindvoerder afstuit op het fiduciaverbod. Dat maakt een levering op grond van de toverformule nietig.
Het gaat dus om een terrein vol voetangels en klemmen, maar over de juridische moeilijkheden wordt weinig geschreven. Ze maken geen deel uit van het debat, duiken niet op in overwegingen van rechterlijke vonnissen, arresten en beschikkingen. De laatste twee decennia heeft zich een nieuwe tak van zakelijke dienstverlening ontwikkeld rondom testamentadvisering en -afwikkeling die door betrokkenen lucratief wordt genoemd. Mensen werkzaam in deze branche, daaronder notaris, accountant, bankier, executeur, nalatenschapsplanner en advocaat, zijn niet gebaat bij een open en evenwichtige voorlichting aan de consument. Het zou mensen ervan af kunnen brengen een testament te maken, estate-planningadvies te vragen en het zou erfgenamen ertoe kunnen brengen te procederen. Rechters die bekend zijn met het brede palet van argumenten pro- en contra, zouden een eigen mening kunnen destilleren, in plaats van (simpelweg) de praktijkleer te volgen. Strikt juridisch gedacht zijn de tegenargumenten ijzersterk. Een open discussie daarover, en regelmatige publicaties over de voors en tegens, waarvan ook de rechterlijke macht kan kennisnemen, zou ertoe kunnen voeren dat de bevoegdheden flink worden ingeperkt, en daarmee de werkzaamheden van personen in de erfrechtbranche.
In de eerste plaats moet in het algemeen worden bedacht dat het bij de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van een testamentair bewindvoerder gaat om een zogenaamde ‘situatieve bevoegdheid‘. Daarmee wordt bedoeld dat het steeds afhangt van de situatie in een individueel geval, in een bepaalde situatie, of de bevoegdheden rechtsgeldig kunnen worden gebruikt of niet. Een testamentair bewindvoerder mag namelijk alleen handelen binnen het kader van het bij testament ingestelde bewind en bewindvoering houdt in dat er een beschermend beheer moet worden gevoerd over de onder bewind gestelde goederen. Wat onder beheer moet worden verstaan, is neergelegd in een zogenaamde ‘open norm’, daarom kan er alleen per geval worden beoordeeld of een handeling rechtsgeldig was of niet. Het is dus niet zo als bij een eigenaar, die op grond van het Nederlands vermogensrecht absoluut de bevoegdheid heeft over zijn eigendommen te beschikken.
Voorbeelden situatieve bevoegdheid afwikkelingsbewindvoerder:
- Mag bewindvoerder overeenkomst met installateur sluiten om cv-ketel te vervangen?
Dat hangt ervan af of dat nodig is voor een goed beheer van het betreffende onroerend goed in de nalatenschap. Is de ketel oud, maar nog goed genoeg om veilig te functioneren tot de erfenis is afgewikkeld, mag de bewindvoerder dat niet. Doet de ketel het niet meer, is het winter en is het pand tijdelijk verhuurd om het te behoeden voor inbraak, vandalisme of kraken, is de bewindvoerder daartoe bevoegd. - Mag bewindvoerder zelfstandig een groot aandelenpakket verkopen?
Het hangt ervan af of dat nodig is voor de bescherming van de (waarde van de) nalatenschap. Dreigen de aandelen sterk in waarde te dalen, of doen ze dat al, kan verkoop rechtsgeldig zijn.
Verder moet bij overlijden worden bekeken welke capaciteiten de erfgenamen hebben. Zijn er bij overlijden alleen ruim meerderjarige erfgenamen die volgens objectieve maatstaven allemaal goed in staat zijn om de erfgemeenschap verstandig te beheren en af te wikkelen, kan de uitvoerder van een bij testament ingesteld bewind in beginsel niet rechtsgeldig gebruikmaken van een in dat testament gegeven bevoegdheid zelfstandig verdelingshandelingen te verrichten. Dat hangt ermee samen dat de erfgenamen bij overlijden van rechtswege volledig eigenaar zijn geworden van de hele nalatenschap en de rechten uit eigendom niet eenvoudig kunnen worden ingeperkt, mede omdat het recht op een ongestoord genot van eigendom is beschermd als grondrecht (EVRM).
Door de dwingendrechtelijke hoofdregel voor erfopvolging in Nederland, de saisineregel, stappen erfgenamen bij overlijden automatisch (‘van rechtswege’) in de juridische voetsporen van de erflater. De erfgenamen verkrijgen bij overlijden samen automatisch de volledige eigendom van de goederen van de nalatenschap. Op grond van een andere hoofdregel, verbintenisrechtelijk, nemen erfgenamen ook alle contracten van overledene over. Zakelijke zekerheidsrechten als het recht van hypotheek, ‘kleven’ aan het onroerend goed waarop ze rusten en gaan om die reden over op de erfgenamen.
Voor deze juridische overgangen is geen enkele handeling nodig en er hoeft ook geen notaris voor te worden ingeschakeld. Deze regeling is van dwingend recht, wat betekent dat er bij testament niet rechtsgeldig van kan worden afgeweken. Bepalingen in een testament die dat wel doen, moeten voor niet geschreven worden gehouden (‘nietig’).
In landen met een ‘common-law’-rechtssysteem, dat zijn oorsprong vindt in Engeland, gaat de eigendom bij overlijden niet direct over. Daarom is informatie uit Amerikaanse series en Engelse romans niet van toepassing in Nederland.
Het recht om een onverdeelde gemeenschap van goederen te verdelen, maakt deel uit van het eigendomsrecht. Volgens het Nederlandse algemene vermogensrecht, dat onder andere de wettelijke regels geeft voor eigendomsrechten, kunnen een beperkt aantal rechten die deel uitmaken van het eigendomsrecht afzonderlijk op anderen worden overgedragen. Daaronder valt echter niet het eigendomsrecht om als deelgenoot een goederengemeenschap te verdelen (een erfenis met twee of meer erfgenamen is volgens de algemene regels uit het vermogensrecht automatisch een gemeenschap van goederen). Het algemene vermogensrecht kent niet de bevoegdheid een goederengemeenschap die anderen (mede) in eigendom toebehoort, zelfstandig te verdelen. Ook niet onder bepaalde omstandigheden, zoals: de deelgenoten komen er onderling niet uit. Wetgever legt de rol van vredestichter of probleemoplosser hier uitsluitend bij de rechter. Er is ook geen uiterste wilsbeschikking die het mogelijk maakt dit rechtsgeldig bij testament te bepalen. Om deze redenen kan niet rechtsgeldig bij testament worden beschikt, dat er na overlijden een persoon is met de exclusieve bevoegdheid om de nalatenschap na overlijden te verdelen. Het recht bestaat niet, en kan daarom niet van erflater overgaan op een executeur of bewindvoerder. Ook niet als dat een van de erfgenamen is.
Voorstanders van de regeling bepleiten dat men bij toepassing van de regeling niet zozeer moet denken in termen van de uiterste wilsbeschikking, maar in die van een erfrechtelijke verbintenis. In ons recht is het namelijk mogelijk te bepalen dat een volmacht doorloopt na het overlijden van de volmachtgever, mits dit uitdrukkelijk is bepaald (art. 3:74 BW). Het gaat bij uitbreiding van bevoegdheden van de testamentair bewindvoerder om zo’n doorlopende volmacht. In de algemene rechtswetenschap (dus niet alleen het notarieel recht) schrijven vooraanstaande auteurs dat het verlenen van een onherroepelijke volmacht uiteraard alleen een handeling kan betreffen die de volmachtgever zelf ook zou kunnen verrichten als hij nog langer geleefd zou hebben.17
Er bestaat al decennia lang discussie over de vraag, of bij testament rechtsgeldig aan een executeur of bewindvoerder beschikkingsbevoegdheden kunnen worden toegekend. Al decennialang vinden rechtsgeleerden (in het notarieel recht) en gepromoveerd belastingkundigen dat dit niet kan.18 En er is een spraakmakende dissident die meent dat het wel zou moeten kunnen.19
In het historische mijlpaalarrest Hendrikse / Geensen keurde de Hoge Raad het instrument van de privatieve lastgeving af als omzeiling van de wettelijke bepalingen voor de bevoegdheden van de testamentuitvoerder. Wetgever codificeerde de door de HR gekozen richtlijn in de nieuwe (huidige) wet erfrecht:20 Dit arrest, en de codificatie van de daar gegeven rechterlijke leidraad, worden in de tot 2023 gangbare communicatie rondom ‘de trustachtige afwikkelingsbewindvoerder’ niet vermeld, ook niet in de dissertatie van Schols. Dat maakt de argumentatie pro-rechtsgeldigheid kwetsbaar. Door delen van het arrest op deze website opnieuw te publiceren, wordt de discussie verbreed.
Toen in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het wetsontwerp voor de huidige wet erfrecht werd geschreven, met als bedoeling het positieve recht te (her)codificeren, was het de heersende leer dat voor beschikkingshandelingen door de bewindvoerder medewerking van de eigenaar is vereist.21 De hoedanigheden van een zakelijk beheersrecht strijden met de grote regel dat in ieder vermogensrecht de bevoegdheid tot beschikken voor de rechthebbende opgesloten ligt. De rechtspositie van de eigenaar ten opzichte van onder bewind gestelde goederen en zaken wordt niet bepaald door bevoegdheden van een bewindvoerder, maar omgekeerd, worden de bevoegdheden van een bewindvoerder bepaald door het eigendomsrecht van de eigenaar.22 Onder andere de ontwerper van het nieuw BW, prof. Eduard Meijers, hing deze leer aan. De theorie van het zakelijk beheersrecht, afgeleid van Romeinsrechtelijk fiducia, werd ook in Duitsland verdedigd, maar vond ook daar geen ingang.23.
De wetgever noemde vroeg tijdens de parlementaire behandeling, bij bespreking van (thans) art. 4:4 BW, expliciet dat privatieve lastgeving hier niet mogelijk was:24 “Belangrijker voor de praktijk is dat het eerste lid van het onderhavige artikel ook de zgn. privatieve clausules in testamenten nietig verklaart, voor zover deze de strekking hebben om de bevoordeelde te belemmeren in zijn vrijheid om enige erfrechtelijke bevoegdheid, hem als bevoordeelde krachtens Boek 4 toekomende, al dan niet uit te oefenen.“
Ook kort voor invoer van het nieuwe Boek 4 werd veelal aangenomen dat een last die bij testament aan de executeur is gegeven om zelfstandig de verdeling van de nalatenschap tot stand te brengen, geen gevolg heeft. Want een nalatenschap met twee of meer erfgenamen is volgens het vermogensrecht een goederengemeenschap, met de erfgenamen als deelgenoten. En volgens het vermogensrecht is voor de verdeling van een goederengemeenschap de medewerking van alle deelgenoten noodzakelijk. Het recht van erfgenamen om hun nalatenschap te scheiden en delen, maakt deel uit van het eigendomsrecht en is daarmee onlosmakelijk verbonden.25 De wet kende wel de mogelijkheid van een ouderlijke boedelverdeling (art. 1167 (oud) BW).
Na invoer van de huidige wet erfrecht is vanuit de Katholieke Universiteit Nijmegen een afwijkende theorie verspreid over de bevoegdheden van een executeur die steunt op middeleeuws rooms-katholiek kerkrecht.
► zie: Executeur testamentaire is afgeschaft in het Nederlandse erfrecht
Binnen het notariaat en de opleiding tot notaris denken veel mensen dat op grond van het nieuwe wetsartikel 4:171 BW de bevoegdheden van de bewindvoerder bij testament naar willekeur kunnen worden uitgebreid. Maar dat kan, volgens logisch juridisch redeneren, niet zover gaan dat een bewindvoerder zelfstandig gaat verdelen bij een bewind in een gemeenschappelijk belang, in de situatie dat er bij overlijden ruim meerderjarige, handelingsbekwame erfgenamen zijn die de erfenis (beneficiair) hebben aanvaard en deel willen nemen aan het beheer, de scheiding en deling van de erfgemeenschap.
Vanuit de praktijk wordt gesteld dat er behoefte bestaat aan het kunnen uitoefenen van ruimere bevoegdheden dan de wet noemt. Op deze manier kunnen erfgenamen niet dwarsliggen bij uitvoer van een estate plan. En hebben notaris, estate planner en executeur meer werk bij afhandelen van een erfenis. Er wordt in de praktijk veelvuldig toe overgegaan. Zonder dat de Hoge Raad in een oordeel iets heeft overwogen over de handelwijze.
In 2023 bepleit mr. dr. Ronald Brinkman, wetenschappelijk medewerker Notarieel recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, tevens notaris, estate-planner en executeur, de volledige afschaffing van art. 4:4 BW.26
In de derde plaats gaat het erom of na overlijden alle in art. 4:7 BW genoemde schulden ruimschoots uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, zonder dat er goederen te gelde hoeven te worden gemaakt. De bewindvoerder heeft in dat geval een meer administratieve rol: hij of zij moet ervoor zorgen dat het vermogen goed wordt beheerd en dat de direct opeisbare schulden, als genoemd in art. 4:7 BW, worden voldaan.27 Nederlandse en internationale wet- en regelgeving staan waarschijnlijk niet toe dat de eigendomsrechten die erfgenamen op grond van de wet erfrecht bij overlijden rechtmatig aan de nalatenschap van erflater verkrijgen, door bepalingen in een testament worden ingeperkt.28
Ten vierde geldt sinds 2003 in het Nederlands erfrecht het ‘gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen’. Hoofdregel voor bepalingen in een testament die een (rechts)persoon algemene bevoegdheden geven om de erfgemeenschap zelfstandig te verdelen, is dat zulke bepalingen in beginsel nietig zijn. Zulke bepalingen vallen namelijk niet onder een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikking. Prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols kwam tot deze rechtswetenschappelijke conclusie in zijn dissertatie (2007). Er zijn geen rechterlijke uitspraken bekend waarin testamentaire bepalingen met een zelfstandige verdelingsbevoegdheid zijn getoetst aan het gesloten stelsel. Er wordt meestal direct overgestapt naar de uitleg van het testament.
Er is echter iets bijzonders aan de hand bij Bernard Schols. In tegenstelling tot wat hij concludeert in zijn dissertatie, tot stand gekomen in academische omgeving, communiceert hij al decennialang in een tsunami aan – niet-wetenschappelijke – tijdschriftartikelen, interviews en cursussen dat de executeur-afwikkelingsbewindvoerder een rechtsgeldige figuur is. Gedrag dat voor een wetenschapper ongebruikelijk kan worden genoemd.29 De meeste artikelen van zijn hand verschijnen niet in wetenschappelijke tijdschriften, dus naar wetenschappelijke normen is er misschien geen vuiltje aan de lucht. In theorie. Want in de praktijk zijn de aantoonbaar eenzijdige, deels onwetenschappelijke teksten van Bernard Schols, onder de vlag van hoogleraar aan de Radboud Universiteit, in handboek, naslagwerk en tijdschriftartikel zonder met de ogen te knipperen overgenomen in vonnissen, arresten en conclusies. Zonder eigenhandig te toetsen aan de gesloten stelsels van het erfrecht en goederenrecht. Zonder conversie.
Schols promoveerde in 2007 op een proefschrift over de ‘Executeur’ in het nieuwe erfrecht en hij wordt sindsdien binnen de universitaire beroepsopleiding voor de notaris gezien als specialist op dit gebied. Als reden voor de nietigheid wijst Schols op het feit dat de huidige Nederlandse wet geen zogenaamde uiterste wilsbeschikking kent, die het mogelijk maakt dat verdelingsaanwijzingen in een testament bij overlijden erfrechtelijke werking kunnen ontvouwen. Wetgever was hier duidelijk: alle bepalingen in een testament of codicil die niet zijn onder te brengen bij een uiterste wilsbeschikking, missen erfrechtelijke werking. Ze kunnen door de erfgenamen vrijwillig worden opgevolgd, maar erfgenamen zijn daar niet toe te verplichten 30 Schols staat in deze analyse niet alleen. Zijn promotor, prof. mr. dr. M.J.A. van Mourik, en de professoren mr. W.G. Huijgen en mr. A.H.N. Stollenwerck komen tot dezelfde slotsom. Andersluidende standpunten zijn bij deze website niet bekend, maar kunnen er wel zijn.
Strijd met het gesloten stelsel levert nietigheid op. Dat betekent dat de betreffende bepalingen in een testament voor niet geschreven moeten worden gehouden en daarop gebaseerde rechtshandeling als zijnde niet verricht. Belanghebbenden die het er niet mee eens zijn dat de bepalingen voor nietig worden gehouden, kunnen de rechter vragen te beoordelen of de nietige rechtshandeling kan worden omgezet in rechtsgeldigheid (conversie, art. 3:42 BW). Een deskundige op dit gebied, prof. mr. Bernard Schols, meent dat er een ‘erfrechtelijke conversieplicht’ bestaat. Hetzelfde meent zakenpartner prof. mr. Freek Schols.31 De Nederlandse wet zegt in art. 3:42 BW echter iets anders. De rechter heeft volgens de wet de plicht te toetsen of conversie onredelijk is te achten voor belanghebbenden die niet als partij bij de rechtshandeling waren betrokken.32 Algemene wettelijke richtlijn is daarmee dat een besluit tot conversie steeds alleen kan worden gebaseerd op de omstandigheden van het specifieke geval. Een algemene verplichting tot conversie is niet uit het wettelijk hoofdartikel voor conversie af te leiden.
De wetssystematiek bij de afdelingen ‘Executeurs’ en ‘Testamentair bewind’ in Boek 4 BW is als volgt. In een testament kan bij uiterste wilsbeschikking een executeur worden benoemd en een testamentair bewind worden ingesteld. In de uiterste wil (het testament) kunnen nadere regels worden gegeven. Uitbreiden of beperken van bevoegdheden en verplichtingen van een bewindvoerder valt zelf dus niet onder een uiterste wilsbeschikking en moet daarom binnen de uiterste wilsbeschikking van het bewind vallen.
Erfgenamen en andere belanghebbenden die het er niet mee eens zijn dat een afwikkelingsbewindvoerder in een bepaalde situatie zelfstandig verdeelt op basis van bepalingen in een testament, kunnen de nietigheid van die bepalingen inroepen, onder verwijzing naar argumenten genoemd in de dissertatie van Schols en in publicaties van Huijgen en Stollenwerck ter zake.33
LET OP: aan deze actie kunnen (hoge) kosten verbonden zijn, als de rechter uiteindelijk oordeelt dat geen sprake is van nietigheid. Ook kan het zijn dat de executeur of bewindvoerder in een specifieke situatie wel bevoegd is zorg te dragen voor (partiële) verdeling, op grond van de wet of van de omstandigheden van het geval. Wetgever gaf de bewindvoerder over een nalatenschap met twee of meer erfgenamen de bevoegdheid, om zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechter in te stellen.34 Zie erop toe dat het inroepen van de nietigheid uitgebreid gemotiveerd wordt gedaan; laat er een verklaring van opstellen door een notaris of gerechtsdeurwaarder en laat de verklaring officieel betekenen bij de executeur-afwikkelingsbewindvoerder en bij de notaris die een verklaring van executele / bewind / erfrecht opstelde met daarin opgenomen de bevoegdheden die voor nietig worden gehouden, zonder kanttekening over de dogmatische discussie en de conclusie in de dissertatie van Schols dat in eerste instantie sprake is van nietigheid (‘Belehrung‘).
Conclusie. Onder omstandigheden kan een testamentair bewindvoerder rechtsgeldig zelfstandig juridisch ‘beschikken’ over goederen van de nalatenschap of mag hij of zij goederen verkopen. Maar dit geldt niet als algemene regel.35 Wilt u een testament maken en een afwikkelingsbewind instellen, zorg er dan voor dat de bepalingen over de bevoegdheden van de bewindvoerder aansluiten bij de juridische werkelijkheid. Vraag de notaris om goede en volledige voorlichting en laat deze opnemen in het dossier.
° FAQ 2 | Bent u erfgenaam en is in het testament een bewindvoerder benoemd?
In veel teksten over rechten en plichten van erfgenamen die een erfenis hebben gekregen met een testamentair bewind en een zogenaamde afwikkelingsbewindvoerder, is beschreven dat deze bewindvoerder de bevoegdheid heeft zelfstandig over de erfenis te beschikken in juridische zin. Daar zou ook onder vallen dat deze bewindvoerder de erfenis zelfstandig mag verdelen, zelfs zonder instemming van de aanwezige meerderjarige wilsbekwame erfgenamen. Met het werkwoord ‘verdelen’ zou hier worden bedoeld dat als er twee of meer erfgenamen zijn, er maar één persoon bevoegd zou zijn tot ‘scheiding en deling’ van de onverdeelde erfenis (een goederengemeenschap in de zin van het vermogensrecht). Deze persoon zou zelfs een buitenstaander, niet-erfgenaam, kunnen zijn.
Ook dat is in zijn algemeenheid en stelligheid onjuist. Zulke testamentaire bepalingen zijn in beginsel niet rechtsgeldig, omdat ze niet zijn onder te brengen bij een in de wet genoemde ‘uiterste wilsbeschikking’. En dat is sinds de invoer van de huidige wet erfrecht een vereiste voor testamentaire bepalingen, om erfrechtelijke werking te krijgen. Erfgenamen mogen zulke bepalingen vrijwillig opvolgen, maar ze kunnen daar niet toe worden gedwongen via een civiele procedure. Een tijdelijke overdracht van eigenaarsbevoegdheden stuit ook af op het gesloten stelsel uit het goederenrecht en op het fiduciaverbod.
Bij overlijden hebben erfgenamen op grond van de Nederlandse dwingendrechtelijke regels voor erfopvolging, van rechtswege (‘automatisch’) de eigendom verkregen aan het eigen vermogen van erflater, die op dat moment de eigendom heeft verloren (art. 4:182 lid 1 BW). Het gaat daarbij zowel om overdracht van de juridische eigendom als van de economische eigendom. Het Nederlands testamentair bewind is geen ’trustachtige figuur’ waarbij tijdelijk bepaalde eigenaarsrechten overgaan op een ander dan de juridisch eigenaren, aldus prof. mr. A.M. de Leeuw in haar dissertatie uit 2020.36
Nederland kent geen negatieve saisine, zoals in landen met een common law-stelsel. In common law bestaat een soort tussenfase na overlijden tot en met verdeling van de nalatenschap. Er kan bij testament rechtsgeldig worden bepaald dat een executor zogenaamde ‘dispositive powers‘ krijgt om de scepter over de erfenis te kunnen zwaaien. Is er geen testament, komt dit aan de rechter toe. Veel mensen werkzaam in het notariaat, de estate planning, de executeurs- en bewindbranche zouden ook graag zo’n overgangsfase in Nederland willen hebben, maar die kent de wet niet en de kans is klein dat deze er in de nabije toekomst zal komen. Naar inschatting van promovenda Steegmans in haar dissertatie uit 2024 (“de fine-fleur van de rechtswetenschap“), is de kans klein dat dit door middel van rechtsvorming door de rechter zal gebeuren. Het kan naar haar analyse binnen het Nederlandse wetsysteem alleen door wetgeving worden geïntroduceerd, en daarvoor is nodig dat de wetgever dat bewust zal moeten willen.37 Rechtsvorming enkel en alleen op grond van een in de praktijk (dus niet door de Hoge Raad bevestigde) in 2013 ‘heersende leer’, lijkt anno 2025 daarom niet (meer) tot de mogelijkheden te behoren.
Bernard Schols geldt als vooraanstaand vertegenwoordiger van beroepsgroepen die professioneel diensten aanbieden als executeur en testamentair bewindvoerder. Hij is mede-oprichter van de vereniging NOVEX, belangenbehartiger voor beroepsexecuteurs en deze vereniging zorgt in de praktijk voor verspreiding van het denkmodel voor ‘de trustachtige afwikkelingsbewindvoerder’. In de gedragscode is opgenomen dat leden moeten werken volgens de leer van Schols, die op grond van de gedragscode van deze vereniging hebben te werken volgens de leer van Schols, als vertegenwoordiger van erflater.38 Schols behandelde in zijn dissertatie een modelregeling die is gebaseerd op het bestaan van een ‘quasi-saisine‘. Zonder daar steeds duidelijk bij te vermelden dat het om een denkmodel gaat dat afwijkt van het geldend recht. Tussen de regels door, of in noten, schrijft Schols wel dat er in Nederland geen quasi-saisine bestaat, maar veel mensen die het erfrecht professioneel toepassen, lezen niet tussen de regels door.
Er bestaat één uitzondering op de regel dat alle erfgenamen deelgenoot worden in de erfgemeenschap.39 Deze situatie is bekend komen te staan als ‘wettelijke verdeling’. De wet schrijft voor dat als er geen testament is gemaakt, de hele erfenis naar slechts één van de erfgenamen gaat in de situatie dat de overledene eigen kinderen nalaat en een partner uit huwelijk of registratie. Alleen de partner krijgt de erfenis in eigendom; de kinderen zijn in naam wel erfgenaam, maar worden vermogensrechtelijk geen deelgenoot van de erfgemeenschap.40
Eigendom is het meest omvattende recht over zaken dat de Nederlandse wet kent. Het eigendomsrecht omvat de exclusieve bevoegdheid om over de zaken te beschikken en ze te gebruiken (art. 5:1 BW). De tekst van artikel 5:1 BW luidt:
Het staat de eigenaar vrij, met uitsluiting van eenieder, van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.”
Op het eigendomsrecht mogen alleen onder strikte voorwaarden inbreuken worden gemaakt en de – juridische – bewegingsvrijheid van een burger mag in beginsel niet worden beperkt. Het eigendomsrecht en de burgerlijke vrijheden zijn als grondrecht beschermd in internationale verdragen. De belangrijkste verdragen voor Nederland zijn het EVRM en het Handvest EU.
Zijn er twee of meer erfgenamen, vormt het goed of vormen de goederen van de erfenis volgens het vermogensrecht automatisch (samen) een bijzondere goederengemeenschap, met de erfgenamen als deelgenoten. Volgens dwingendrechtelijke regels uit het Nederlands vermogensrecht komt alleen aan de deelgenoten van een goederengemeenschap het recht en de bevoegdheid toe, om de gemeenschap (partieel) te verdelen, ook als er onderling onenigheid bestaat.41 Daarnaast heeft iedere deelgenoot afzonderlijk het recht bij de rechter een vordering tot verdeling van de gemeenschap in te stellen wanneer men er in onderling overleg niet uitkomt. Bij een erfgemeenschap moeten dan wel eerst alle schulden zijn voldaan die worden genoemd in art. 4:7 BW, of er moet een garantstelling zijn dat deze zullen worden voldaan.
Het recht of de bevoegdheid de erfgemeenschap eigenhandig te mogen verdelen kan in een testament niet rechtsgeldig aan een van de deelgenoten worden toegekend met uitsluiting van de anderen, of aan een derde worden toegekend. Dit kan ook niet rechtsgeldig worden opgelegd aan de uitvoerder van een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind. Dit volgt uit het gesloten stelsel van het Nederlands goederenrecht (‘numerus clausus‘): (rechts)personen kunnen alleen contracteren over de rechten die limitatief zijn genoemd in de wet en kunnen geen eigen rechten creëren. Dat is een wettelijke beperking van de partijautonomie.42
Daarbovenop is in 1992 in het nieuwe Boek 3 BW het zogenaamde ‘fiduciaverbod’ (art. 3:84 lid 3 BW) ingevoerd. Dat laat niet toe dat er per erfrechtelijke last of verbintenis een (zekerheids)overdracht van erflater op de bewindvoerder plaatsvindt. Dit knelpunt is in 2004 naar voren gebracht door gepromoveerd belastingkundige Hans Vegter; door hoogleraar Notarieel recht Pim Huijgen (Universiteit Leiden) en door bijzonder hoogleraar Estate planning Fons Stollenwerck (Vrije Universiteit) en is door deeltijdhoogleraar Successierecht Bernard Schols erkend in zijn dissertatie als algemeen erfrechtelijk struikelblok voor de rechtsgeldig verdelende afwikkelingsbewindvoerder.
Een erfgenaam de toegang tot de rechter te blokkeren door overheersend gebruik van de privatieve bevoegdheid van een almachtige executeur-bewindvoerder op grond van testamentaire bepalingen toe te staan, komt waarschijnlijk in strijd met het grondrecht van toegang tot de rechter.
Wie de laatste jaren artikelen en uitspraken leest over uitbreiding van de bevoegdheid van de testamentair bewindvoerder op de voet van art. 4:171 BW, moet vaststellen dat de erkenning door Schols van het bestaan van deze grote juridische hindernissen, bij velen mogelijk aan de aandacht is ontsnapt. Advocatuur, rechterlijke macht, Parket bij de Hoge Raad; overal werken uiterst kundige, breeddenkende en intelligente juristen die mogelijk in herinnering hebben dat alle kritiek op het model ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ geen hout sneed. Ze hebben de discussie over driesterrenbepalingen vermoedelijk – op enige afstand – gevolgd en misschien ooit het bericht gelezen dat er uit Leiden een schijnaanval zou zijn uitgevoerd op de driesterrenexecuteur. Dat was de belangrijkste communicatie in een bedrijfsnieuwsbrief van b2b adviesbureau ScholsBurgerhartSchols.
Nauwkeurig nalezen van deze tekst, en van de dissertatie van Van der Ploeg waaruit wordt geciteerd, toonde onlangs aan dat in het bericht van ScholsBurgerhartSchols – bewust of onbewust – gebruik is gemaakt van een ‘schijncitaat’ om het eigen gelijk te onderbouwen. Mogelijk te ver opgezweept in een onwetenschappelijke drang gelijk te willen hebben.
► zie: Weerwoord ScholsBurgerhartSchols op Huijgen berust op ‘schijncitaat’
Het artikel in EstateTip Review, wat een bedrijfsnieuwsbrief is en niet als wetenschappelijk tijdschrift kan worden gekaderd, is in de publicatielijst van Schols op de website van de Radboud Universiteit wetenschappelijk gekaderd als ‘Letter to editor’ een categorie waarvoor de normen losjes zijn en waarin een eigen mening mag worden gegeven.43 In de dissertatie, een werk geschreven onder academische vlag, kon de goed onderbouwde wetenschappelijke kritiek van Huijgen, Vegter en Stollenwerck niet van tafel worden geveegd. Schols erkende in zijn dissertatie (daarom?) de kritiek, verstopt in een noot, met de kanttekening dat de wetgever zich hier zou kunnen bewegen.
Conclusie: Wanneer de wetenschappelijke publicaties met en over kritiek op het denkmodel van de verdelende driesterrenexecuteur zakelijk op een rij worden gezet, moet de kritiek voor valide worden gehouden.
° FAQ 3 | Wat mag een afwikkelingsbewindvoerder met een erfenis?
De begrippen ‘afwikkelingsbewind’ en ‘afwikkelingsbewindvoerder’ staan niet in de wet. En het huidige Nederlands erfrecht kent geen uiterste wilsbeschikking waarmee in een testament zelfstandig een bewindvoerder kan worden benoemd, zoals dat wel kon onder het oude recht. Dat is onder rechtsgeleerden onomstreden. Alleen de uiterste wilsbeschikkingen die in de wet erfrecht of in een andere wet worden genoemd en in een testament zijn opgenomen, krijgen bij overlijden erfrechtelijke werking. Dit brengt mee dat niet alle wensen in een testament automatisch rechtsgeldig zijn. Het gesloten stelsel stelt grenzen aan de testeervrijheid.
De wens om een persoon – op een bepaalde manier – de erfgemeenschap te laten verdelen, zoals mogelijk was onder het oude erfrecht (‘ouderlijke boedelverdeling’) is sinds de invoering van het huidige erfrecht niet langer rechtsgeldig. Dat is herhaald en duidelijk door de wetgever verklaard. Lang niet iedereen die beroepsmatig betrokken is bij testamentadvisering en erfenisafwikkeling, is zich ervan bewust dat de huidige wet geen eigen uiterste wilsbeschikking kent voor benoeming van een testamentair bewindvoerder en voor het geven van verdelingsaanwijzingen en dat de wet geen afwikkelingsbewind of afwikkelingsbewindvoerder kent. Veel professionals, waaronder gerenommeerde erfrechtadvocaten, en een enkele wetenschapper, waaronder hoogleraar Perrick (notabene op een leerstoel gefinancierd door de Notariële stichting), meent dat art. 4:171 BW een uiterste wilsbeschikking is.
Veel websites, brochures en informatieve video’s wekken de indruk dat een testamentair executeur die met een afwikkelingsbewind is bekleed (dat kan helemaal niet) of niet alleen als executeur maar ook als afwikkelingsbewindvoerder is benoemd, de meest vergaande bevoegdheden aan de nalatenschap heeft in plaats van de erfgenamen. Niet de wettekst moet hier gevolgd worden, maar een theorie van Bernard Schols. Als dit in een testament met de juiste bewoordingen is beschreven, handelt een erfrechtelijk executeur als vertegenwoordiger van de overleden erflater, op basis van een privatieve last. Zo vertellen ook veel notarissen en nalatenschapsplanners het aan testamentmakers, erfgenamen en schuldeisers als ze hen om advies vragen. Zelfs de huidige voorzitter van de vereniging voor beroepsexecuteurs, mr. Joost Diks vertelt dit verhaal.44 En de voormalig voorzitter van de Vereniging van Erfrecht Advocaten Nederland (VEAN), Sander Baetens.45 Dat een executeur en/of bewindvoerder vergaande bevoegdheden heeft, is een wens van en behoefte in de praktijk. Veel notarissen werken eraan mee, akten op te stellen waarin buitenwettelijke bevoegdheden zijn opgenomen, zodat een executeur die geen weerwoord krijgt van erfgenamen of andere belanghebbenden, zijn gang kan gaan. Juridisch beschouwd is de vergaande uitbreiding van bevoegdheden niet rechtsgeldig (nietig) en de medewerking van notarissen aan het toepasselijk maken van deze bepalingen in de praktijk tuchtrechtelijk laakbaar.
De reden waarom de bevoegdheden van een executeur de eigendomsrechten en -bevoegdheden van erfgenamen niet verder kunnen doorkruisen dan expliciet in de wet erfrecht is bepaald, is dat daar geen uiterste wilsbeschikking voor bestaat. Staan er zulke bepalingen in een testament, kunnen erfgenamen daar vrijwillig mee akkoord gaan, maar doen een of meer erfgenamen dat niet, kunnen ze er in rechte niet toe worden verplicht rechtshandelingen te dulden die de wettelijke grenzen te buiten gaan.
Veel notarissen en executeurs stellen (ook bij de rechter) ijskoud dat de afwikkelingsbewindvoerder mag verdelen als dat in het testament staat. Het Gerechtshof Den Bosch wuifde in 2025 juridische argumenten van tafel, omdat er -ergens – een ‘heersende leer’ zou zijn die vindt dat artikel 4:171 BW deze mogelijkheid biedt. Een wetenschappelijk degelijk artikel over een ‘heersende leer’ met gelding in de periode voorafgaand aan het hofarrest is nergens te vinden. Bekend is een artikeltje uit 2013 van een kandidaat-notaris zonder wetenschappelijke banden, werkzaam bij een Zuidas-kantoor. Daar werd de in de praktijk gangbare handelwijze en de door praktijkman Schols gepromote leer tot ‘heersende leer’ verheven. Sindsdien zijn er allerlei ontwikkelingen geweest die binnen de wereld van het erfrecht nooit zijn besproken. De raadsheren toetsten niet aan het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen; niet aan het gesloten stelsel van het goederenrecht, niet aan het fiduciaverbod en ze toetsten niet ambtshalve op strijdigheid met de grondrechtencatalogus. Zodoende en nalatende werd een vrijbrief verleend aan een doorgewinterde notaris-driesterrenexecuter om een pand in de nalatenschap dat een erfgenaam wilde overnemen, op de markt te verkopen.
Erfgenamen en hun advocaten moeten hier dus erg op hun qui vive zijn; stevig in hun schoenen staan en er niet bang voor zijn juridisch voor rotte vis te worden uitgemaakt, menselijk als notoire dwarsligger te worden geframed of te worden geconfronteerd met ander afschrikwekkend woordgebruik.
Probeer de zelfverzekerdheid te doorbreken met het stellen van precieze vragen. Vraag na op welk wetsartikel de notaris, advocaat, executeur of erfrechtspecialist zich baseert; op welke stukken van de wetsgeschiedenis en op welke rechterlijke uitspraken.
Is het antwoord: ‘artikel 4:171 BW’, kan erop worden gewezen dat dit geen uiterste wilsbeschikking is. Wijs erop dat de bij overlijden rechtsgeldig verkregen eigendomsrechten van meerderjarige erfgenamen op grond daarvan niet rechtsgeldig kunnen worden ingeperkt. Wees niet verbaasd als u dan wordt aangekeken met een blik alsof u van Mars komt. Veel erfrechtspecialisten kunnen het gewoonweg niet geloven, zelfs niet als u hen de letterlijke wettekst voorhoudt. Zo hebben ze het niet geleerd.
Is het antwoord: ‘de doctrine’ of ‘de heersendeleer’? Vraag na wie precies deze doctrine uitmaken en wat de doctrine precies is. De ‘doctrine’ bestaat namelijk niet algemeen onder wetenschappers Nederlands recht. Als er feitelijk al sprake is van een doctrine of heersende leer, kan deze er alleen maar zijn bij personen die werken binnen de universitaire beroepsopleiding voor de notaris. Daar gaat het om twee vraagstukken: die van het materiële recht en die van de notariële plichtenleer (deontologie). Kunnen notarissen zulke bepalingen opnemen in aktes, zonder aansprakelijk te worden gesteld wegens onrechtmatig handelen? Dat is de vraag die speelt in de plichtenleer.
Hoogleraar Notarieel recht Pim Huijgen leverde uitgebreid gefundeerde kritiek in beide rechtssferen. Voor hem bestond er door alle jaren heen geen aanleiding daarop terug te komen.46 Hoogleraar Estate Planning Fons Stollenwerck leverde gefundeerde kritiek in de rechtssfeer van het materiële recht, de kritiekpunten staan nog steeds recht overeind (Alleen de Guide Michelin geeft drie sterren!). Ook leverde hij kritiek in de rechtssfeer van de deontologie; daar ging hij ‘om’ na één vonnis van de rechtbank Den Haag.47
Als het om het materiële recht gaat, moet duidelijk worden gemaakt dat deze ‘doctrine’ leeft binnen het notariaat, de estate planning en de erfenisafwikkelbranche, maar niet breed in de rechtswetenschap. Laat staan dat het om een in de maatschappij breed gedragen rechtsovertuiging gaat.
Is het antwoord: ‘de rechtspraak’, vraag naar de precieze uitspraken. Want voor zover we weten, bestaat er geen bestendige hogere jurisprudentie die op basis van wetsartikelen de mening bevestigt dat bij testament aan de bewindvoerder rechtsgeldig de bevoegdheid tot zelfstandig verdelen kan worden toegekend.48
‘Het’ afwikkelingsbewind en ‘de’ afwikkelingsbewindvoerder bestaan niet. Wetgever gebruikte het begrip ‘afwikkelingsbewind’ tijdens de parlementaire behandeling van het nieuw Burgerlijk Wetboek en doelde ermee op de nieuw te introduceren bewindsvorm van het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang. Te gebruiken als het de bedoeling is een gemeenschap bij elkaar te houden, bijvoorbeeld een aandelenmeerderheid. Het wetsontwerp voor een algemene regeling van het bewind is gesneuveld in de voorbereidende fase van het nieuw Burgerlijk Wetboek. In het wetsontwerp voor het erfrecht dat twintig jaar later wet is geworden, heeft een testamentair bewindvoerder over gemeenschappelijke goederen de bijzondere bevoegdheid gekregen om zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechter in te stellen (sector civiel). Een recht dat normaal gesproken alleen de deelgenoten van een gemeenschap toekomt. Ook mag de testamentair bewindvoerder bij de rechter om vervangende toestemming vragen als niet alle erfgenamen toestemming – willen – geven (sector kanton). Op deze manier kan het instellen van een testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang ertoe bijdragen dat een erfenis altijd kan worden afgewikkeld, ook als er onenigheid is onder de erfgenamen en niemand naar de rechter stapt met een vordering tot verdeling, of als niet alle erfgenamen reageren of vindbaar zijn. De testamentadviseur gebruikt daarvoor de modelregeling die in het notarieel jargon ‘afwikkelingsbewind’ wordt genoemd, maar geeft de bewindvoerder dan ook vaak extra bevoegdheden die de wet niet kent.
In beroepsgroepen die zich bezighouden met testamentadvisering of afwikkeling van nalatenschappen van anderen, wordt veel gedacht dat de modellen voor een ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ in beginsel zonder bezwaar in de praktijk door de notaris kunnen worden gebruikt. Daar is echter geen onderzoek naar gedaan en de kwestie is als zodanig niet aan de (tucht)rechter voorgelegd. Althans niet met de argumenten dat zulke bepalingen in strijd zijn met de dwingendrechtelijke saisine, afstuiten op de gesloten stelsels van het goederenrecht en het erfrecht; op het fiduciaverbod en ze een ongeoorloofde inperking op het eigendomsgrondrecht van erfgenamen kunnen meebrengen. De notaris heeft als publiek ambt te toetsen of akten in lijn zijn met voor eenieder geldende bepalingen van internationaal verdragsrecht.
Er moet hier worden onderscheiden tussen twee verschillende vraagstukken. Het eerste vraagstuk is, of een notaris volgens de regels van de ‘plichtenleer‘ aan klanten mag adviseren een ‘almachtige executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ op te nemen in een testament en de modelregeling daadwerkelijk uit te schrijven in notariële aktes.49 De volgende vraag is, of aan deze bepalingen bij overlijden rechtsgeldigheid toekomt of niet. Met name ook of alle bepalingen zijn onder te brengen bij een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikking. Op deze vragen is door hogere rechters tot nu toe geen eenduidig antwoord gegeven.50 Er zijn ook (nog) geen rechtszaken bekend waaraan voorafgaand – advocaten van – partijen expliciet de nietigheid van zulke bepalingen hebben ingeroepen, goed gemotiveerd, en vervolgens aan de rechter juridisch gedetailleerd bovenstaande vragen hebben voorgelegd.51
De Hoge Raad oordeelde in 1981 in het arrest Baarns beslag over een andere binnen de onroerendgoedpraktijk van de notaris veelgebruikte buitenwettelijke regeling, dat deze niet tot rechtsgeldigheid kan worden verheven om de enkele reden dat de regeling al jarenlang veel wordt gebruikt.52 In 2021 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam in dezelfde lijn over een door het notariaat veel gebruikte standaardbepaling in een testament.53 De Hoge Raad oordeelde in 2013 dat het woord ‘afwikkeling’ geen specifieke juridische betekenis heeft.54 De plaatsvervangend procureur-generaal bij het parket van de Hoge Raad schreef in 2023 in een conclusie dat in het algemeen niet gesproken kan worden van executeur, afwikkelingsbewind of afwikkelingsbewindvoerder.55
Er is nooit serieus onderzoek gedaan naar de meningen binnen het notariaat, of bepalingen voor een zelfstandig verdelende executeur-afwikkelingsbewindvoerder zonder bezwaar kunnen worden gebruikt in testamenten; of deze zonder ‘Belehrung’ kunnen worden overgenomen in akten na overlijden, dan wel of zulke bepalingen rechtsgeldig worden geacht en zo ja, op grond waarvan. In 2014 schreef een kandidaat-notaris dat er sprake is van een ‘heersende leer’ dat de afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig zou mogen verdelen. Gebaseerd op meningen van auteurs werkzaam in het notariaat en de estate planning.
Omdat Nederland een rechtsstaat is, kan de mening van een kleine groep burgers, verenigd in een beroepsgroep met eigenbelang bij het voor rechtsgeldig houden van zulke bepalingen, de wet niet opzij zetten. Om iets wat niet in de wet staat tot ‘rechtsregel’ te verheffen, is bestendige jurisprudentie van hogere rechters door heel Nederland nodig, en een duidelijk arrest van de Hoge Raad. Daarvan is bij de driesterrenexecuteur geen sprake. Hoogleraren op de man af gevraagd, bevestigen dat het om een opvatting gaat, niet om geldend recht, maar dat ze ervan overtuigd zijn dat het ooit geldend recht zal kunnen worden. Het is echter ten zeerste de vraag, of het zonder een verandering in wetgeving ooit geldend recht zal kunnen worden.56
° FAQ 4 | Waar staan de regels voor een executeur met afwikkelingsbewind die de erfenis mag verdelen?
In de huidige wet erfrecht staan geen regels voor een executeur die het testament moet uitvoeren. Deze mogelijkheid bestond onder het oude erfrecht, dat tot 1 januari 2003 gold, maar is per die datum helemaal komen te vervallen.
► zie: Executeur-testamentair is afgeschaft in nieuw Nederlands erfrecht
Er is een nieuwe functie voor in de plaats gekomen, met een andere functieomschrijving: voldoening uit de nalatenschap van een reeks in de wet erfrecht genoemde schulden die opeisbaar zijn (art. 4:144 BW en art. 4:7 BW). In dat kader moet de executeur een beschermend beheer over de goederen van de nalatenschap voeren en een uitgebreide inventarisatie maken van alle onderdelen waar de erfenis uit bestaat (dat wat tot het eigen vermogen van de erflater behoorde), met objectieve waardebepaling, en van de schulden die erfgenamen in verband met het overlijden hebben gekregen. Websites en folders van beroepsbeoefenaren in de praktijk van het erfrecht geven nog vaak als informatie dat een executeur de vertrouwenspersoon is van erflater die het testament moet uitvoeren en de hele nalatenschap mag afwikkelen en verdelen. Ook de bestuursvoorzitters van de Vereniging voor Advocaten Familie- en erfrecht en van de Nederlandse Organisatie voor Executeurs NOVEX zeggen dat. Er wordt nooit bij verteld waar dat in de wet is geregeld, of welk arrest van de Hoge Raad dat als rechtsregel geeft. Dat kan dus ook niet, want de functie van testamentuitvoerder bestaat sinds 1 januari 2003 niet meer. De moderne executeur heeft als belangrijkste taak een reeks in de wet erfrecht genoemde schulden te voldoen. De Hoge Raad staat al sinds 1905 afwijzend tegenover uitbreiding van bevoegdheden in een testament die buiten de kring vallen die aan de executeur door de wet zijn verleend.57
De huidige wet erfrecht kent geen executeur-bewindvoerder die de nalatenschap mag verdelen – dat mocht de executeur testamentair uit het oude erfrecht overigens ook niet.
Het Wetboek van erfrecht, dat is Boek 4 Burgerlijk Wetboek, zegt niets over een executeur of testamentair bewindvoerder die de nalatenschap zelfstandig mag afwikkelen en verdelen. Onder het oude erfrecht was dat anders; daar kon bij uiterste wil een testamentuitvoerder of executeur-testamentair worden benoemd met de wettelijke opgave de uiterste wil uit te voeren. Maar deze functie is in het huidige erfrecht geschrapt en de functie die ervoor in de plaats is gekomen, de executeur, heeft andere wettelijke opgaven.
De testamentuitvoerder uit het oude erfrecht mocht de erfenis niet verdelen, zo verklaarde de wetgever indertijd (1895) bij behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer, en het volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 1905.58 De bevoegdheden van de executeur testamentair kunnen niet worden uitgebreid buiten de kring van bevoegdheden die hem door de wet in artt. 1052 v.v. BW (oud) zijn verleend. De testamentbepaling, welke de executeur opdraagt om, na inbezitneming van het vermogen, dit aan de erfgenamen te verantwoorden anders dan in natura, is in strijd met de aard der executele, aldus de Hoge Raad in zijn historische arrest over de bevoegdheden van de executeur.59 Deze lijn is door de Hoge Raad na invoer van de nieuwe wet erfrecht doorgetrokken.60
Onder rechtsgeleerden was het heersende leer, dat een executeur en/of bewindvoerder niet zelfstandig kon beschikken.61
Onder het oude erfrecht kon ook een bewindvoerder worden aangesteld; dat is in het huidige erfrecht niet meer mogelijk. Er kan nu een bewind worden ingesteld over een of meer goederen van de nalatenschap. Is dat gebeurd, mag na overlijden de uitvoerder van het bewind, de bewindvoerder, het beheer over de goederen van de erfenis voeren. Maar de bewindvoerder mag niet als heer en meester over de goederen beschikken en mag een onverdeeldheid niet zelfstandig opheffen.
° FAQ 5 | Als het niet in de wet staat, is er dan een arrest van de Hoge Raad?
Op veel websites en in tijdschriftartikelen staat dat als in een testament een executeur is benoemd met de extra bevoegdheid van afwikkelingsbewindvoerder, deze persoon de hele erfenis mag afwikkelen en verdelen, ook zonder toestemming van de erfgenamen en zelfs tegen hun wil. Het wordt aan studenten Notarieel recht zo onderwezen, of in de CPO-beroepsopleiding erfrecht voor advocaten en belastingadviseurs, en de notaris zegt dat dit in een testament mag. Er zijn ook rechterlijke uitspraken waar dit wordt overwogen en de plaatsvervangend procureur-generaal van het Parket bij de Hoge Raad tekende in 2023 in zijn conclusie aan:62
Art. 4:166-170 BW geven een regeling voor de bevoegdheden van de bewindvoerder. Deze regeling is van regelend recht. De erflater is op grond van art. 4:171 lid 1 BW in hoge mate vrij in de vormgeving van het testamentaire bewind. In wiens belang het bewind is ingesteld en welke taken en bevoegdheden de (afwikkelings-)bewindvoerder heeft, moet door uitleg van het testament worden vastgesteld.
Hoe kan dat dan? Waar is geregeld wat een afwikkelingsbewindvoerder wel en niet mag, als het niet in de wet op het erfrecht staat? Is er een wegwijzend arrest van de Hoge Raad?
Dat zijn goede vragen. Het antwoord zal voor velen nogal verrassend zijn: voor de executeur-afwikkelingsbewindvoerder met de bevoegdheid zelfstandig te verdelen, de zogenaamde driesterrenexecuteur, zijn er geen regels in de wet, zijn er geen aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis, is er geen algemene rechtsgeleerde opvatting of rechtsovertuiging en er zijn tot nu toe geen richtlijnen van de hoogste rechter.
De Hoge Raad heeft zich niet over de figuur van de executeur-afwikkelingsbewindvoerder uitgelaten en hoefde dat tot nu toe ook nog niet. Er zijn twee hofarresten ter cassatie aan de Raad voorgelegd met overwegingen waaruit de visie klinkt dat een executeur-afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid kan krijgen zelfstandig te verdelen, maar deze overwegingen maakten in beide zaken geen onderdeel uit van het cassatieberoep.63
Een treffend voorbeeld is het citaat enkele alinea’s hierboven. In de conclusie van de plv. PG waar de zin uit komt, is bij elke zin of paragraaf onder het kopje ‘Juridisch kader’ een noot gevoegd, die naar een rechtsbron verwijst. Dat is gebruikelijk. Bij de hierboven geciteerde zinnen ontbreekt een bron. Het citaat kan daarom gezien worden als de opvatting van de PG. Wij hebben geen serieuze, onafhankelijke bron voor de stelling kunnen vinden dat de erflater in hoge mate vrij is in de vormgeving van het testamentair bewind en evenmin voor de stelling dat de rechter zonder toets aan het gesloten stelsel van uiterste wilbeschikkingen kan bepalen welke bevoegdheden een executeur-afwikkelingsbewindvoerder rechtsgeldig heeft.
Lezers en geïnteresseerden worden uitgenodigd bronnen te sturen. Gaat het om parlementaire stukken, graag met het originele dossiernummer en volgnummer. Geen ‘knip-en-plakwerk’ uit Van der Burght c.s. (hoe nuttig het werk ook voor de praktijk was). Op (rechts)personen terug te voeren informatie wordt niet gepubliceerd of anderszins verspreid.
Bepalingen in een testament die een executeur-afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid geven een nalatenschap met meerdere erfgenamen zelfstandig te verdelen, zonder toestemming, of tegen de wil van een of meer erfgenamen, hebben in beginsel geen erfrechtelijke werking. Zulke bepalingen zijn niet onder een in de wet genoemde ‘uiterste wilsbeschikking’ te brengen en hebben om die reden geen erfrechtelijke werking. Aldus ook de conclusie van prof. mr. dr. Bernard M.E.M. Schols in zijn dissertatie.64 Maar haast niemand weet dat dit in de dissertatie staat en Bernard Schols doet al jaren zijn uiterste best om de eigen analyses en conclusies in dit wetenschappelijke werk, uit het collectief notarieel geheugen te verdringen.65
Schols concludeert in zijn dissertatie dat verdelingsbepalingen in een testament in beginsel nietig zijn; ze vallen niet onder een in de wet genoemde omschrijving van een geldige ‘uiterste wilsbeschikking’. Schols oppert desalniettemin dat de notaris zulke bepalingen zonder bezwaar kan opnemen in akten, wanneer er een testamentair bewind wordt ingesteld en de bevoegdheden worden toegewezen aan de bewindvoerder op de voet van art. 4:171 BW.
Mocht een erfgenaam zich na overlijden namelijk op de nietigheid van deze bepaling beroepen, vindt Schols dat er de plicht bestaat om de nietige bepaling in rechtsgeldigheid te converteren. Schols onderbouwt deze mening niet en legt ook niet uit op wie deze plicht zou rusten. Schols leunt op een zinnetje in het handboek Erfrecht onder redactie van Van Mourik, geschreven door zakenpartner en broer Freek Schols, die dat evenmin onderbouwt.
Volgens de wet kunnen partijen bij de overeenkomst tot conversie besluiten. Komen ze er niet uit, beslist de rechter. Bij nietige bepalingen in een testament is de situatie na overlijden onvergelijkbaar. De erfgenamen kunnen, als opvolgend eigenaar van de onverdeelde goederengemeenschap, tot conversie beslissen, of de rechter. Een dragende constructie onder een conversieplicht voor erfgenamen, zien we Schols&Schols graag leveren. Voor de rechter heeft de wet een conversierem ingebouwd. De rechter moet ambtshalve toetsen of omzetten van een nietige rechtshandeling in een rechtsgeldige, onredelijk is te achten voor belanghebbenden die niet bij de rechtshandeling partij waren (art. 3:42 BW). Hoe Bernard Schols erbij komt zich in een situatie te bevinden waarin hij de Nederlandse rechterlijke macht een verplichting op zou kunnen te leggen, zien we ook graag uitgelegd. De vrees bestaat dat hij hier geen seconde over heeft nagedacht en misschien ook niet even heeft gecheckt wat er precies in art. 3:42 BW staat.
In geval van testamentaire beschikkingen die inperkingen meebrengen op het eigendomsgrondrecht van erfgenamen die niet zijn gebaseerd op formele wetgeving, uitgevaardigd in het algemeen belang, hoort de rechter bij de onredelijkheidstoets de vaste jurisprudentie van het EHRM ‘mee te nemen’. Dan zal bij een ‘afwikkelingsbewind’ in veel gevallen tot de conclusie kunnen worden gekomen dat conversie voor onredelijk moet worden gehouden. Met name bij ruim meerderjarige erfgenamen die niet spilziek of speelzuchtig zijn, die geen onoverzichtelijke schuldenbergen hebben en die naar objectieve maatstaven in staat moeten worden geacht het gemeenschappelijk vermogen verstandig te beheren. Het voorkomen van onenigheid bij de afwikkeling en verdeling, geldt niet als een algemeen belang.
° FAQ 6 | Waarom kan deze modelregeling in een testament worden opgenomen en na overlijden bij de afwikkeling worden uitgevoerd?
Deze vraag is niet eenvoudig samenvattend te beantwoorden. Het heeft ook behoorlijk wat tijd genomen om hier enigszins zicht op te krijgen. Er werden ervaringen verzameld en besproken, er is literatuur gezocht en gelezen, er zijn vragen gesteld aan, en interviews gehouden met, mensen werkzaam in notariaat, estateplanning, accountancy en de executeursbranche. Na verloop van tijd begonnen er bij de website ervaringen binnen te komen en gingen professionals (insider-)kennis delen.
Algemene indruk is dat de ‘driesterrenexecuteur’ en/of ‘almachtige afwikkelingsbewindvoerder’ een onmisbaar instrument is in de zogenaamde estateplanning. Ingewikkelde testamentaire constructies bedoeld om belasting te besparen, te vermijden of te ontduiken, kunnen alleen effect sorteren als ze bij overlijden op een manier worden uitgevoerd die ook daadwerkelijk belasting bespaart. Deze voor de levensvatbaarheid van de branche essentiële en ook lucratieve opdrachten, willen grote notariskantoren, accountancies en banken graag binnenhalen.
In het juridische en maatschappelijke debat over de almachtige driesterrenexecuteur kunnen deelnemende hoogleraren die daarnaast partner zijn of waren bij zulke bedrijven, populair gezegd worden gerekend tot de categorie “Daarom adviseren wij van WC-Eend … WC-eend”.66 Te denken valt bijvoorbeeld aan een Stollenwerck, Sonneveldt en Schols (B). In de woorden van Bernard Schols: “Executele en estate-planning, twee handen op een buik” en “gezien het zeer grote belang van de onderhavige materie voor uw estate planninsgpraktijk”

Notaris Bernard Schols stapte uit het ambt, waarin hij net drie jaar was benoemd, nadat er door twee hoogleraren van andere universiteiten solide kritiek was gepubliceerd op het door hem als notaris gepresenteerde model voor de executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Hij stapte over naar de ongereguleerde branche van de estate-planning en werkt daar in een kleine vof waarvoor geen regels voor compliance en/of transparantie gelden. Omdat hij niet is aangesloten bij een brancheorganisatie zoals die van de register-belastingadviseur, gelden er ook om die reden voor hem geen beroepsregels. In deze regelvrije omgeving bestreed hij de kritiek met veel elan. In een bericht in de bedrijfsnieuwsbrief van de vof ScholsBurgerhartSchols wordt het zo voorgesteld alsof de heersende leer ten tijde van de parlementaire behandeling van het wetsontwerp voor het nieuwe erfrecht de eigen mening ondersteunde. Lezers van dit blog ontdekten in 2025 dat hier onjuist wordt geciteerd, namelijk een van de heersende leer afwijkende mening.67
Een slip of the pen, slordig lezen, vrolijke wetenschap, misleiding of manipulatie? We horen het graag. Een rectificatie zou fair zijn, en wetenschappelijk correct. Ook anderen zouden het citaat kunnen verifiëren en erover publiceren.
Notaris en deeltijdhoogleraar Estate Planning Fons Stollenwerck noemde de kunstfiguur een ‘fantastisch estate-planningsinstrument’ en gaf als hoogleraar Estate-Planning na één rechterlijk oordeel groen licht aan het notariaat om het model in te zetten, getoetst aan de regels voor beroepsethiek De door Stollenwerck geleverde inhoudelijke kritiek in ‘Alleen de Guide Michelin geeft drie sterren!, staat overigens na al die jaren nog steeds recht overeind.68
Verder is advisering bij het opstellen van ingewikkelde testamenten met fiscale constructies een constante inkomstenbron in de financiële sector en het notariaat. Het afwikkelen van nalatenschappen is een constante inkomstenbron voor banken, notariaat en de executeursbranche, met in hun kielzog de door hen ingeschakelde deskundigen, van boedelopruimers tot hoogleraren fiscaal recht.
Tenslotte wordt er – vanuit de praktijk – op gewezen dat er in de praktijk behoefte bestaat aan een afwikkelingsfunctionaris met veel armslag. De praktijk doet er dus alles aan om de praktijkfiguur te laten overleven.
Deze drie elementen zijn in de jaren na de eerste publicatie van dit artikel (2023) uitgewerkt in onder meer de volgende artikelen:
► Erfrecht voor iedereen | Over ons
► Afschrikbewindvoerder en eigensomsrecht…? Rol van de notaris
Appel aan het notariaat recht te zetten wat uit het lood is gaan hangen
► Hoe onafhankelijk en objectief kan prof. mr. dr. Bernard Schols zijn in wetenschappelijk werk?
Hieronder wordt nader ingegaan op verschillende vraagpunten. Afgesloten wordt met een denkbeeldig gesprek tussen een erfgenaam en notaris, gebaseerd op echte ervaringen.
Leestijd: 30 minuten. Met de rechtermuisklik kunt u dit artikel afdrukken.
2. Notaris en nalatenschapsplanner werken in de praktijk graag met het modeltestament ‘driesterrenexecuteur’ of ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’
2.1 Driesterrenexecuteur en afwikkelingsbewindvoerder staan niet in de wet
Afwikkelingsbewind is de informele naam voor een modelregeling uit het notariaat en de nalatenschapsplanning, die wordt gebruikt in de advisering over het opstellen van een testament. Het is een testamentaire variant op het wettelijk testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang (art. 4:155, lid 4 BW) met de basisbepalingen dat een bewind wordt ingesteld (1), in een gemeenschappelijk belang (2), over alle goederen van de nalatenschap (3), voor de duur van de afwikkeling (4), met de strekking tot een goede afwikkeling en verdeling te komen (5).69 Er is geen sprake van ‘het’ afwikkelingsbewind of ‘de’ afwikkelingsbewindvoerder, omdat deze rechtsfiguren niet in de wet of in een uiterste wilsbeschikking zijn opgenomen. Bevoegdheden en verplichtingen van bewindvoerder en rechthebbende(n) hangen daarom af van wat er precies in een bepaald testament is opgenomen.70
Dat dit anders zou zijn, wordt onder andere door prof. Bernard Schols onderwezen:
“Wie teleurgesteld is dat een executeur wel mag beheren (managen) maar niet mag verdelen, dient te rade te gaan bij een bijzonder erfrechtelijk ingrediënt: afwikkelingsbewind, te vinden in art. 4:171 BW.”71 Als je dit wetsartikel leest, staat er echter helemaal niets over een afwikkelingsbewind en de bevoegdheid om te verdelen. Een notaris, advocaat of rechter schiet er dus niet veel mee op om art. 4:171 BW te raadplegen. Prof. Steven Perrick schrijft in het handboek ‘Asser’ dat dit wetsartikel een uiterste wilsbeschikking is. Dat is eenvoudig aantoonbaar onjuist; men leze de wettekst van art. 4:171 BW. De wettelijk toegelaten uiterste wilsbeschikking die kan worden opgenomen in een testament, is instelling van een testamentair bewind. Alleen aan de instelling van een bewind kunnen erfrechtelijke gevolgen worden verbonden. De aangewezen uitvoerder van dat bewind, kan rechtsgeldig niet meer, dan het bewind uitvoeren. En wetgever verklaarde dat bewind boven alles ‘beheer’ is (niet ‘bestuur’).
Als in een testament bevoegdheden zijn opgenomen voor de afwikkelingsbewindvoerder die in eerste instantie niet zijn onder te brengen bij de uiterste wilsbeschikkingen ‘Testamentaire lasten‘, ‘Executeurs‘ of ‘Testamentair bewind’, of bij een andere in de wet vastgelegde uiterste wilsbeschikking, is de testamentaire bepaling over de bevoegdheden in beginsel nietig.72 De rest van het testament blijft geldig. Na overlijden kan door de erfgenaam of de gezamenlijke erfgenamen worden besloten, om vrijwillig gevolg te geven aan testamentaire verdelingsaanwijzingen. Gebeurt dat niet, en wil de bewindvoerder gebruikmaken van de buitenwettelijke driesterrenbepalingen, zal een erfgenaam die het daar niet mee eens is een beroep moeten doen op de nietigheid van de betreffende bepalingen. Er zal van geval tot geval door de rechter moeten worden beoordeeld, of gelet op de omstandigheden van de situatie bij overlijden, aan de betreffende bepalingen alsnog erfrechtelijke werking kan worden toegekend. Volgens prof. mr. dr. Bernard Schols biedt art. 4:171 BW ruimte om dergelijke in eerste instantie nietige bepalingen door middel van het instrument ‘conversie’ (art. 3:42 BW) om te zetten in rechtsgeldigheid:73
Een echter, op het eerste gezicht, niet in het stelsel passende uiterste wilsbeschikking dient zo veel mogelijk geconverteerd te worden in een binnen het stelsel passende beschikking.
Wat Schols niet vermeldt – niet hier en ook niet in bijvoorbeeld de Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek – en wat niet besproken wordt in erfrechtelijke literatuur, is dat conversie alleen kan worden toegepast onder bepaalde voorwaarden, door partijen bij de overeenkomst, of door de rechter. De rechter heeft daarbij volgens de wet te toetsen of het omzetten van een (partieel) nietige rechtshandeling in rechtsgeldigheid, onredelijk is te achten voor belanghebbenden die geen partij waren bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Prof. Freek Schols noemt in latere artikelen wel expliciet art. 3:42 BW, maar rept niet over de onredelijkheidstoets.74 In dit geval zijn dat (onder meer) de erfgenamen. Omzetten van nietigheid in rechtsgeldigheid brengt, afhankelijk van de betreffende testamenttekst, een zware of minder zware inperking mee op de bevoegdheden uit het eigendomsrecht dat erfgenamen bij overlijden van rechtswege en rechtmatig aan de nalatenschap hebben verkregen op grond van de dwingendrechtelijke saisineregel (art. 4:182 Lid 1 BW). Beschermd als grondrecht in art. 1 Eerste Protocol EVRM / art. 17 Handvest EU.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn inperkingen op het ongestoord genot van eigendom toegelaten als dat is gebaseerd op nationale wetgeving, uitgevaardigd in het algemeen belang. De wettelijke regeling voor het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang, die volgens mensen werkzaam als notaris en estate-planner de mogelijkheid biedt bij testament eigendomsrechten in te perken, is uitgevaardigd in het gemeenschappelijk belang van erfgenamen, niet in het algemeen belang.
Bepalingen in een testament die eigendomsrechten inperken zonder dat daarvoor een basis bestaat in nationale wetgeving uitgevaardigd in het algemeen belang, maken daarom een gerede kans om strijdig met het EVRM te worden gehouden. Bepalingen in een testament die niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen, hebben geen erfrechtelijke werking.
In Nederlandse nationale wetgeving zijn grenzen aan de testeervrijheid gesteld. Voor zover het om de legitieme portie gaat, zijn deze niet in strijd geacht met het EVRM. De begrenzing aan de testeervrijheid die de saisineregel meebrengt, in de Nederlandse gewesten geïntroduceerd door Napoleon, is tot nu toe geen onderwerp van discussie geweest en er is geen rechtspraak over. De huidige wet erfrecht heeft de testeervrijheid verruimd, door van de legitieme portie een verbintenisrechtelijke geldvordering te maken. In de nieuwe wet is de testeervrijheid beperkt, door het schrappen van de functie testamentuitvoerder en van de mogelijkheid om bij testament aanwijzingen te geven voor de verdeling. Daarover is vijftig jaar gediscussieerd tussen notariaat en parlement, waarbij het notariaat de (belangen van de) eigen beroepsgroep vertegenwoordigde.75
In de nieuwe wet erfrecht is de testamentaire functie van beheersexecuteur opgenomen, met aanzienlijke verbintenisrechtelijke beperkingen voor de erfgenamen in het beheer van de nalatenschap, zolang alle opeisbare schulden opgesomd in art. 4:7 BW niet zijn voldaan. De op de wet gebaseerde beperkingen kunnen worden gerechtvaardigd met het algemeen belang van een geordend rechtsverkeer, dat schuldeisers erop kunnen vertrouwen dat vorderingen op erflater bij overlijden worden voldaan; met het belang dat de staat heeft bij voldoening van de belastingen en het belang van een zorgvuldig verloop van de lijkbezorging. Deze beperkingen kunnen daarom worden gezien als zijnde in lijn met de rechtsregels ontwikkeld in EHRM-jurisprudentie.76
De beperkingen die uit de wet kunnen voortvloeien voor een rechthebbende bij een testamentair beschermingsbewind kunnen, afhankelijk van de omstandigheden zoals deze bestaan bij overlijden, ook onder het algemeen belang worden geschaard en daarom ook als zijnde in lijn met EHRM jurisprudentie worden geacht. De wet biedt een ontsnappingsclausule voor het geval de rechthebbende bij overlijden in staat kan worden geacht het eigen vermogen te beheren. De bewindvoerder kan dan bij de kantonrechter om opheffing van het bewind verzoeken.77
Gelet op Nederlandse wetgeving en wetssystematiek, de parlementaire geschiedenis, de regels uit internationale verdragen en (internationale) jurisprudentie, is het niet gewaagd te stellen dat beperking van eigenaarsbevoegdheden van een erfgenaam die:
- meerderjarig is, eventueel ouder dan 23 jaar,
- handelingsbekwaam is en wilsbekwaam,
- niet onder een ‘Boek 1 bewind’ staat,
- niet in staat van faillissement verkeert, in surseance van betaling of een Wsnp-traject,
- naar objectieve maatstaven in staat moet worden geacht tot verstandig beheer van het eigen vermogen,
- zich bereid en in staat heeft verklaard, de rechten en plichten uit het erfgenaamschap te willen, kunnen en zullen aanvaarden,
op grond van de wet of van een testamentaire bepaling, in strijd moeten worden geacht met de grondrechtelijke bescherming van het ongestoord genot van eigendom.78 De beperkingen bij het ‘afwikkelingsbewind’, zoals Meijers, opeenvolgende regeringen en parlementen die voorzagen: de bewindvoerder over goederen die tot een gemeenschap behoren mag zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechter instellen of bij de kantonrechter om een machtiging vragen, kunnen onder omstandigheden voor proportioneel worden gehouden.
Wij vragen rechtswetenschappers en praktijkmensen aan de slag te gaan en een artikel te schrijven, of per e-mail te reageren (mag anoniem), die menen binnen dit feitencomplex en vanuit een internationaal perspectief, mogelijkheden te zien voor conversie in rechtsgeldigheid door de rechter. Ook zien we graag dragende constructies voor het bestaan van een conversieplicht voor de erfgenamen.
Bij het schrijven van een (wetenschappelijk) artikel dat elders wordt gepubliceerd, is vermelding gewenst van (de betreffende auteur(s) van) dit blog voor (juridische) ideeën die hier voor het eerst zijn gepubliceerd. Origineel werk op deze website is beschermd door het auteursrecht, maar wordt met een Creative Commons-licentie CC BY ter beschikking gesteld.
2.2 De executeur met 1, 2 of 3 sterren is in 2002 beschreven in een vriendenbundel door een kandidaat-notaris en belastingkundige werkzaam in een dorpspraktijk,79, tevens docent aan de universitaire beroepsopleiding voor de notaris en medewerker Samenwerkingsverband Estate planning tussen de Katholieke Universiteit Nijmegen en de ABN/AMRO Bank NV.
De classificatie lijkt als achterliggende doelstelling vooral te hebben om in de praktijk een rechtsfiguur te doen ontstaan die als executeur wordt gezien, met uitgebreide bevoegdheden. De notaris kan zichzelf dan laten benoemen tot ‘driesterrenexecuteur’ in een testament, wat juridisch in strijd is met de beroepsregels. Een notaris mag zichzelf namelijk alleen laten benoemen tot executeur, maar niet als bewindvoerder. Deze doelstelling is met zoveel woorden beschreven in een vroeg artikel over de combifunctie van kandidaat-notaris B. Schols.80 En het idee van een executeur met een zware mantel heeft goed voet gevat in de maatschappij, de literatuur, het onderwijs en bij de rechterlijke macht.
De indeling is zowel erfrechtelijk als didactisch volstrekt verwarrend en deels onjuist, want:
- de ‘begrafenisexecuteur‘ of ‘uitvaartexecuteur‘ (executeur met één ster) handelt niet op basis van het executeurschap maar op basis van een testamentaire last, of volgens de uitvaartwensen van overledene (art. 19 Wet op de lijkbezorging). De bijzondere bevoegdheden die de wet verleent aan de executeur – dat is de beheersexecuteur – gelden niet voor deze persoon. Een ‘begrafenisexecuteur’ mag de erfgenamen dus niet privatief vertegenwoordigen; hij/zij mag niet naar eigen inzicht de keuzes maken die hem geraden voorkomen.81 en hij mag de kosten voor de uitvaart niet uit de nalatenschap voldoen. De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat de wensen of vermoedelijke wensen van de overledene zoveel mogelijk dienen te worden gevolgd. Een goede benaming zou daarom zijn: ‘Uitvoerder van uitvaartrwensen’. Verder richt de norm van de Wet op de lijkbezorging zich op de kring van de nabestaanden, niet op die van de erfgenamen. Niet opvolgen van enkele regels uit de Wlb is strafbaar gesteld.82 De werkgroep ‘Erfrecht voor iedereen’ pleit ervoor, de door Schols bedachte begrippen niet langer te gebruiken.
► zie: Uitvaart regelen volgens wensen overledene – Hoofdstuk 3 van het uitgebreide artikel: Uitleg, tips en structuur voor afwikkelen en verdelen erfenis. - De executeur met twee sterren of beheersexecuteur is de enige executeur die de huidige wet erfrecht kent.
► zie: Executeur testamentair is afgeschaft in nieuw Nederlands erfrecht
► zie hoofdartikel: Wat mag een testamentair executeur doen? Regels, rechtspraak, praktijk - De driesterrenexecuteur is een persoon die bij testament als executeur is benoemd en die daarnaast is aangewezen als uitvoerder van een bij testament ingesteld testamentair bewind. Dat zijn twee verschillende soorten uiterste wilsbeschikkingen, geregeld in twee verschillende afdelingen (4.5.6 en 4.5.7) met elk een eigen pakket aan regels, bevoegdheden en verplichtingen. Bevoegdheden van de executeur kunnen niet worden uitgebreid, die van de uitvoerder van een bij testament ingesteld bewind in principe ook niet. Afhankelijk van de ingestelde bewindsvorm zijn wel testamentaire variaties mogelijk die binnen de grenzen van het ingestelde bewind blijven. Juridisch zijn de functies van executeur en bewindvoerder dus gescheiden. In de praktijk wordt geprobeerd een ‘synthese’ tot stand te brengen met als doel de erfgenamen die er anders over denken dan de executeur-afwikkelingsbewindvoerder, zoveel mogelijk buitenspel te zetten.
► Zie hoofdartikel: Testamentair bewind | Uitleg en belangrijkste regels
De man die wij gekscherend ‘Chief Marketing Officer’ van de productlijn Driesterrenexecuteur noemen en die door een hoogleraar als de ‘Godfather’ van de executele’ werd getypeerd, laat het zich aanleunen dit bedacht te hebben. De indeling was echter al onder het oude recht gebruikelijk in de notarispraktijk en de dubbelfunctie executeur-bewindvoerder wordt al beschreven in oude uitgaven van Suyling-Dubois. Onder het oude erfrecht kon een testamentmaker de testamentuitvoerder niet rechtsgeldig de bevoegdheid geven, de nalatenschap verdelingsrijp te maken of te verdelen.
○ HR 09-06-1905 (W. 8240),
○ HR 21 november 2008,
○ HR 28 juni 2013
○ HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241.
Wetgever heeft de taakomschrijving van de executeur in het huidige erfrecht bewust niet uitgebreid tot het in staat van verdeling brengen of verdelen van de nalatenschap. Ontwerper prof. Meijers schreef dat de bevoegdheden van de nieuwe executeur die van boedelvereffenaar zijn.83 En wetgever heeft de bewindvoerder in de wet bij geen enkele bewindsvorm de bevoegdheid gegeven, zelfstandig te kunnen verdelen.84 Wel kreeg bij een bewind over goederen in een onverdeelde gemeenschap de bewindvoerder van wetgever de bijzondere bevoegdheid, zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechter in te stellen of de kantonrechter om een machtiging te verzoeken wanneer toestemming van een erfgenaam ontbreekt.85 Wel is in de wet een artikel opgenomen dat een testamentmaker de bevoegdheid geeft om de bevoegdheden en plichten van de bewindvoerder te verruimen of te beperken. Dit is een nadere regeling op de bij uiterste wilsbeschikking gekozen bewindsvorm en de verruiming en beperking moet zich daarom binnen de rechtsfiguur ‘bewind’ bewegen. Wetgever verklaarde dat in dat kader wordt aangesloten bij de (toen geldende) heersende leer.
De Hoge Raad nam 5 november 2021 beschikking in een zaak waar het ging om een persoon die in een testament tot ‘executeur afwikkelingsbewindvoerder’ was benoemd en door de kantonrechter in de functie van executeur was ontslagen op een verzoek ex artikel 4:149 lid 1 sub f BW (ECLI:NL:HR:2021:1646). Een van de vragen in een gecompliceerde afwikkeling was, of daarmee ook ontslag als afwikkelingsbewindvoerder had plaatsgevonden.86 In de beschikking Hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1343) werd onder meer overwogen:
“Het hof stelt voorop dat – gelet op bovenstaande wetsbepalingen – aan een executeur die tevens (afwikkelings)bewindvoerder is, ruime bevoegdheden kunnen worden toegekend. Een erflater kan aldus een invloedrijke executeur-afwikkelingsbewindvoerder aanstellen. Hierbij komen de executeur-afwikkelingsbewindvoerder zowel de bevoegdheden van een executeur als die van een bewindvoerder toe.Het is toegestaan in een uiterste wil te bepalen dat een afwikkelingsbewindvoerder naar eigen inzicht de nalatenschap kan verdelen. De erflater wijkt dan af van art. 4:170 BW.87 Het Hof rept over ontslag van betrokkene in de hoedanigheid van ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’.88 Maar beschikt uiteindelijk:
“bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep;”
“verklaart het ontslag van [appellant 1] als executeur in de nalatenschap uitvoerbaar bij voorraad“. Het hof heeft aldus het ontslag van de broer als executeur bevestigd.
Volgens de verzoeker tot cassatie (de ontslagen executeur) heeft het hof echter een andere uitspraak bekrachtigd dan de kantonrechter heeft gegeven. Plaatsvervangend procureur-generaal F.F. Langemeijer ploegt met een even lovenswaardige als leerzame precisie en nuchterheid langs de geschilpunten en komt in zijn conclusie vanaf 2.30 bij de vraag wie er is ontslagen; de persoon, de executeur of de executeur en de bewindvoerder. Langemeier bespreekt de sterrenindeling uit de notariële praktijk en beschrijft dat een afwikkelingsbewindvoerder functioneert middels een bij testament ingesteld bewind.89 Langemeier constateert dat in het testament geen bewind is ingesteld, enkel bevoegdheden aan de executeur zijn toegekend die deels boven art. 4:144 BW uitstijgen.90 Langemeijer stelt vast dat de broer feitelijk geen handelingen heeft verricht op grond van bevoegdheden die buiten die van een beheersexecuteur gaan.91 En concludeert: “Bijgevolg missen de klachten van dit middel feitelijke grondslag.“.92 En hij stelt vast dat het hof het ontslag van de broer als executeur bekrachtigt. De (advocaat van de) broer ziet hier dus iets anders dan feitelijk heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad lijkt de redenering van Langemeijer te volgen en overweegt (rov. 3.2.1) “Het hof heeft onmiskenbaar de bevoegdheden die de broer in het testament kreeg als “afwikkelingsbewindvoerder” onlosmakelijk verbonden geacht met de benoeming tot executeur. In rov. 3.7.4 stelt het hof voorop dat aan een executeur die tevens afwikkelingsbewindvoerder is ruime bevoegdheden kunnen worden toegekend, en gebruikt het vervolgens de omschrijving “executeur-afwikkelingsbewindvoerder” (noot red: met verbindingsstreepje). Het hof overweegt dat de kantonrechter de broer heeft ontslagen uit diens hoedanigheid als “executeur-afwikkelingsbewindvoerder” (rov. 3.7.5); dat de kantonrechter de broer heeft ontslagen als “executeur c.a.” (3.7.6). De HR in 3.2.2: “In de aangehaalde overwegingen ligt besloten dat volgens het hof het ontslag “als executeur” in het inleidend verzoek en in de beschikking van de kantonrechter mede betrekking had op de bevoegdheden die de broer verkreeg doordat hij in art. IX van het testament niet slechts tot executeur, maar tot “executeur afwikkelingsbewindvoerder” was benoemd. De broer heeft na zijn ontslag daarom ook geen bevoegdheden meer als afwikkelingsbewindvoerder. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Hierop stuiten de klachten van het tweede middel af.“
De Hoge Raad lijkt hiermee te zeggen dat het hof het zo heeft gezien, dat de bevoegdheden die boven afd. 4.5.6 uitgaan niet zijn toegekend aan de broer maar aan de rechtsfiguur executeur als bedoeld in de wettelijke uiterste wilsbeschikking.93
Het gerechtshof overweegt dat aan een executeur die tevens (afwikkelings)bewindvoerder is, testamentair “zelfstandige verdelingsbevoegdheid” kan worden toegekend.94 Maar omdat verweerster(s) tegen die rechtsopvatting van het gerechtshof geen incidenteel cassatieberoep hebben ingesteld, hoefde de Hoge Raad daar niet over te oordelen en dat heeft de Hoge Raad dus ook niet gedaan. In het ingestelde cassatieberoep klaagt “middel 2” alleen over het ontslag als “afwikkelingsbewindvoerder”.
Het Hof, Langemeijer en de Hoge Raad wekken de indruk dat een executeur in theorie zou kunnen worden bekleed met de bevoegdheden van een afwikkelingsbewindvoerder. De gedachtengang is dus een andere dan die van Schols in zijn dissertatie (het zijn twee functies, met elk eigen regels, toegedeeld aan één persoon). Ook gaan ze niet mee met de door Freek en Bernard Schols onder de aandacht gebrachte theorie van de conversieplicht.
In de Memorie van Antwoord bij wetsvoorstel Boek 3, titel 6, de algemene regeling voor bewind (in 1983 geschrapt uit het ontwerp en nooit in werking getreden), is precies zo’n testamentaire bepaling besproken en de minister gaf een richtlijn hoe hiermee is om te gaan. De minister verklaarde na vragen en opmerkingen van de vaste Commissie van Justitie (onder de aandacht gebracht door de notariele broederschappen in een uitgebreid ongevraagd advies, zie Bernard Schols WPNR 1999):95
De zoeven bedoelde leden verklaarden door de uiteenzetting van de Regering bevredigd te zijn. Zij zagen een reële behoefte aan een soort van “boedelberedderaar”, die iets meer kan uitrichten dan een executeur en een langere tijd dan deze in functie kan zijn. Voor deze figuur is blijkens het betoog der Regering ruimte gelaten in de sfeer van het afwikkelingsbewind in de zin van artikel 4.4.7.1 onder c. die iets meer kan uitrichten dan een executeur en een langere tijd dan deze in functie kan zijn. Dezelfde leden wierpen nog de vraag op, hoe volgens het ontwerp moet worden beoordeeld het geval, waarin een erflater bij testament spreekt van executeur en executele, maar daaraan een regeling toevoegt inzake de duur of de bevoegdheden, welke niet past in de executele-regeling, doch wel in de regeling van het bewind, zoals de laatste er naar nieuw burgerlijk, recht uit zal gaan zien.
Moet men dan aannemen, dat er executele is, zodat duur en bevoegdheden moeten worden gereduceerd tot wat wettelijk is toegestaan, of mag men uitgaan van bewind, al is dat niet in overeenstemming met de gebezigde titulatuur? De Regering gaf als haar oordeel te kennen, dat men het materiële gezichtspunt moet laten prevaleren. Al is de benaming dan foutief, de wens van de erflater inzake duur en bevoegdheden is decisief. Als deze laatste stroken met de regeling van het bewind, is er wezenlijk ook inderdaad sprake van bewind.
Een executeur die bij testament bevoegdheden krijgt toegekend die de mogelijkheden van afdeling 4.5.6 BW overstijgen, moet op grond daarvan geacht worden tevens gedacht te zijn als de uitvoerder van een bij testament ingesteld testamentair bewind, voor zover de in het testament genoemde bevoegdheden passen binnen de regeling voor het bewind (toen nog de algemene regeling voor bewind in wetsontwerp Boek 3). Een executeur-afwikkelingsbewindvoerder is zo denkende één persoon met twee verschillende testamentaire functies. Hij is benoemd als executeur (regels in afdeling 4.5.6) en hij is aangewezen als bewindvoerder van een bij testament ingesteld bewind (over goederen die alle – impliciet – in gemeenschappelijk belang onder bewind zijn gesteld). Ontslag uit de benoeming als executeur hoeft daarom niet automatisch ook ontslag als bewindvoerder te betekenen. Formeel moet daartoe een verzoek als bedoeld in art. 4:164 lid 4 BW worden ingediend. Omdat het twee verschillende functies zijn, met eigen doelstellingen, kan een kantonrechter ons inziens een verzoek tot ontslag van een persoon die de functie van executeur en van afwikkelingsbewindvoerder vervult op grond van art. 4:149 lid 2 BW, niet zonder meer lezen als een verzoek dat tevens een verzoek als bedoeld in art. 4:164 lid 4 behelst. Van Es meent van wel, in het heldere, korte artikel, ‘Executeur of bewindvoerder? Zelfs de goede Homerus slaapt wel eens.96
Het arrest is door B. Schols besproken in een nieuwsbrief van zijn bedrijf, en door Van Es in het WPNR.97
Beiden laten de vraag liggen, of met het arrest iets is gezegd over rechtsgeldigheid van de testamentaire bepalingen die boven de in afd. 4.5.6 gegeven bevoegdheden gaan. B. Schols lijkt van mening, gelet op randnummer 4 en 5 van zijn annotatie, dat er in casu wél sprake is van een ingesteld testamentair bewind. Dat is, zoals wel vaker bij Schols, een stap te ver, te snel of te kort door de bocht. Juist is de opvatting dat op grond van de wetsgeschiedenis zou kunnen worden besloten (door erfgenamen of rechter, maar zo genuanceerd heeft Schols dit thema niet onderzocht of besproken) dat erflater heeft bedoeld een testamentair bewind in te stellen. Al is de benaming dan foutief, de wens van de erflater inzake duur en bevoegdheden is decisief. Als deze laatste stroken met de regeling van het bewind, is er wezenlijk ook inderdaad sprake van bewind. “(Kamerstukken II, 1964-65, dossier 3771, nr. 8, p. 66, 67). Er moet dus getoetst worden of de testamentaire bepalingen stroken met de regeling voor bewind.98 Verder gaat Van Es ervan uit dat de Hoge Raad in dit arrest een onterechte vereenzelviging van executeur en bewindvoerder bevestigde (in de figuur van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder). Nauwkeurige lezing van de beide arresten en conclusie leert dat de vereenzelviging in overwegingen van het hof werd besproken, maar geen rol speelde in de uiteindelijke beschikking (met dank aan een lezer die hier in een uitgebreide e-mail met heldere uitleg op wees). ))
Het Hof voerde geen ambtshalve controle uit of alle bepalingen in het testament passen binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Het hof gaf te kennen dat aan een executeur die tevens (afwikkelings)bewindvoerder is, testamentair een “zelfstandige verdelingsbevoegdheid” kan worden toegekend. In lijn met het geschrevene in de dissertatie van B. Schols zou deze bepaling voor nietig moeten worden gehouden. Een in beginsel nietige bepaling kan (door de rechter) worden geconverteerd in rechtsgeldigheid. Dat was door partijen in de gedingen echter niet aan de orde gesteld en maakte daarom geen onderdeel uit van het Hoge Raad-arrest.99
2.3 Een turbo-executeur is een executeur-afwikkelingsbewindvoerder waaraan in een testament meer bevoegdheden worden toegekend dan de wettelijke regeling voor het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang mogelijk maakt.100
De bewindvoerder krijgt dan op papier de bevoegdheid een nalatenschap zelfstandig af te wikkelen en te verdelen, ook zonder medewerking van alle erfgenamen en zelfs tegen hun wil. Behoefte aan een almachtige figuur bij de afwikkeling van nalatenschappen komt uit de bankenwereld, waar financieel adviseurs ook na overlijden van cliënten grip op het vermogen van overleden klanten wilden proberen te houden. Het notariaat kwam aan deze behoefte tegemoet, en bouwde een zogenaamde ‘modelregeling’, met als voorbeeld twee rechtsfiguren uit het Duits wettelijk erfrecht, in werking sinds 1896 (Von Bismarck). Een oud-notaris en belastingkundige met een aanstelling als docent bij het Centrum voor Notarieel Recht Nijmegen, behandelde deze modelregeling in een promotie-onderzoek: Bernard Schols. Hij nam toen deel aan het Samenwerkingsverband Estate planning van de Katholieke Universiteit Nijmegen en een internationale bank met een grote afdeling executele.101 Schols schreef in zijn dissertatie dat de ’turbo-executeur’ als praktijkmodel moet worden gezien en theoretisch-juridisch een synthese is van twee verschillende Nederlandse erfrechtelijke beschikkingen, met elk eigen regels. Verder gaf Schols in deze dissertatie de waarschuwing, dat de mogelijkheid die het Duits wettelijk erfrecht biedt bij testament een ‘Teilungsanordnung‘ te geven (aanwijzing voor de verdeling) niet is onder te brengen bij een uiterste wilsbeschikking naar nieuw Nederlands recht. Een dergelijke testamentaire bepaling heeft in Nederland daarom in eerste instantie geen erfrechtelijke werking.102 Wel zou, afhankelijk van de tekst in een testament, de mogelijkheid bestaan, een op zich nietige testamentaire bepaling via het leerstuk van de conversie (art. 3:42 BW) in een geldige bepaling te transformeren. Schols gelooft dat dit met name kans van slagen heeft, wanneer uit het testament blijkt dat overledene een bewind heeft willen instellen en nadrukkelijk aan de bewindvoerder de bevoegdheid heeft willen toekennen de nalatenschap zelfstandig te verdelen. Art. 4:171 BW zou dan het geitenpaadje zijn dat tot rechtsgeldigheid zou kunnen voeren.
Essentiële zwakte aan deze redenering is dat art. 4:171 BW geen uiterste wilsbeschikking is en dat ‘het’ afwikkelingsbewind en ‘de’ afwikkelingsbewindvoerder niet bestaan.103 Er bestaat in de regeling voor het testamentair bewind geen wetsartikel over afwikkelen of verdelen, anders dan de bijzondere wettelijke bevoegdheden voor de bewindvoerder uit art. 4:170 BW, bij de rechtbank zelfstandig de verdeling te vorderen, ook al is de bewindvoerder geen erfgenaam, of met toestemming van de erfgenaam medewerking aan de verdeling te verlenen. Er is geen bestendige hogere rechtspraak waarbij nietige testamentaire bepalingen met aanwijzingen voor de verdeling middels conversie tot rechtsgeldigheid zijn gebracht. De Hoge Raad heeft zich over deze vraag niet uitgelaten.
Wel deed de Hoge Raad in 2023 cassatie van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden af op de voet van art. 81 RO, het hofarrest in stand latend waarin onder meer de overweging voorkwam:
In het testament is opgenomen dat de executeur bevoegd was de nalatenschap te verdelen. Dat daarbij niet de termen bewind, afwikkelingsbewind of bewindvoerder zijn gebruikt, betekent niet dat alleen daarom aan de testamentaire bepaling geen betekenis toekomt. De wens van de erflater omtrent de bevoegdheden is doorslaggevend.
Het hof had deze overweging echter niet ten grondslag gelegd aan zijn beslissing, aldus plv. PG Wissink in zijn conclusie (randnr. 2.31.1) en de overweging maakte geen deel uit van het cassatieberoep. Het hofarrest is daarom weliswaar feitelijk in stand gebleven, maar met zijn arrest heeft de Hoge Raad de betreffende overweging niet gesanctioneerd (bekrachtigd).104
Het hofarrest kan op grond van de wet, de parlementaire geschiedenis (originele teksten) en de analyses en conclusies van onder meer Bernard Schols, gedaan in een (rechts)wetenschappelijk kader, voor een kennelijke ‘misslag’ worden gehouden.105 De overweging is gebaseerd op een tertiaire bron, een commentaar in het naslagwerk ‘Sdu Commentaar Erfrecht’, geschreven door een advocaat die op dit onderwerp als niet voldoende onpartijdig beschouwd kan worden. Er mag van worden uitgegaan, dat het hof geen aandacht heeft besteed aan mogelijke ‘partijdigheid’ van de auteur binnen het juridische onderwerp ‘executeurs’ voor de feitelijke belangen van de beroepsgroep executeur, tegenover de belangen van erfgenamen en het bestaan van een situatie van mogelijke belangenverstrengeling. Dat had het hof ook niet per se hoeven te doen. Maar door bijdragers aan deze website is de tekst inhoudelijk geanalyseerd. Toen er belangrijke verschillen bleken te bestaan tussen het geldend Nederlands recht en de belofte van de uitgever,106 zijn over auteur en redactie enkele openbare zakelijke feiten verzameld. Op basis daarvan kan men, in redelijkheid denkend, tot de conclusie komen dat er samenhang kan bestaan tussen het als eenzijdig te bestempelen commentaar en de beroepsmatige achtergronden van de auteur (en wellicht ook de redactie.107
► zie bespreking: “Noten kraken bij het arrest hof Arnhem-Leeuwarden, 4 oktober 2022
De overwegingen zouden het hof, indien gebaseerd op wet, authentieke kamerstukken, originele twee WPNR 2004 artikelen en originele (hele) dissertatie van Bernard Schols en hogere bestendige jurisprudentie, tot een ander oordeel hebben kunnen doen voeren.
In de zomer van 2024 zei Schols desgevraagd in een podcast-interview met journalist Inge Diepman, dat in de rechtspraak nog steeds niet is uitgekristalliseerd hoe ver een bewindvoerder kan gaan die door ’testamentair maatwerk’ bevoegdheden heeft gekregen die zo niet in de wet staan. Schols denkt dat het binnen het notariaat staande praktijk is om de modelregeling in testamenten op te nemen. Ook vermoedt Schols dat het binnen het notariaat ‘heersende leer’ is, dat de notaris dat kan doen (zonder in strijd te handelen met de zorgplicht). Maar Schols stelt vast dat de rechter terughoudend is om de executeur in het beheer veel vrijheid te geven. Wat betreft de testamentaire bepalingen voor de bewindvoerder zal het volgens Schols nog jaren duren voordat dit in de rechtspraak is uitgekristalliseerd.108 Met andere woorden: de kunstfiguur ’turbo-executeur’ of ‘driesterrenexecuteur’ naar het almighty model van Schols, is geen geldend recht en zal dat voorlopig ook niet worden.109 Ook kunnen de eigendomsrechten die de erfgenamen bij overlijden rechtsgeldig aan de nalatenschap hebben verkregen, niet door middel van een overeenkomst van opdracht met een derde, of met een van hen, rechtsgeldig worden ingeperkt. Dat kan volgens vaste jurisprudentie van het EHRM alleen bij een nationale wettelijke regeling, uitgevaardigd in het algemeen belang. Het wekt verwondering dat er geen enkele universitair medewerker is binnen de beroepsopleiding voor de notaris, die dit kan ‘denken’. Het notariskantoor van Brinkman schreef in 2024 een nieuwe brochure over de executeur en bewindvoerder met enige nuances, maar denkt dat afdeling van Boek 3 ‘waarschijnlijk’ van toepassing is. Kom op, grote denker van de Nederlandse fideicommiss, ontwerp eens zo’n prachtige notariële ‘spin’ met bevoegdheden voor en na overlijden … ))
Schols schrijft in zijn dissertatie over de exécuteur testamentaire, Testamentsvollstrecker en afwikkelingsbewindvoerder, dat aan rechtshandelingen van een ’turbo-executeur’ geen goederenrechtelijke werking toekomt:110
Het door de erflater in de vorm van een afwikkelingsbewind gegoten verdelingsplan heeft derhalve in tegenstelling tot de beroemde voorganger, de verdeling op grond van art. ‘4:1167’ geen goederenrechtelijke werking.
Dit bevestigen in latere jaren de hoogleraren Wouter Burgerhart en Leon Verstappen:111
Het wezenlijke onderscheid tussen de afwikkelingsbewindvoerder en de afwikkelingsstichting is dan ook gelegen in het feit dat de bewindvoerder in goederenrechtelijk opzicht buiten de nalatenschap staat (hij vertegenwoordigt immers de erfgenamen), terwijl de stichting de enige erfgenaam van de nalatenschap is.
en emeritus hoogleraar Martin Jan van Mourik.112
Beroepsgroepen die belang hebben bij uitgebreide bevoegdheden van een executeur / testamentair bewindvoerder, bijvoorbeeld omdat ze zakelijke dienstverlening als executeur en bewindvoerder aanbieden, zijn in de informatieverstrekking en advisering doorgaans nogal ongenuanceerd en leggen niet uit, dat de turbo-executeur een voor de estate-planning bedachte kunstfiguur is die werd ontworpen vanuit de doelstelling erfgenamen bij de afwikkeling nagenoeg monddood te maken. Er wordt zelden bij verteld dat erfgenamen die het niet eens zijn met verdelingshandelingen door een ’turbo-executeur’, de testamentaire bepalingen voor nietig kunnen houden en dat ze de rechtsgeldige goederenrechtelijke levering kunnen blokkeren door er niet aan mee te werken. Er wordt evenmin bij verteld dat testamentaire bepalingen over de verdeling volgens prof. Freek Schols in zijn dissertatie en volgens prof. Bernard Schols in zijn dissertatie, alleen rechtsgeldigheid kunnen bereiken via de weg van de conversie.113 Of een nietige rechtshandeling kan worden geconverteerd in een rechtsgeldige beslist de rechter, niet de executeur of notaris. En de rechter moet bij die beslissing meewegen of het omzetten in rechtsgeldigheid onredelijk is te achten voor de erfgenamen en andere belanghebbenden, aldus het wetsartikel voor conversie, art. 3:42 BW.
Een notaris die zich in een testament heeft laten benoemen als driesterrenexecuteur en ‘opstandige’ erfgenamen met een kluitje in het riet probeert te sturen met de mededeling: zeg mij eerst maar welke hoogleraar heeft gezegd dat zulke bepalingen niet rechtsgeldig zijn, dan wel geen goederenrechtelijke werking hebben, kan even elegant als doeltreffend van repliek worden gediend:
- professor mr. dr. Bernard Schols
- professor mr. Wouter Burgerhart
- professor mr. Leon Verstappen
- professor mr. Martin Jan van Mourik
- professor mr. Pim Huijgen
2.4 Het is rechtswetenschappelijk al decennia lang omstreden, hoe ver men kan gaan met uitbreiding van bevoegdheden van een testamentair bewindvoerder in een testament
Het erf- en vermogensrecht biedt namelijk geen ruimte voor een eigendomsoverdracht van de nalatenschap op erfgenamen met verdergaande beperkingen van eigendomsrechten dan de uiterste wilsbeschikkingen toelaten. En dan is er de principiële vraag, of de wettelijke bepalingen voor het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang de toetssteen van het Europees Hof voor de mensenrechten kunnen doorstaan, ontwikkeld rond het grondrecht op ongestoord eigendom. Er is na twintig jaar afwikkelpraktijk over beide rechtsvragen in Nederland geen bestendige hogere jurisprudentie ontwikkeld, terwijl er over de executeur/bewindvoerder meerdere zaken bij de Hoge Raad hebben gediend. De HR oordeelde in een standaardarrest uit 2008 over een buitenwettelijke testamentaire uitbreiding van de bevoegdheden van een testamentuitvoerder naar oud erfrecht dat deze bij de afwikkeling van de nalatenschap na 2003 geen verdere reikwijdte kan hebben dan de nieuwe wet erfrecht in de uiterste wilsbeschikking ‘Executeurs’ aan een testamentmaker biedt: het beheer van de nalatenschap en voldoening van de direct opeisbare schulden. Zie onze Standaardarresten erfrecht.
3. Wat zegt de Nederlandse wet over het testamentair bewind?
3.1 De Nederlandse wet erfrecht kent drie bewindsvormen:
- het beschermingsbewind (art. 4:153 jo. 4:155 lid 1 en 4:167 lid 1 BW)
- het tegengesteld-belang bewind (art. 4:153 jo. 4:155 lid 2 en 3 en 4:167 lid 2 en 3 BW)
- het gemeenschappelijk-belang bewind (artikel 4:155 lid 4 jo. 4:167 lid 2 en 3 BW)
Een afwikkelingsbewind valt onder het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang. Er wordt bij testament een bewind ingesteld in het gemeenschappelijk belang van alle erfgenamen, over alle goederen van de nalatenschap, voor de duur van de afwikkeling van de erfenis, om tot een spoedig verloop van de afhandeling te komen.
De wettelijke regeling voor het testamentair bewind (afdeling 7 van Boek 4) maakt het mogelijk bij leven in een testament een bewind in te stellen over een of meer goederen van de nalatenschap dat automatisch in werking treedt bij overlijden. Juridisch gezien beoogt deze rechtshandeling een vorm van dwangvertegenwoordiging in te stellen voor de erfgenamen, een rechtsfiguur die noch het Nederlands verbintenissenrecht, noch het vermogensrecht kent. Het is grundsätzlich de vraag of deze vorm van dwangvertegenwoordiging zonder inmenging van de rechter, zonder rechterlijk toezicht en zonder een objectieve (medische, maatschappelijke of economische) reden, gelegen in het bestendig gedrag of de gesteldheid van de erfgenamen, rechtsgeldig is. Onafhankelijke juristen stellen dat dit niet zo kan zijn. Het Belgische Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde in 2022 dat dit een verboden contractuele handelingsonbekwaamheid oplevert die voor niet geschreven moet worden gehouden.114 115 Volgens het Antwerpse hof is in beginsel iedereen handelingsbekwaam en kan iedereen vrij en ongestoord over zijn eigen goederen beschikken. Uitschakeling van dit recht van principiële vrije, ongestoorde beschikking en beheer over de eigen goederen bij testament, creëert een vorm van handelingsonbekwaamheid die de wet niet kent. Dit Belgische arrest is ook voor Nederland van belang, omdat het ongestoord genot van eigendom zowel in België als Nederland is beschermd als grondrecht door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 1 aanvullend protocol. Het Duitse Bundesgerichtshof bepaalde in 2021 in een ‘Leitsatz’ arrest, dat het grondrecht op een ongestoord genot van eigendom voor erfgenamen meebrengt, dat ze in staat moeten worden gesteld na overlijden daadwerkelijk hun eigendomsrechten aan de nalatenschap te kunnen uitoefenen.116
3.2 Het Nederlands vermogensrecht kent geen algemene regeling voor bewind of beheer
Het Nederlands recht kent geen algemene regeling voor het bewind, of voor een vertrouwenspersoon die in plaats van de rechthebbende vermogen mag beheren, zoals andere landen die wel kennen, bijvoorbeeld de ‘Treuhand‘ in het Duitse recht of ‘trustee’ in common law.
Het was in de 1960er jaren de bedoeling om in het nieuw Burgerlijk Wetboek een algemene regeling voor bewind op te nemen en er was een reeks bepalingen ontworpen die in het nieuwe Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek moesten komen, de algemene regels voor het vermogensrecht. Uitvoering van het bewind zou onder rechterlijk toezicht staan.117 Maar bij de parlementaire behandeling, die decennia in beslag nam, is uiteindelijk besloten het ontwerp voor een algemene bewindsregeling in te trekken.118 Enkele bepalingen zijn overgeheveld naar het erfrecht, omdat het bewind daar veel werd gebruikt voor de situatie dat minderjarige kinderen erven, of voor erfgenamen waarvan verwacht werd dat ze de erfenis zouden kunnen verkwisten door ondeskundig of onverstandig beheer. Voor de algemene regeling voor bewind zijn de ooit ontworpen bepalingen nog steeds gereserveerd in Boek 3 BW onder het kopje ‘Titel 6, Bewind‘.
Het testamentair bewind zweeft daarom juridisch systematisch in het luchtledige
De rechtsfiguur ’testamentair bewind’ beweegt zich daarom in een juridisch luchtledige ruimte. Er is geen wettelijk kader voor het bij rechtshandeling instellen van een bewind over goederen in eigendom van anderen. Er is geen wettelijk kader voor het gedrag van de testamentair bewindvoerder en er is geen algemeen rechterlijk toezicht. Alleen als de bewindvoerder na overlijden op verzoek van belanghebbenden door de kantonrechter wordt benoemd, houdt de kantonrechter toezicht. Aan de maatregel kan geen goederenrechtelijke werking worden toegekend, omdat het goederenrecht een gesloten stelsel is dat niet voorziet in de overdracht van de beheersbevoegdheid over goederen van de nalatenschap van erflater op een van de erfgenamen of op een derde als mogelijkheid van eigendomsoverdracht. De bevoegdheid tot beheer van een goed of zaak maakt deel uit van het eigendomsrecht. Welke categorieën bevoegdheden een testamentmaker wel aan een bewindvoerder kan toekennen; of het überhaupt mogelijk is zo’n maatregel buiten de rechter om rechtsgeldig te vestigen en of het in principe mogelijk is meerderjarige wilsbekwame erfgenamen het eigendomsrecht van beheer te ontnemen, is onder rechtsgeleerden geen uitgemaakte zaak. Een burger die gewoon praktisch wil weten wat de juridische situatie is, wordt door goed ingevoerde juristen Nederlands recht en afgestudeerd erfrechtspecialisten dus altijd met een enerzijds-anderzijds-kluitje in het riet gestuurd, of met een antwoord dat begint met ‘in beginsel’.
In een dissertatie uit 1945 over het testamentair bewind, waaruit werd geciteerd bij de behandeling van het wetsontwerp testamentair bewind in het parlement, staat dat van oudsher in het Romeins-Hollandse recht de erflater een grote testeervrijheid toekwam, daaronder de vrijheid bij testament te bepalen dat aan een bewindvoerder gedurende een langere periode beheersbevoegdheden konden worden toegekend om de uiterste wilsbeschikkingen uit te voeren.119 De reikwijdte van het handelen van de bewindvoerder werd bepaald door de uit te voeren uiterste wilsbeschikking.120
3.3 De positie van de executeur-testamentair onder het oude erfrecht hing samen met de grotere testeervrijheid die een erflater toen had
Onder het huidige erfrecht (vanaf 2003) gaat de testeervrijheid niet meer zo ver dat een erflater bij leven rechtsgeldig kan bepalen dat de wensen in het testament na overlijden door een persoon worden uitgevoerd en hoe de erfenis moet worden afgewikkeld, verdeelklaar moet worden gemaakt en verdeeld onder de erfgenamen. Dus niemand, behalve de erfgenamen gezamenlijk, of de rechter, kan bepalen hoe de verdeling verloopt en wie een bepaald goed uit de erfenis krijgt toebedeeld.121
3.4 De mogelijkheid om bij testament een persoon aan te stellen als uitvoerder van de uiterste wilsbeschikkingen, de testamentuitvoerder of exécuteur testamentair, is per 1 januari 2003 vervallen.
Het begrip exécuteur testamentair is eeuwenoud en komt uit het rooms-katholiek kerkrecht. De clericus voerde de wensen uit van een erflater, welke wensen vaak mede de kerk begunstigden.122 Er is een nieuwe functie gecreëerd met de titel executeur, in naam ongeveer hetzelfde, maar volgens de nieuwe wettelijke functieomschrijving is er geen sprake meer van ’ten uitvoer leggen’ (executeren) en de erflater kan niet meer ‘over het graf heen’ regeren. De executeur naar nieuw erfrecht beschikt niet meer over de bevoegdheid, als verlengde arm van de overledene, na overlijden diens wensen uit te voeren.
Sommigen menen dat het begrip ‘executeur testamentaire’ betekende, dat de executeur bij testament was benoemd, en niet bij codicil. Een onjuiste vertaling en gedachte.
► zie: Executeur testamentaire is afgeschaft in het huidige erfrecht
De mogelijkheid om bij testament een bewindvoerder aan te stellen is eveneens per 1 januari 2003 afgeschaft. Volgens het huidige erfrecht kan een testamentair bewind over een of meer goederen van de nalatenschap worden ingesteld, de wet kent drie vormen en knoopt aan iedere vorm de bevoegdheden en verplichtingen van de persoon die het bewind uitvoert, de bewindvoerder. De juridische manier waarop de bevoegdheden van een bewindvoerder bij een testamentair bewind naar huidig erfrecht kunnen worden geregeld, verschilt dus wezenlijk van de regeling die onder het oude recht voor een testamentair bewindvoerder in een testament kon worden opgenomen. Wanneer ergens staat dat de bevoegdheden van de bewindvoerder bij testament opgesteld na 2003 kunnen worden uitgebreid, of als een raadgever u dat vertelt, kan als vuistregel worden aangehouden dat deze bevoegdheden moeten passen binnen dat wat in Nederland gebruikelijk is binnen de rechtsfiguur ‘beheer’. Gaat het daarbuiten, heeft het in de regel als gevolg dat de bepalingen in een testament geen erfrechtelijke werking hebben.
Onder het huidige erfrecht was een testamentair bewindvoerder uitvoerder van een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld testamentair bewind.
Onder het oude erfrecht kon bij ‘uiterste wil’ een bewindvoerder worden aangesteld, maar daar is wetgever van afgestapt om redenen van algehele wettelijke systematiek. Er kan naar nieuw recht bij testament een bewind worden ingesteld en voor een bewindsvorm worden gekozen, of voor een combinatie van bewindsvormen. De wet bepaalt de rechten en plichten van bewindvoerder, rechthebbende(n) en derden in de regeling die bij de gekozen bewindsvorm(en) hoort. De bewindvoerder is als het ware inbegrepen bij de ingestelde bewindsvorm, zoals de inbussleutel bij een IKEA kast. Zonder sleutel kan de kast niet worden opgebouwd, ofwel zonder bewindvoerder kan het bewind niet worden uitgevoerd. En het gaat om de gekochte kast, het gaat om het ingestelde bewind. Is een kast gekocht, maar ontbreekt de inbussleutel, kun je achteraf eenvoudig een sleutel krijgen. Zo is het precies ook bij de bewindvoerder.
Stelt erflater bij testament een bewind in, maar wordt er niemand als bewindvoerder aangewezen, kan na overlijden door belanghebbenden een verzoek bij de kantonrechter worden gedaan om een bewindvoerder te benoemen en komt er alsnog een bewindvoerder. De benoeming van een testamentair bewindvoerder kan na overlijden echter niet zelfstandig worden aangevraagd; er moet bij leven door erflater een bewind zijn ingesteld.123 Een bewindvoerder is altijd uitvoerder van een bij testament ingesteld bewind en kan rechtsgeldig alleen functioneren binnen de grenzen die de wet voor de bij testament ingestelde bewindsvorm geeft. Deze regel geldt in Nederland voor elke vorm van bewind, ook als het om een bewindsvorm gaat die wordt ingesteld door de rechter.
Anders dan de erfrechtelijk executeur, die bij testament kan worden benoemd, is de testamentair bewindvoerder in het Nederlands erfrecht een onzelfstandige functie. De regels kunnen niet worden gegeven in een eigen functieomschrijving; de bevoegdheden en verplichtingen zijn wettelijk vastgelegd bij de regeling van de bewindsvorm.
3.5 De wettelijke regeling voor het testamentair bewind kent een artikel dat het mogelijk maakt voor de erflater, om de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader te regelen
In de regeling voor het testamentair bewind, biedt artikel 4:171 BW de mogelijkheid aan de testamentmaker, om de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder, zoals gegeven in de voorgaande wetsartikelen, nader te regelen. Zo kan bij testament de regeling worden toegesneden op de persoonlijke omstandigheden, maar dit moet passen binnen de wettelijke grenzen die gelden bij de ingestelde bewindsvorm. Hier moet worden onderscheiden tussen de regeling voor het bewind volgens artikel 4:153 e.v. BW, die erflater bij uiterste wilsbeschikking kan instellen en erfrechtelijke werking heeft, en de nadere regeling voor de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder bij uiterste wil volgens artikel 4:171 BW.124
De nadere regeling van artikel 4:171 BW is geen zelfstandige erfrechtelijke ‘uiterste wilsbeschikking’
Dat geeft Bernard Schols ook volmondig toe in zijn WPNR-artikel uit 2004 over de quasi-wettelijke verdeling, met herpublicatie in 2009, nadat Schols was aangesteld als hoogleraar. De tekst van het artikel is in bijna gelijke bewoordingen overgenomen in zijn dissertatie (2007). Schols schreef dat het nieuwe Nederlands erfrecht geen uiterste wilsbeschikking kent op grond waarvan rechtsgeldig een ‘Teilungsanordnung‘ ofwel opdracht tot verdeling, kan worden gegeven. Bepalingen in een testament die dat schrijven zijn dus in beginsel nietig.125 Om tot rechtsgeldigheid te kunnen komen, ziet Schols mogelijkheden in het leerstuk van de conversie, voor zover bij testament de opdracht tot verdelen aan de bewindvoerder is gegeven. Hij zet zijn hoop op art. 4:171 BW. Er moet echter aan worden getwijfeld of conversie ooit tot rechtsgeldigheid kan leiden, als is vastgesteld dat de opdracht tot verdeling in een testament niet onder een uiterste wilsbeschikking te brengen is. Bij conversie moet volgens art. 3:42 BW door een rechter worden vastgesteld:
Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.
Knelpunt 1 bij beantwoording van deze vraag is, dat er geen andere, als geldig aan te merken rechtshandeling is, dan die van de instelling van een van de drie wettelijke testamentaire bewindsvormen, of combinaties daarvan. De wet noemt niet als geldige rechtshandeling om een afwikkelingsbewind in te stellen of om een afwikkelingsbewindvoerder te benoemen, en ook al zou dat wel zozijn,n is daarmee niet gezegd dat erflater daarmee een bewind wil instellen over de onverdeelde goederen van de nalatenschap in het gemeenschappelijk belang van de erfgenamen, met als bevoegdheid voor de bewindvoerder de boedel zelfstandig te verdelen, ook zonder instemming van de rechtmatige eigenaren van de boedel en zelfs tegen hun uitdrukkelijke wil. Er is immers geen sprake van ‘het’ afwikkelingsbewind of ‘de’ afwikkelingsbewindvoerder.126
Knelpunt 2 bij beantwoording van deze vraag is, dat het in het algemeen voor onredelijk zal moeten worden gehouden, dat meerderjarige wilsbekwame erfgenamen het recht van beheer zal worden ontnomen door de conversie. Dat betekent een ontoelaatbare beperking op hun grondrecht van zeggenschap als eigenaar van de onverdeelde boedel. Het recht van eigendom geeft erfgenamen de meest verstrekkende bevoegdheden aan de nalatenschap.
De verhaallijn van Schols & Schols, die er bij notaris, estate planner, executeur en erfrechtadvocaat in is gegaan als gesneden koek, dat je door conversie dient (sic) te komen tot de geldige rechtshandeling ‘benoeming afwikkelingsbewindvoerder’, is dus niet op een uiterste wilsbeschikking gebaseerd die in Boek 4 is geregeld of elders in de wet als zodanig wordt aangemerkt (art. 4:42 BW). Weging van de belangen van de erfgenamen wordt door Schols op voorhand uitgesloten. Het gaat er bij de almachtige executeur-afwikkelingsbewindvoerder naar het model van Schols om, de erfgenamen nagenoeg monddood te maken, aldus de eigen woorden van Schols, ook in de dissertatie.127.
Hier zouden juristen die zijn opgeleid in de leer van Schols, de zienswijze van prof. Pitlo ter harte kunnen nemen:
“men kan het recht niet leren kennen, zonder het wetboek bij de hand te hebben”
De raadsheren van het Hof Arnhem-Leeuwarden bladerden niet door de wet en authentieke kamerstukken toen het erop aankwam. Ze legden het naslagwerk ‘Sdu Commentaar Erfrecht‘ ten grondslag aan hun overwegingen.128 Vermoedelijk zonder zich ervan bewust te zijn dat de commentator van de betreffende wetsartikelen, mr. P. Knoppers, voor partijdig kan worden gehouden, gelet op de inhoud van het geschreven commentaar en de beroepsmatige achtergronden en nevenwerkzaamheden. Auteur is werkzaam als advocaat en biedt daarnaast beroepsmatig dienstverlening aan als erfrechtelijk executeur, bewindvoerder en vereffenaar.129 Ze is een spilfiguur binnen de Nederlandse organisatie voor executeurs NOVEX, een belangenbehartiger pur sang. 130 NOVEX financierde marketingcampagnes waarin de vereniging werd aangeprezen als keurmerk in de markt. Een gelieerde stichting gaf jarenlang zelf bedachte certificaten uit aan eenieder die drie dagen cursus erfrecht had gevolgd bij de vof ScholsBurgerhartSchols. Uitzoekwerk van lezers van deze website en van de werkgroep Erfrecht voor Iedereen toonde in oktober 2024 aan dat NOVEX niets over de leden weet en dat de meeste leden geen kennis en ervaring hebben in financiële dienstverlening en vermogensbeheer.
► zie: Leden organisatie voor executeurs NOVEX vaak niet opgeleid in vermogensbeheer
Als lid van deze vereniging heeft Knoppers zich te houden aan een gedragscode om het denkmodel dat Bernard Schols in zijn dissertatie uiteenzet over de aard van de executeur, in haar werk in beginsel te volgen.131 Blijkens het notenwerk is het commentaar in het naslagwerk uitsluitend gebaseerd op de verhaallijn van Freek Schols en Bernard Schols.132 In dezelfde zaak in cassatie, citeerde de procureur-generaal bij het Parket van de Hoge Raad een artikel uit 2013 van een willekeurige kandidaat-notaris zonder academische achtergrond, die de denkwijze van Schols daarin tot ‘heersende leer’ bestempelt, op basis van een niet-wetenschappelijke analyse van artikelen die louter door (oud)notarissen en estate planners zijn geschreven. De procureur plaatst een voor de rechtswetenschappelijke discours richtingwijzende kanttekening over de zogenaamde ‘driesterrenexecuteur’ van Schols:133
anders dan deze terminologie wellicht doet vermoeden, bestaat er geen vast omlijnd pakket taken en bevoegdheden voor driesterrenexecuteurs. De ene executeur-afwikkelingsbewindvoerder is de andere niet.
De hoogleraren Burgerhart en Verstappen schrijven:134
Voor de goede orde zij overigens opgemerkt dat de wet de termen afwikkelingsbewind en afwikkelingsbewindvoerder als zodanig niet kent. Evenmin kan worden gesproken van hèt afwikkelingsbewind; er zijn vele varianten denkbaar
Meer gedetailleerd: de wet kent de functie van executeur, en deze kan bij testament aan een (rechts)persoon worden toegekend, maar de wet kent niet de functie van afwikkelingsbewindvoerder. Wordt in een testament gesproken over afwikkelingsbewind en afwikkelingsbewindvoerder, kan men op grond van de parlementaire geschiedenis maximaal komen tot een bewindvoerder die dienstdoet binnen een bewind in een gemeenschappelijk belang over goederen die tot een gemeenschap behoren. De wet geeft deze bewindvoerder enkele bijzondere bevoegdheden, maar niet de bevoegdheid zelfstandig handelingen te verrichten in de scheiding en deling. Daarom zal het niet eenvoudig zijn, zelfs nagenoeg onmogelijk, een testamentaire bepaling over een ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ of ‘afwikkelingsbewind’, via conversie naar rechtsgeldigheid te transformeren. Daarbij moet door de rechter namelijk bekeken worden of het huidige Nederlandse erfrecht een uiterste wilsbeschikking kent waarbinnen de bewoordingen zijn onder te brengen. Dan is er alleen de uiterste wilsbeschikking ‘Testamentair bewind’ en die kent het afwikkelingsbewind niet, of de afwikkelingsbewindvoerder, met de bijzondere bevoegdheid de onverdeelde boedel zelfstandig te verdelen.
Tevens legt de plv. P-G de vinger op de zere plek waar het gaat om (on)evenwichtigheid van de discussie in de notariële literatuur:
Uit deze passage is in de literatuur – vooral door B.M.E.M. Schols – afgeleid dat de erflater zodra hij de in het testament aan de executeur toegekende bevoegdheden uitbreidt tot buiten de grenzen van afdeling 4.5.6 BW, zonder meer een testamentair bewind instelt.(vet: red. )135
Volgens de promotor van Schols, emeritus hoogleraar Martin Jan van Mourik, moeten de nadere bevoegdheden en verplichtingen voor de bewindvoerder binnen de ingestelde bewindsvorm passen om rechtsgeldig te zijn.136
Om terug te keren naar de analogie van inbussleutel en IKEA-kast: de inbussleutel is er in verschillende vormen; de onhandige metalen haak of die met comfortabel handvat, de turbo-inbussleutel voor op de boormachine of de driesterren inbussleutel uit gehard staal waarmee je heel veel meubels kunt samenschroeven. Je kunt een uitvoering van de sleutel kiezen die bij je past, maar de schroefkop moet in de moeren van de kast passen, anders werkt het niet.
3.6 Uitbreiding van executeursbevoegdheden in testament heeft geen goederenrechtelijke werking
Volgens Bernard Schols heeft een nadere regeling voor de bevoegdheden van de bewindvoerder op de voet van art. 4:171 BW “slechts verbintenisrechtelijke werking”.137 Dat zou a contrario betekenen dat er geen zakenrechtelijke werking is en de afwikkelingsbewindvoerder eigendom niet rechtsgeldig kan overdragen. Schols schrijft dan ook:138
Het door de erflater in de vorm van een afwikkelingsbewind gegoten verdelingsplan heeft derhalve in tegenstelling tot de beroemde voorganger, de verdeling op grond van art. ‘4:1167’ geen goederenrechtelijke
werking.
Burgerhart en Verstappen schrijven:
Het wezenlijke onderscheid tussen de afwikkelingsbewindvoerder en de afwikkelingsstichting is dan ook gelegen in het feit dat de bewindvoerder in goederenrechtelijk opzicht buiten de nalatenschap staat.139
Noch Schols, noch een van zijn followers legt concludent uit binnen welk Nederlands rechtsinstituut het te brengen is, dat erfgenamen op grond van het verbintenissenrecht zouden moeten accepteren dat een derde zonder eigendomsrechten, juridische / civielrechtelijke / erfrechtelijke consequenties voor hen teweeg kan brengen, met ‘verbintenisrechtelijke werking’. Mag een bewindvoerder volgens de ‘wetjes van Schols’ de erfgenamen gedwongen verbinden aan zelfstandige rechtshandelingen, maar strekt de bevoegdheid zich niet uit tot levering? Dat zou voor de ‘onwillige erfgenaam’ betekenen dat zij de nietigheid van de betreffende bepalingen moet inroepen, bij deurwaardersexploot aan de almachtige executeur moeten overbrengen en de executeur oproepen de rechter te laten bepalen of er door conversie tot rechtsgeldigheid van de betreffende bepalingen kan worden gekomen (art.3:42 BW). Er is geen uiterste wilsbeschikking die verdeling toestaat. Verder hoort de rechter mee te wegen, of conversie onredelijk moet worden geacht tegenover belanghebbenden, de erfgenamen. Nu het om een stevige inperking gaat op het grondrecht van een ongestoord genot van eigendom, zou alleen in een situatie waar een verdere inperking op de eigendomsrechten dan die in de wet zijn gegeven, gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang, tot conversie kunnen worden gekomen. Deze situatie zal zich uiterst zelden voordoen.
Erfgenamen die het er om gegronde redenen niet mee eens zijn, dat een afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig handelingen heeft verricht in de scheiding en deling van de erfgemaanschap waarvan ze deelgenoot zijn, kunnen dan ook beter niet de akte van verdeling ondertekenen. Dan zou het notarieel kaartenhuis van de almachtige executeur in elkaar kunnen duikelen. Alleen het instellen van een vordering tot verdeling bij de rechter, de weg die de wetgever voorschrijft, zou dan een uitweg bieden. De daaraan verbonden kosten zouden verhaalbaar moeten zijn op de testamentadviseur en/of de notaris die de akte heeft verleden, c.q. de beroepsmatig handelend executeur-bewindvoerder.140
4. Afwikkelingsbewind als quasi-opdracht?
Schols rept ook van de testamentaire last die aan de executeur is op te leggen en die dan ook voor de erfgenamen geldt. Deze zou via de rechtsfiguur ‘opdracht’ in het bewind kunnen worden geïncorporeerd, omdat de wetgever dat begrip bij de parlementaire behandeling van de nieuwe wet erfrecht meermaals zou hebben gebruikt. Als voorbeeld wordt in een voetnoot de Tweede Nota van Wijziging opgevoerd. In een bespreking van een vonnis van de Rechtbank Rotterdam uit 2021 schrijft Schols:
het is de executeur die als vertegenwoordiger van erflater het stokje van de overledene overneemt
Broer en zakenpartner Freek Schols noemt dit in 2024 ‘de quasi-overeenkomstgedachte van opdracht’ en Bernard Schols heeft het in 2025 over ‘de trustachtige adfwikkelingsbewindvoerder’.
De wet en de Hoge Raad zien het anders dan prof. mr. dr. Bernard M.E.M. Schols
De wet schrijft in art. 4:182 BW dwingendrechtelijk voor:141
- 1 Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De eerste zin geldt niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13 wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater.
- 2 Zij worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden.
De wet schrijft in artikel 4:145 lid 2 BW over vertegenwoordiging door de executeur:
Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.
De Hoge Raad oordeelde in een arrest van 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:495:
In het in 2.1 vermelde testament is overeenkomstig art. 4:145 lid 2 BW bepaald dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Aangezien de executeur tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen, heeft de zoon terecht de executeur aangesproken tot voldoening van de legitieme portie. De dochters worden als erfgenamen in dit geding vertegenwoordigd door eiser als executeur. Eiser is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen de dochters.
De theorie die professor Bernard Schols & partners uitdragen, is dus een aperte dwarsligger wanneer de Nederlandse wet en jurisprudentie als toetssteen worden genomen. De dwingendrechtelijke wettelijke beperkingen op de rechten van erfgenamen bij testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang, zijn opgenomen in art. 4:167 lid 2 en 3 BW.
Bovendien volgen erfgenamen, als rechtsopvolgers onder algemene titel, erflater op in alle overeenkomsten, ook die van opdracht. Moet worden aangenomen dat de executeur-afwikkelingsbewindvoerder op basis van een (quasi-)opdracht werkt, kunnen erfgenamen de verleende opdracht door een rechtshandeling (quasi-)beëindigen. Deze verbintenisrechtelijke consequentie is door Schols niet behandeld.
Hierbij moet worden opgemerkt dat ook de wettelijke bepalingen en rechterlijke uitspraken hieromtrent slechts werking kunnen ontvouwen, voor zover ze niet strijdig zijn te achten met bepalingen uit internationale verdragen met rechtstreekse werking, zoals het recht op ongestoord genot van eigendom uit het EVRM, artikel 1 Aanvullend Protocol. Deze netelige kwestie is, met uitzondering van artikelen op deze website, in Nederland nog geen onderwerp van wetenschappelijke en maatschappelijke discussie, in België wel.142 Fiscalist en promovenda Maria de Lourdes Monteiro schreef in 2015 te denken dat een model als de quasi-wettelijke verdeling in het buitenland niet goed kan worden uitgelegd.143
5. Modelregelingen met buitenwettelijke bepalingen
5.1 De Nederlandse notaris maakt gebruik van een modelregeling met bepalingen voor een testament die buiten de wettelijke regels gaan.
Doel is de wettelijke rechten van erfgenamen te doen verstikken door te simuleren dat erflater na overlijden nog zeggenschap over de nalatenschap heeft bij monde van de bewindvoerder.144 Of een executeur krijgt dit als testamentaire last opgelegd. Men noemt dit model ”turbo-executeur”, ”driesterrenexecuteur” of ”executeur-afwikkelingsbewindvoerder.”145
De rechtsfiguur afwikkelingsbewindvoerder met vergaande bevoegdheden in de verdeling, is ook ontwikkeld om een historisch arrest van de Hoge Raad uit 1903 buitenspel te zetten, op grond waarvan belasting kan worden geheven.146 Voor omzeilen van belastingheffing is essentieel dat bij erfgenamen geen vrijwilligheid bestaat in de fase van de verdeling. Mede ontwikkelaars van de modelregeling “quasi-wettelijke verdeling” zijn de adviseurs estate planning prof. mr. Bernard Schols en prof. mr. Freek Schols. Een groep estate planners rond prof. dr. Kleijn ontwikkelde de modelregeling “Facultatieve wettelijke verdeling“. Het ontwerpen van modelregelingen met als doel belastingbetaling te ontwijken is wezenlijk onderdeel van de estate planning, waar notariaat, financieel dienstverleners, accountancies en nalatenschapsadviseurs actief zijn. De modelregeling van Schols&Schols is niet gebaseerd op wettelijke bepalingen – de naam ‘quasi-wettelijke verdeling’ spreekt boekdelen – maar enkele erfrechtsgeleerden menen dat de Hoge Raad deze ooit voor rechtsgeldig zal kunnen houden, anderen menen van niet.147 Er is geen bestendige hogere rechtspraak.148 Uit de wetenschap komt als kritiek dat het de notaris niet vrijstaat over de rug van de cliënt te experimenteren met bepalingen die onvoldoende worden ondersteund door wetgeving en rechtspraak, zoals met name de quasi-wettelijke verdeling.149 Bepalingen die niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen zijn nietig, ook als ze in een notarieel testament staan. Notariële bepalingen in een testament die geen uiterste wilsbeschikkingen zijn en op die voet voor niet geschreven moeten worden gehouden, worden niet geldig door jarenlang gebruik in de notariële praktijk.150
- Zie het artikel: Turbo afwikkelingsbewind is juridisch zorgenkind: “Nauwkeurige lezing van de authentieke bronnen, analyse van de gehanteerde rechtsvergelijking, ontrafeling van achterliggend belang en doelstelling en ontmanteling van gebruikte communicatietechnieken voert tot de voorlopige conclusie dat een draagkrachtige juridische fundering om tot rechtsgeldigheid te concluderen, ontbreekt.“
5.2 Bernard Schols concludeert in WPNR 2004/6572 en in zijn dissertatie dat het Nederlands erfrecht geen uiterste wilsbeschikking kent die de erflater de mogelijkheid biedt aanwijzingen te geven voor de verdeling of om deze aan een derde op te dragen.
De door Schols geopperde idee dat dergelijke bevoegdheden op de voet van artikel 4:171 BW aan de bewindvoerder zouden kunnen worden toegekend, beweegt zich dus buiten het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Schols voert aan dat wetgever verklaard zou hebben met artikel 4:171 BW de erflater deze mogelijkheid te willen bieden, maar lezing van de authentieke Kamerstukken waar Schols (soms via de omweg van Van der Burght) naar verwijst, leidt op geen enkele manier tot deze conclusie. Integendeel, wetgever maakte herhaaldelijk duidelijk dat het niet de bedoeling is dat de bewindvoerder zelf verdeelt of dat de executeur bemiddelt tussen erfgenamen die het niet met elkaar eens zijn. Schols poneert dat wetgever in het zittingsjaar 1991-1992 zou zijn overgestapt van een half-open stelsel naar een volledig open stelsel van bewind. Een mededeling die bij elke weldenkende jurist afgestudeerd in het Nederlands recht de wenkbrauwen zou moeten doen fronsen. Waarom wordt er wetgeving ontworpen vanuit de basisgedachte van een gesloten stelsel, zoals in het goederenrecht, en tegelijkertijd erflater de vrije hand gegeven? Aanleiding voor controle van geldigheid van de stelling door nalezing van het betreffende originele kamerstuk, met als uitkomst: niets is minder waar. Bovendien is de regeling voor het bewind uiteindelijk niet in het BW terechtgekomen.
5.3 Volgens Bernard Schols is heersende leer binnen het notariaat, dat wetgever de bewindvoerder de mogelijkheid wilde geven zelfstandig te verdelen
Een kandidaat-notaris kwam in 2013 in het Tijdschrift Erfrecht zelfs in algemene bewoordingen tot de conclusie dat sprake is van een ‘heersende leer’. Een analyse van de door hem gebruikte artikelen laat zien, dat de werken uitsluitend afkomstig zijn van (oud)notarissen en estate-planners. Met als kritisch probleem één, dat daar het inweven van eigenbelang kan meespelen en kritisch probleem twee dat een mening binnen een beroepsgroep iets volstrekt anders is dan een algemeen in de maatschappij aangenomen rechtsregel van gewoonterecht. Zoals het de heersende leer onder vastgoedeigenaren is, dat huurders minder rechten zouden moeten hebben, maar geen enkele helder denkende jurist zal op grond daarvan stellen, dat een ‘almachtige verhuurder’ of ‘driesterrrenmakelaar’ met een volmacht waarin staat dat hij deze bevoegdheden heeft, de sloten van een rechtmatig door een ander gehuurde woning mag vervangen en de woning verkopen.
Bovendien wordt nergens duidelijk gemaakt op basis van precies welke kamerstukken (origineel dossiernummer) het gesloten stelsel van het erfrecht en het goederenrecht zou kunnen worden doorbroken en het fiduciaverbod kan worden weggeramd. Schols heeft als doelstelling van zijn dissertatie, te willen komen tot een uitbreiding van de testeervrijheid van de erflater en een inperking van de eigendomsrechten die erfgenamen vanaf overlijden aan de erfgemeenschap toekomen. Hij bespeurt een oerbehoefte om de notaris en estate-planner meer macht te geven bij afwikkeling van een erfgemeenschap. In het hoofdstuk waar hij zijn denkmodel behandelt voor een ‘almachtige afwikkelingsbewindvoerder’, komt hij tot de conclusie dat een testamentaire aanwijzing om zelfstandig te verdelen naar huidig recht niet is onder te brengen bij een uiterste wilsbeschikking en er geen goederenrechtelijke werking aan kan worden toegekend. Prof. A.M. de Leeuw kwam in haar dissertatie (2020) tot de conclusie, dat er bij een testamentair bewind sprake is van een volledige eigendomsoverdracht, zowel juridisch als economisch en dat niet gesproken kan worden van een trustachtige figuur. Slechts de beheersbevoegdheid wordt tijdelijk in handen van een ander gelegd, aldus De Leeuw.151 Het mag als bekend worden verondersteld, dat een beheerder goederen houdt voor een ander en niet bezitter is.152 Er kan dus niet rechtsgeldig geleverd worden.
In mei 2024 zegt Schols in een podcast dat het in de rechtspraak nog steeds geen uitgemaakte zaak is en dat het nog jaren kan duren voordat er duidelijkheid komt. Waarom deze heldere aanwijzingen geen deel uitmaken van de parate kennis van testamentadviseurs en professioneel testamentair bewindvoerders, is een raadsel. Wetgever heeft tijdens 50 jaar parlementaire behandeling steeds dezelfde lijn aangehangen: erflater kan bij testament de bevoegdheden uitbreiden en de verplichtingen beperken, maar moet daarbij binnen de lijnen van de rechtsfiguur bewind blijven. De rechtsfiguur heet dan ook niet voor niets afwikkelingsbewindvoerder.
Maakt een bewindvoerder gebruik van buitenwettelijke bevoegdheden op basis van een testament met driesterrenexecuteur en gaat een erfgenaam daar niet mee akkoord, kan een beroep worden gedaan op de nietigheid van de betreffende testamentaire bepalingen. Prof. Schols spreekt er altijd over dat de testamentaire bepalingen bepaalde woorden moeten bevatten om de bevoegdheden van de bewindvoerder uit te kunnen uitbreiden, maar heeft als academicus nooit beschreven wat zijn erfrechtelijke toverformule precies inhoudt. En wat de woorden die hij in gedachte heeft, onderscheidend maken in erfrechtelijke werking, dan de formuleringen van andere testamentadviseurs.
Het is na twintig jaar hoogste tijd dat de formule waarmee Schols denkt de beide gesloten stelsel en het fiduciaverbod te kunnen doorbreken, wordt besproken in een juridisch tijdschrift dat zich conformeert aan de beginselen van integere wetenschapsbeoefening.
In voorlichting aan consumenten wordt de modelregeling doorgaans gepresenteerd als toegestaan.153 Zoals plaatsvervangend Procureur-generaal bij het Parket van de Hoge Raad Wissink in een conclusie uit 2023 echter opmerkt, bestaat er niet zoiets als ‘de’ afwikkelingsbewindvoerder’ of ‘het’ afwikkelingsbewind. Het is te hopen dat KNB, NOVEX en EPN hun voorlichtingsmateriaal op korte termijn verbeteren, dan wel dit in opdracht geven aan de marketingbureaus die voor hen teksten schrijven.
6. Dit zijn de wettelijke regels voor een afwikkelingsbewindvoerder
6.1 Volgens dwingendrechtelijke regels van erfopvolging, kunnen alleen de in een testament opgenomen uiterste wilsbeschikkingen van invloed zijn, op de manier waarop de nalatenschap na overlijden aan anderen toekomt
Dit heet het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen.154 Ook buiten het erfrecht zijn verspreid over de verschillende wetten nog enkele uiterste wilsbeschikkingen te vinden, bijvoorbeeld in de Wet op de Lijkbezorging het beschikken over de uitvaartwensen (art. 19 lid 1 jo 18). Zes belangrijke uiterste wilsbeschikkingen zijn opgenomen in de wet erfrecht, afdeling 5.
Als in een testament sprake is van een afwikkelingsbewind, hebben bewindvoerder en erfgenamen zich in beginsel te houden aan de wettelijke regels voor het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang, met de daarbij horende wettelijke beperkingen op hun rechten uit eigendom, bezit en houderschap. Deze wettelijke beperkingen kunnen gerechtvaardigd worden met het algemeen belang dat schuldeisers en de belastingdienst hebben bij nakoming van erfrechtelijke verplichtingen en bij een geordend rechtsverkeer. Als bij testament ook een beheersexecuteur is benoemd, waardoor voor erfgenamen verdergaande eigendomsbeperkingen gelden, zijn deze belangen al gediend en moeten wettelijke eigendomsbeperkingen bij het bewind mogelijk buiten werking worden geacht wegens strijd met het Europees grondrecht op ongestoord genot van eigendom.155
6.2 Op grond van de wet, hebben bepalingen in een testament omtrent het bewind slechts verbintenisrechtelijke werking.
Reden daarvan is dat het goederenrecht of het erfrecht niet de mogelijkheid biedt eigendomsrechten aan de nalatenschap bij testament (tijdelijk) aan anderen over te dragen, dan artikel 4:182 regelt. Hetzelfde geldt voor de nadere regeling op de voet van artikel 4:171 BW. Bepalingen in een testament mogen niet in strijd zijn met dwingend recht, zoals het ongestoord genot van eigendom op het de erfgenamen toekomend deel van de (onverdeelde) nalatenschap (art. 4:44, 45 BW). Zijn ze dat wel, moeten ze in beginsel voor nietig worden gehouden. Ook ongeoorloofd zijn bepalingen in strijd met ongeschreven fundamentele rechtsnormen of die erfgenamen belemmeren in de uitoefening van rechten die hen op grond van het erfrecht toekomen (4:4 BW).
Estate planners en notarissen stellen een klant vaak voor, om een zogenaamde driesterrenexecuteur in het testament op te nemen en de adviseur dan als executeur te benoemen. Een mooi voorbeeld geeft notaris De Waij uit Nijmegen, bestuurslid van de belangenbehartiger voor executeurs NOVEX en voormalig estate planner bij de ABN-AMRO bank: “Maak op tijd een testament en benoem een drie sterren executeur”.156
Testamentair bewind is een uiterste wilsbeschikking die bij onderhandse of notariële akte kan worden ingesteld. De regels staan in afdeling 7 van boek 4 Burgerlijk Wetboek. Het afwikkelingsbewind is geen rechtsfiguur uit het Nederlands erfrecht, maar kan in een testament worden vastgelegd door het instellen van een testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang, art. 4:153 jo 155 lid 4 BW, over alle goederen van de nalatenschap, voor de duur van de afwikkeling, met de strekking te komen tot een goede afwikkeling van de erfgemeenschap. De in de wettelijke regeling voor het gemeenschappelijk belang gegeven regels gelden voor de bevoegdheden en verplichtingen van erfgenamen, afwikkelingsbewindvoerder en derden. Dit bewind wordt ingesteld voor de duur van de afwikkeling van een nalatenschap als er meerdere erfgenamen zijn. Anders dan bij de testamentair executeur, wordt hier geen persoon benoemd, maar komen nalatenschapsgoederen onder bewind te staan. Anders dan bij voogdij in het familierecht of een beschermingsbewind op grond van Boek 1 BW, wordt dit bewind niet ingesteld omdat een erflater verwacht dat de erfgenamen zelf niet in staat zijn hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het gaat erom dat de nalatenschapsgoederen zorgvuldig kunnen worden beheerd en de nalatenschap kan worden afgewikkeld in de situatie dat de erfgenamen gezamenlijk niet tot de vereiste unanimiteit komen, of erfgenamen afwezig of onbekend zijn, en een gang naar de rechter door geen van de erfgenamen wordt gekozen om een beslissing over de toedeling en verdeling te vragen. Er bestaat geen vrij toegankelijke informatie met heldere uitleg over de hoofdregels voor afwikkeling en verdeling van een erfgemeenschap, dus erfgenamen weten meestal niet wat hun rechten en plichten zijn, of ze willen of kunnen niet (financieel) naar de rechter. De wet geeft de testamentair bewindvoerder de bevoegdheid een vordering tot verdeling bij de rechtbank in te stellen, ook als de bewindvoerder geen erfgenaam is.
Instellen van een testamentair bewind heeft gevolgen voor de manier waarop erfgenamen over de nalatenschapsgoederen kunnen beschikken, namelijk met de voor het testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang gegeven wettelijke beperkingen op hun rechten voortvloeiend uit eigendom, bezit en houderschap, voor de door erflater bepaalde duur. Ze blijven handelingsbekwaam en voor het overige beschikkingsbevoegd, met behoud van het bewind. Erfgenamen missen niet het vrije beheer over hun nalatenschapsgoederen als bedoeld in het vermogensrecht, bijvoorbeeld het voor de verdeling belangrijke art. 3:183 lid 1 BW.157
Erfgenamen die de erfenis onder een afwikkelingsbewind ontvangen, mogen op grond van het vermogensrecht als deelgenoten in de erfgemeenschap, alle handelingen verrichten die nodig zijn voor het normale onderhoud en behoud van de goederen en handelingen die geen uitstel kunnen lijden. Hier is geen toestemming van de bewindvoerder of andere erfgenamen voor nodig (art. 3:170 BW).158 Voor overige beheershandelingen is toestemming van de bewindvoerder nodig. De erfgenamen mogen zonder toestemming alle beschikkingshandelingen verrichten met behoud van het bewind.
6.3 Voor de eigendom, het beheer en afwikkeling van een erfgemeenschap gelden regels uit het erfrecht, vermogensrecht, de Europese Erfrechtverordening159 en enkele andere rechtsbronnen
Nadere regels in een testament gelden alleen bij afwikkeling van de betreffende nalatenschap en voor zover ze niet in strijd zijn met regels van dwingend recht, de goede zeden en de openbare orde of bepalingen in internationale verdragen met directe en horizontale werking.160 De wettelijke regeling waarop een testamentaire bepaling rust, mag niet in strijd zijn met de grondwet of met eenieder verbindende bepalingen uit internationale verdragen. Bij mogelijke strijdigheid beslist de rechter op vordering van een of meer rechthebbenden.
Erflater kan de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader regelen, ze kunnen daarbij ruimer of minder ruim worden vastgesteld (art. 4:171 lid 1 BW). Deze regeling is geen zelfstandige uiterste wilsbeschikking en daarom moeten nadere testamentaire bepalingen binnen de juridische grenzen blijven van de bij uiterste wilsbeschikking ingestelde bewindsvorm. De nadere regeling heeft, net als het ingestelde bewind, geen zakenrechtelijke werking maar slechts verbintenisrechtelijke. Geeft een testamentaire bepaling de bewindvoerder bevoegdheden die botsen met rechten van de erfgenamen voortvloeiend uit eigendom, bezit of houderschap van de door hen geërfde nalatenschapsgoederen, zijn deze bepalingen nietig.
6.4 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt herhaaldelijk dat testamentaire bepalingen op de voet van art. 4:171 BW moeten passen binnen doel en strekking van de ingestelde bewindsvorm en van de rechtsfiguur bewind
Vallen ze daarbuiten, moeten ze voor niet geschreven worden gehouden. Zo verklaarde de minister in de Tweede Nota van Wijziging, waarmee de regeling van het testamentair bewind in het wetsontwerp voor het nieuwe erfrecht wordt ingelast, dat een testamentair bewindvoerder als taak heeft het onder bewind gestelde vermogen te beheren en voor verdergaande handelingen de bewindvoerder en rechthebbende elkaar in beginsel nodig hebben, zij het dat de toestemming van de rechthebbende door een rechterlijke machtiging kan worden vervangen.161
Letterlijk en volledig citaat uit het originele Kamerstuk:
“In dit verband valt op te merken dat het testamentaire bewind meer bewindsvormen omvat dan het beschermingsbewind van titel 19 van Boek 1: het omvat immers niet alleen een bewind ingesteld in het belang van de rechthebbende maar ook een bewind in het belang van een ander (bijv. een bewind over een vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigden) en in een gemeenschappelijk belang (bijv. beheer, verdeling of vereffening van gemeenschappelijke goederen of van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap waarin die nalatenschap is begrepen). (…) 3. De thans voorgestelde regeling wijkt in wezen niet af van de regeling van titel 3.6. Aan de bewindvoerder komt in het algemeen het beheer toe. Voor verdergaande handelingen hebben bewindvoerder en rechthebbende elkaar in beginsel nodig, zij het dat de toestemming van de rechthebbende door een rechterlijke machtiging kan worden vervangen. Voor zover het bewind niet uitsluitend in het belang van de rechthebbende is ingesteld, blijft het ook na vervreemding op de goederen rusten. De bewindvoerder kan in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de rechthebbende handelen, maar ook op eigen naam optreden.“
Ook verklaarde de minister (origineel Kamerstuk):
“Een bewind over een nalatenschap met een onderneming houdt meer in dan het bewind over een eenvoudige particuliere nalatenschap, maar hoofdregel is het vermogen tegen risico’s te beschermen of om het te vereffenen. De aard van het ingestelde bewind bepaalt de rechtsgevolgen zoals in de wet worden omschreven. Binnen dat kader kan een erflater aan een bewindvoerder in een testamentair beschermingsbewind de bevoegdheid geven zonder toestemming van de rechthebbende en zonder vervangende machtiging van de kantonrechter beschikkingshandelingen te verrichten.”(vet: red.) 162
De door estate-planners, notarissen, executeurs en Perrick zo geliefde woorden ‘zonder toestemming van de rechthebbende en zonder vervangende machtiging van de kantonrechter’, zien dus op een beschermingsbewind, niet op een bewind in een gemeenschappelijk belang en de situatie dat er bij overlijden uitsluitend ruim meerderjarige erfgenamen zijn die naar objectieve maatstaven goed in staat zijn de erfgemeenschap te beheren, af te wikkelen en te verdelen. Dat daarbij onenigheid kan ontstaan, is niet iets wat wetgever in het kader van het algemeen belang zou moeten reguleren. Iedere deelgenoot kan, nadat de schulden uit art. 4:7 zijn voldaan, bij de rechter een vordering tot verdeling indienen.
De wetgever verklaarde ook dat het onder de nieuwe wet niet langer mogelijk is bij uiterste wilsbeschikking de verdeling voor te schrijven. Staan zulke bepalingen in een testament, zijn ze nietig. Zo ook de professoren Bernard Schols en Martin-Jan van Mourik.163
De afwikkelingsbewindvoerder mag gebruikmaken van de bevoegdheden, en moet zich houden aan de verplichtingen, die de wet aan een bewindvoerder toekent bij een testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang bij een onverdeelde gemeenschap en van bijzondere bevoegdheden in een testament, voor zover deze binnen de grenzen van de ingestelde bewindsvorm blijven. Handelingen verricht buiten deze grenzen zijn in beginsel onbevoegd genomen en kunnen door een of meer erfgenamen in rechte worden aangevochten, de bewindvoerder kan aansprakelijk worden gesteld voor daaruit voortvloeiende schade. Beroept een bewindvoerder zich op testamentaire bepalingen die nietig zijn omdat ze buiten de grenzen van het ingestelde bewind gaan, geldt hetzelfde.
6.5 Testamentaire bepalingen mogen in het algemeen niet in strijd zijn met fundamentele normen van het geschreven of ongeschreven recht of van dwingend recht (art. 4:44, 45 BW).164
De verplichting van de bewindvoerder tot het opmaken van een boedelbeschrijving, het afleggen van rekening en verantwoording, tot handelen met de zorg van een goed bewindvoerder en de regeling rond aansprakelijkheid zijn bijvoorbeeld van dwingend recht, alsmede het toestemmingsvereiste van de rechthebbenden voor bepaalde beschikkingshandelingen. Respectievelijk de artikelen 160 lid 1, 161 lid 1, 166, 167 lid 2 en 3, 168 lid 1 en 2, 169 lid 2 en 3 van Boek 4 BW. Deze rechtsbeschermende regels mogen niet door bepalingen in een testament worden verzwakt (art. 4:4 BW), gebeurt dat wel zijn de testamentaire bepalingen nietig of hebben ze slechts beperkte werking.165 Geeft een rechthebbende geen toestemming voor een beschikkingshandeling waar deze vereist is, kan een bewindvoerder plaatsvervangende machtiging van de kantonrechter vragen. Ook kan de testamentair bewindvoerder zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechtbank instellen, zodat een erfgenaam de afwikkeling niet op onterechte, onredelijke of onbillijke gronden kan tegenhouden (art. 4:169 lid 3 BW, 4:170 lid 1 BW). Erflater kan kiezen uit de bij wet uitgeschreven strekkingen van het bewind of deze combineren. Van regelend recht zijn onder meer de beloning van de bewindvoerder, verdeling van werkzaamheden, de omstandigheid waaronder het bewind eindigt en of zaaksvervanging plaatsvindt. Respectievelijk de artikelen 154, 158 lid 1, 159 lid 1, 164 lid 1 onder d van Boek 4 BW Hier mag erflater eigen regels bepalen.
Wordt een testamentair bewind ingesteld, maar geen bewindvoerder benoemd of komt deze te ontbreken, kan na overlijden benoeming op verzoek van een belanghebbende door de kantonrechter gebeuren. Anders dan bij de executeur hoeft een vervangingsregeling niet in het testament te zijn opgenomen, omdat het ingestelde bewind van rechtswege meebrengt dat er een bewindvoerder moet zijn. Benoeming van een testamentair bewindvoerder door de kantonrechter na overlijden kan alléén, als er een testament is en daar een bewind is ingesteld.166 De door de kantonrechter benoemde testamentair bewindvoerder staat onder toezicht van de rechter.
Zijn de regels in het testament (ook na uitleg) niet duidelijk genoeg om eruit af te kunnen leiden welke bevoegdheden en verplichtingen erflater de afwikkelingsbewindvoerder wilde geven, hebben de testamentaire bepalingen geen rechtskracht en gelden de wettelijke bepalingen.167 Als een afwikkelingsbewindvoerder is benoemd maar geen bewind is ingesteld, moet uit de bewoordingen van het testament worden afgeleid of bedoeld is een executeur aan te stellen.168 Als in een testament bevoegdheden zijn toegekend aan een executeur die wettelijk niet onder het executeurschap vallen, maar wel onder de wettelijke regeling voor het testamentair bewind zijn te brengen, mag volgens de wetgever worden uitgegaan van bewind. Dientengevolge kan geen conversie van nietigheid naar geldigheid plaatsvinden van bevoegdheden in een testament die buiten de uiterste wilsbeschikking Testamentair bewind vallen. De turbo-executeur is opgenomen in het modellenboek van Schols, maar is niet onder te brengen bij een in het erfrecht of andere Nederlandse wet genoemde uiterste wilsbeschikking.

7. Daarom …. denkbeeldige dialoog tussen erfgenaam en erfrechtspecialist, notaris, advocaat, nalatenschapsplanner of executeur …
U wilt een testament opmaken of u heeft een erfenis ontvangen met in het testament een afwikkelingsbewindvoerder met vergaande bevoegdheden. U gaat naar een notaris, advocaat, erfrechtsspecialist of nalatenschapsplanner met bovenstaande juridische feiten en vraagt of bevoegdheden van een afwikkelingsbewindvoerder zo vergaand kunnen worden uitgebreid. U krijgt dan vermoedelijk te horen: er is een wetsartikel waarmee de bevoegdheden van de afwikkelingsbewindvoerder bij testament kunnen worden geregeld: artikel 4:171 BW.
Hamvraag: wat kan volgens de wet en wetgever precies met artikel 4:171 BW worden geregeld?
- Standaardantwoord van notaris, executeur en erfrecht-advocaat: met het artikel kan in een testament een afwikkelingsbewindvoerder worden benoemd met vergaande bevoegdheden.
Vraag testamentmaker of erfgenaam: is artikel 4:171 BW een zogenaamde uiterste wilsbeschikking?
- Standaardantwoord van notaris, executeur en erfrecht-advocaat: ja, dat moet eigenlijk wel, want we kennen het stelsel van gesloten wilsbeschikkingen, dus alles wat daarbuiten valt is in beginsel ongeldig.
Vraag: wat staat er precies in het artikel voor het handmatig vastleggen van de bevoegdheden van de bewindvoerder?
Artikel 4:171 BW
- 1 Bij de uiterste wil kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit.
- 2 De kantonrechter kan op verzoek van de bewindvoerder, de rechthebbende of een persoon in wiens belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld, de regels omtrent het voeren van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. De kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden.
Vaststelling: in de letterlijke tekst van wetsartikel 4:171 BW staat “Bij de uiterste wil“
- Standaardreactie notaris, estate planner executeur en erfrecht-advocaat: Ja, precies zoals ik het zei, de bevoegdheid te verdelen is een uiterste wilsbeschikking.
Wederwoord erfgenaam: met uiterste wil wordt in de huidige wet erfrecht het testament bedoeld
- Notaris, estate planner, executeur en erfrecht-advocaat: ? Nou ja, dat maakt toch niet zoveel uit, je geeft de bevoegdheden bij testament.
Erfgenaam: en waar staat dat je de bewindvoerder kunt benoemen?
- Notaris, estate planner, executeur en erfrecht-advocaat: Bij het kopje ‘bewindvoerder’, vrij logisch toch?
Erfgenaam: nee, de huidige wet erfrecht bevat geen kopje ‘Bewindvoerder’, maar een afdeling ‘Testamentair bewind’. In die afdeling si opgenomen dat de rechter een bewindvoerder kan aanwijzen als er bij testament een bewind is ingesteld, maar er geen bewindvoerder is aangewezen. Als in een testament staat dat er een bewindvoerder is, mag er zelfs zover geïnterpreteerd worden, dat erflater heeft bedoeld een testamentair bewind in te stellen. Mijn vraag is nu: als het testament er niets over zegt, waarom kan dan de rechter een bewindvoerder aanwijzen? Dat zou betekenen dat er bij elk testament, als er niets is geregeld over een bewind of bewindvoerder, de kantonrechter een bewindvoerder kan aanstellen?
- ? Uhmm, nee, dat kan eigenlijk niet zo zijn.
Erfgenaam: wat betekent dan “nader worden geregeld” in artikel 4:171 BW? Is er iets wat hieraan voorafgaat, dat als het ware de hoofdregel is?
- ? Uhmmm, dat moet ik even nakijken.
Wat zegt de wet over het testamentair bewind?
De hoofdregel is artikel 4:153 BW
Afdeling 7. Testamentair bewind
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 153
- 1 Een erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bewind instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen.
Erfgenaam aan adviseur: Kijk, hier is wel sprake van “uiterste wilsbeschikking”
- Uhmmm, ja ik blader nog even naar de andere artikelen, of er verschillende begrippen worden gebruikt …
inderdaad, alleen hier staat “bij uiterste wilsbeschikking”, dat was me eerlijk gezegd voorheen niet opgevallen.
Erfgenaam: werd hier dan in de cursus erfrecht niet mee begonnen?
- Nee, daar werd begonnen met drie soorten executeurs. De cursus werd gegeven door professor Schols. Hij heeft de begrippen één-, twee- en driesterrenexecuteur bedacht
Ja, dat is bekend. Maar het aanstellen van executeurs is een andere uiterste wilsbeschikking
- Nee, je kunt het combineren, je kunt de executeur samensmelten met de bewindvoerder.
Erfgenaam: er is geen uiterste wilsbeschikking voor het aanstellen van een bewindvoerder. Hoe kun je dat dan combineren?
- Notaris, estate planner, executeur en erfrechtspecialist: Je kunt de bevoegdheden van de executeur uitbreiden door hem ook als afwikkelingsbewindvoerder te benoemen, je kunt de executeur bekleden met een bewind.
Goed geïnformeerde testamentenmaker en erfgenaam: Er is geen uiterste wilsbeschikking voor het aanstellen van een bewindvoerder, er kan een testamentair bewind worden ingesteld, over goederen van een nalatenschap. Het erfrecht kent wel ‘de executeur’ maar niet ‘de afwikkelingsbewindvoerder’ of ‘het afwikkelingsbewind’. Volgens het huidige erfrecht zijn bepalingen in een testament die de bevoegdheid tot verdelen aan een bewindvoerder of executeur toekennen niet binnen de mal van een uiterste wilsbeschikking te brengen. Dat schrijft Bernard Schols in zijn 600 pagina’s tellende dissertatie over de rechtsfiguren exécuteur testamentaire, Testamentsvollstrecker en afwikkelingsbewindvoerder. Dus volgens rechtsgeleerde analyse zijn zulke bepalingen in beginsel nietig.
- Notaris, executeur en erfrecht-advocaat: het heeft toch geen zin een discussie te voeren over het verschil tussen uiterste wil en uiterste wilsbeschikking.
Goed geïnformeerde testamentenmaker en erfgenaam: het heeft wel degelijk zin, althans voor mij. Het koningsartikel van de huidige wet erfrecht, dat is het openingsartikel van Boek 4 Erfrecht, 4:1 BW, bepaalt dwingendrechtelijk dat het wettelijk erfrecht rechtsgeldig alleen veranderd kan worden ‘bij uiterste wilsbeschikking’.
- 1 Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking.
- 2 Van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.
Ik wil zeker weten dat er geen gedoe komt rond deze bepaling in mijn testament. Er zijn al zoveel redenen om ruzie te maken. Het is mijn wens dat mijn testament wordt opgemaakt volgens de nu geldende wettelijke regels en/of volgens vaste jurisprudentie.
Dit artikel is een ‘work on progress’. Ervaringen, commentaar, vragen, gefundeerde kritiek, ondersteuning, aanvulling en andere inzichten zijn welkom.
Hieronder kan een reactie worden ingevuld. Deze komt binnen bij de redactie en wordt alleen gepubliceerd als dat is gewenst.
Reactie per e-mail: gebruik naam van de website na de apestaart, met punt nl erachter en voor de apenstaart ‘post’. In de regel volgt geen persoonlijk antwoord, wel wordt de inhoud verwerkt. Er kan soms (na langere tijd) een reactie komen, maar medewerking aan deze website is niet beroepsmatig. Er wordt geen advies gegeven over een individueel geval.
Naar erfrechtblog
Lang leve de nalatenschap
Naar ander artikel
Wat zijn de bevoegdheden en verplichtingen van de executeur?
- Is het nodig een executeur aan te wijzen in een testament?
- Wat mag een testamentair executeur bij de afwikkeling van een nalatenschap?
- Wat zijn de rechten en plichten van erfgenamen?
Noten, referenties, commentaar
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar- Het gaat om de estate-planner Bernard Schols. Hij werkte twintig jaar onder het oude erfrecht als kandidaat-notaris en belastingadviseur in twee kleine dorpen (minder dan 5000 inwoners) zonder noemenswaardige bedrijven of welgestelde families; als deeltijddocent Belastingkunde aan de Universiteit Utrecht, als deeltijdocent in de opleiding voor het notariaat van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) en medewerker van het Samenwerkingsverband Estate-Planning van de KUN en de ABN AMRO Bank N.V. Ook fungeerde hij enige tijd als rechter plaatsvervanger. Er zijn op wetenschappelijk gebied geen bijzonderheden over hem bekend, behalve zijn proefschrift uit 2007 met ruime aandacht voor het denkmodel van de ’trustachtige afwikkelingsbewindvoerder’ die steunt op de rechtsfiguur van onherroepelijke privatieve lastgeving: deze bijzondere last, die niet vervalt bij overlijden, kan alleen worden gegeven in het belang van de volmachtnemer. Is dus niet geldig in het geval van een testamentair bewindvoerder, die in het belang van de rechthebbenden werkt, of in een daaraan tegenovergesteld belang. Niet in het eigen belang. Na presentatie van de modelregeling stapte Schols uit het notariaat en werd hij b2b-adviseur nalatenschapsplanning met specialisatie belastingbesparing bij de overgang van nalatenschappen. Als zodanig schreef hij in een nieuwsbrief van het eigen bedrijf een weerwoord op gedegen kritiek die door hoogleraren op het model werd geleverd. Daarin beroept hij zich op de heersende leer ten tijde van het ontwerp nieuw Boek 4 en hij citeert deze leer. Bijdragers aan deze website ontdekten begin 2025 dat het gekozen citaat niet de heersende leer weergeeft, maar een van de heersende leer afwijkende leer van Van der Ploeg. Schols schrijft (abusievelijk of misleidend) dat het om de heersende leer gaat. Voor zover we kunnen nagaan, is dat erin gegaan als gesneden koek. Graag reacties als we ernaast zitten en dit misleidende citaat al eerder is opgemerkt. Of dat het niet als misleidend kan worden gezien en waarom niet. [↩]
- Bij estate-planning op hoog niveau kan het gaan om tientallen gestapelde en verweven constructies die later nauwelijks nog zijn af te slanken. [↩]
- Vergelijk dissertatie Steegmans 2024, de veertien verkennende veldinterviews – niet een respondent noemt deze behoefte. [↩]
- Er ligt een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam waaruit deze plicht is af te leiden. Neem ook kennis van alle argumenten in de artikelen “Voorbeeldbrief inroepen nietigheid‘ en ‘Heersende leer‘. [↩]
- In het tijdsperk dat de minister dit verklaarde, was conversie als instrument nog geen vastomlijnd leerstuk. Er was jurisprudentie, maar de regeling kwam pas met invoering van het nieuwe BW in de wet. [↩]
- Annotatie twee hofarresten 2021. [↩]
- Dat het om een trustachtige figuur gaat, blijkt uit de dissertatie van Bernard Schols en recent (mei 2025) in een opiniërend artikel van zijn hand in het FTV. [↩]
- r.o 6.7.10. [↩]
- Perrick in Asser-4 2025, H 1 [↩]
- De Hoge Raad keurde in een historisch standaardarrest gebruik van privatieve lastgeving af voor rechtsgeldig gebruik in testamenten; wetgever codificeerde deze rechtersregel in het huidige Boek 4 BW. Zie artikel over het arrest Hendrikse/Geensen en het artikel over de heersende leer. [↩]
- Zo ook Schols, anders: Perrick, zie R. Heijnen, Het lot van de onherroepelijke volmacht na overlijden, masterscriptie, UU, 2023, Begeleider: prof. mr. drs. J.W.A. Biemans. [↩]
- Reacties uit de erfrecht-beroepsvelden laten zien dat sprake is van een ‘de aarde is rond-moment’ bij het lezen van artikelen op deze website. Alleen anoniem en onder pseudoniem worden ervaringen en afwijkende standpunten gedeeld.[↩]
- B.M.E.M. Schols, 2007, H 5. [↩]
- BMEM Schols, Driemaal is scheepsrecht! Met verschijnen van nieuw ‘Asserdeel’ zaligverklaring van driesterrenexecuteur een feit, EstateTip 19 januari 2005, p. [↩]
- Maasland, 2013, [↩]
- De Leeuw, Leiden. [↩]
- ‘Delegeren over het graf heen door de (aanstaande) erflater‘, 2007 NDFR [↩]
- Speentjes, Huijgen, Stollenwerck, Vegter, Nuytinck, De Leeuw …[↩]
- B. Schols. [↩]
- Kamerstukken Tweede Kamer, 1962-1963, 3771, nr. 6, p. 4 en 5. [↩]
- Pieter Willem van der Ploeg, Testamentair bewind, dissertatie Leiden, 1945, p. 126. Herhaald in WPNR 1950 ‘Het testamentair bewind’. [↩]
- Van der Ploeg, p. 139. [↩]
- Van der Ploeg, p. 139, 140. [↩]
- Kamerstukken Tweede Kamer, 1962-1963, 3771, nr 6, p. 4 en 5. [↩]
- Opsomming in conclusie F.F. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2008:BD5985, randnr. 2.8 noot 11: ” Zie onder meer: Pitlo-Van der Burght, Erfrecht, 1997, blz. 255; W.M. Kleijn, De boedelscheiding (diss. RU Leiden 1969), blz. 451; Klaassen-Eggens-Luyten, Erfrecht, 1989, blz. 226. Uitdrukkelijk anders: Asser-Van der Ploeg-Perrick, 1996, nr. 547.” [↩]
- Is artikel 4:4_BW nog bij de tijd?, Tijdschrift Erfrecht, 2023(4), 54-57 [↩]
- Een testamentair bewind kan volgens de wet alleen over de goederen van de nalatenschap worden ingesteld. Dit bewind kan daarom niet op schulden rusten, omdat deze niet tot het eigen vermogen van de overledene behoorden en daarom bij overlijden niet in eigendom kunnen overgaan op de erfgenaam of erfgenamen. In Nederland staat wel dwingend in de wet dat de erfgenamen een overledene opvolgen als partij bij overeenkomsten die niet met de dood zijn tenietgegaan, daaronder overeenkomsten waaruit schulden zijn ontstaan. Op de erfgenamen rust daarom de verplichting om schulden te voldoen, naar evenredigheid van hun erfdeel. Is de bewindvoerder ook als beheersexecuteur benoemd, dan bestaat in de rol van executeur de op de wet gebaseerde plicht om de in art. 4:7 BW limitatief opgesomde schulden die direct opeisbaar zijn, te voldoen uit de nalatenschap. Zijn deze schulden voldaan, of bestaat voor schuldeisers de zekerheid dat er voldoende verhaalsmogelijkheden zijn, is er geen algemeen belang op grond waarvan het gerechtvaardigd is de inperking op de uitoefening van eigendomsrechten van erfgenamen te laten voortbestaan. Dat volgt uit het beginsel van de proportionaliteit. Deze normen zijn neergelegd in bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 1 Eerste Protocol EVRM, waar het grondrecht op een ongestoord genot van eigendom is verankerd. [↩]
- Inperkingen op het eigendomsgrondrecht kunnen volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) alleen plaatsvinden op grond van wetgeving uitgevaardigd door de nationale overheid in het algemeen belang. [↩]
- Schols heeft een kleine aanstelling (0,3 fte) als professor Successierecht, bij een instituut waar zijn broer en zakelijk partner de leiding heeft. Er bestaan daarom redenen aan te nemen dat het wetenschappelijke aspect voor hem niet zwaarwegend is, of niet de doorslag geeft bij zijn opstelling in media. Schols promoot zichzelf meestal als ‘erfrecht-expert’ en dat is geen beschermd beroep. [↩]
- B.M.E.M. Schols, Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder: zijn ware aard, civiel en fiscaal. Een onderzoek naar de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis, Katholieke Universiteit Nijmegen, 7 december 2007, promotor: M.J.A. van Mourik, p. 425. [↩]
- B.M.E.M. Schols, dissertatie, H. 5 en F. Schols, dissertatie en annotatie Portugees testament circa 2020 … (wordt nageleverd.) [↩]
- En de wet gaat voor iedere burger, ook de Limburger, vóór op wat Bernard en Freek Schols graag als ‘eigen wetjes’ door de notaris zien uitgevaardigd … [↩]
- Huijgen: Vraagtekens bij het afwikkelingsbewind en Verdeling door de executeur-bewindvoerder?, A.H.N. Stollenwerck: Alleen de Guide Michelin geeft drie sterren. FTV 2004-09. [↩]
- De estate planning ziet bij monde van Schols (blogbericht op website vastgoedbemiddelaar, 2025, niet graag dat de rechter wordt aangeroepen, omdat dan de kans bestaat dat een estate plan niet kan worden uitgevoerd. [↩]
- Zie ook conclusie plv. P-G parket Hoge Raad juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:691 en daar aangehaalde parlementaire geschiedenis en juridische artikelen. [↩]
- Hoofdstuk 6, Testamentair bewind. In het enige academische werk over de executeur naar huidig recht dat Nederland kent, van mr. B.M.E.M. Schols, komt de promovendus tot dezelfde conclusie, met de kanttekening dat de executeur naar zijn mening wel trustachtige aspecten kent (noot 9, p. 3). [↩]
- mr. A. M. Steegmans, Beheer van familievermogen door middel van certificering (diss.), Universiteit Utrecht, 2024. [↩]
- Zie gedragscode gepubliceerd op website NOVEX-executeurs. Zie artikel: Leden organisatie voor executeurs NOVEX vaak niet opgeleid in vermogensbeheer/. [↩]
- Een vreemde eend in de bijt, bedacht door hoogleraren in de beroepsopleiding notariaat aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Zij zetten de wetgever zwaar onder druk om de regeling in de nieuwe wet erfrecht op te nemen. Zie Kamerstukken II, 1999/2000 27 245, nr. 3 MvT. [↩]
- Veel mensen, ook rechters, denken dat deze situatie kan worden nagebootst bij testament, de zogenaamde ‘quasi-wettelijke verdeling’. Dat is juridisch onjuist. Is er een testament en zijn er twee of meer erfgenamen, waaronder een partner uit huwelijk of registratie, dan worden alle erfgenamen bij overlijden automatisch gezamenlijk deelgenoot van de nalatenschap, op grond van de saisineregel. De verdelingsmacht ligt in handen van alle erfgenamen gezamenlijk en iedere deelgenoot heeft zeggenschap. Er geldt niet de regel van meerderheid van stemmen, maar unanimiteit (enigheid), omdat het eigendomsrecht in Nederland het meest omvattende recht op een goed is en een eigenaar niet eenvoudig kan worden uitgesloten van de zeggenschap. [↩]
- En overigens ook als een deelgenoot speelzuchtig of spilziek is, of afhankelijk van alcohol of drugs. Het kan zijn dat een deelgenoot daarom onder een meerderjarigenbewind is geplaatst, Boek 1 BW, maar dat is iets anders en ook dan ligt het eigendomsrecht primair bij de deelgenoot. [↩]
- Dit was een reactie op het oude feodale recht, waar een eigenaar van alles kon bedenken om de eigendom uit te ponden. Zie bijvoorbeeld:
° T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht, dissertatie 2007 RU: “De numerus clausus wordt namelijk gedragen door grote algemene beginselen en pas in het licht van deze beginselen kan de geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem echt worden begrepen. Zij drukt het primaat van de wetgever uit, maar reikt tevens de rechter gezichtspunten aan met behulp waarvan hij de goederenrechtelijke regels kan uitleggen.” en
° S. Stijns en H. Vuye, “Zakenrecht: Tweehonderd jaar oud of tweehonderd jaar jong?”, in D. Heirbaut en G. Martyn, Napoleons nalatenschap. Tweehonderd jaar Burgerlijk Wetboek in België, Mechelen, Kluwer, 2005, 157. [↩] - Voorblad publicatie in de repository van de Radboud Universiteit. [↩]
- Weliswaar met de kanttekening dat de wet alleen de beheersexecuteur kent, maar geen mens die dat hoort zal begrijpen dat daarom de driesterrenexecuteur niet rechtsgeldig is. Mr. Joost Diks, meest recent in bedrijfspodcast ‘De erfrechtadvocaat’, seizoen 5, aflevering 1. [↩]
- Op de bedrijfswebsite (na publicatie conclusie plv. PG juni 2023 en HR sept. 2023): “Wat mag een executeur allemaal doen met een nalatenschap/“. Zo ongenuanceerd, dat je in eerste instantie denkt: dat komt niet van Baetens.[↩]
- Collega Mellema probeert hem in de afscheidsbundel ‘Hulde aan Huijgen’, 2023, alsnog over te halen. [↩]
- Stollenwerck schreef in 2006 van mening te zijn dat de notaris moeilijk aansprakelijk kan worden gesteld wanneer het model ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder met zelfstandige verdelingsbevoegdheid’ wordt opgenomen in aktes, omdat er één rechtscollege in Nederland is geweest dat zou hebben geoordeeld dat een dergelijke bepaling rechtsgeldig is. Op basis van een advies opgesteld in opdracht van de KNB. Het vonnis is niet gepubliceerd en de KNB weigerde op schriftelijke aanvraag van een lezer het advies en het vonnis schriftelijk ter beschikking te stellen. Stollenwerck, A. H. N. (2006). Ook de rechter geeft drie sterren, FTV Fiscaal Tijdschrift Vermogen, 2006 (52), p 3-4. [↩]
- Is de notaris niet te overtuigen, roep dan goed gemotiveerd de nietigheid van de betreffende bepaling in, laat daar een exploot van opmaken (door een deurwaarder, dat is meestal goedkoper), laat het exploot betekenen bij de executeur, afwikkelingsbewindvoerder, betrokken notaris en de notaris die het testament opstelde en laat het inschrijven in het boedelregister en de openbare registers (als er registergoederen in de nalatenschap zijn).
► zie: Niet eens met-bepalingen in testament over verdelende afwikkelingsbewindvoerder? Hier enkele mogelijkheden. [↩] - Met als bijkomende vraag of een notaris zichzelf of een kantoorgenoot mag laten benoemen als driesterrenexecuteur. [↩]
- De plaatsvervangend procureur-generaal bij het Parket van de Hoge Raad schreef in zijn conclusie van 9 juni 2023, zonder onderbouwing of bronvermelding, het volgende: “Art. 4:166-170 BW geven een regeling voor de bevoegdheden van de bewindvoerder. Deze regeling is van regelend recht. De erflater is op grond van art. 4:171 lid 1 BW in hoge mate vrij in de vormgeving van het testamentaire bewind. In wiens belang het bewind is ingesteld en welke taken en bevoegdheden de (afwikkelings-)bewindvoerder heeft, moet door uitleg van het testament worden vastgesteld.” ECLI:NL:PHR:2023:691, nr. 2.11. Daar is tegenin te brengen:
°dat van de art. 4:166-170 BW alleen die artikelen van regelend recht zijn, waarin dat expliciet is bepaald;
° dat de testamentaire vormgeving moet blijven binnen de grenzen van het ingestelde bewind;
° dat toekenning van bevoegdheden en/of inperking van verplichtingen moet passen binnen het beschermend beheer van de nalatenschapsgoederen;
° dat de bepalingen zijn onder te brengen onder een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikking. De bevoegdheid om zelfstandig te verdelen valt niet onder een uiterste wilsbeschikking, aldus B. Schols in zijn dissertatie, en is daarom in eerste instantie nietig. [↩] - In HR 05-11-2021, ECLI:NL:HR:2021:1646, maakte de vraag naar de al dan niet rechtsgeldigheid van (te) uitgebreide testamentaire bepalingen geen deel uit van de cassatie. In HR 08-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:1166, evenmin. In randnummer 2.31.1 van de conclusie wordt duidelijk gemaakt dat de rechtsoverweging ‘de wensen van erflater zijn bepalend’ niet dragend is geweest voor het oordeel van het gerechtshof.
En daarom hoefde de Hoge Raad geen oordeel te geven over die rechtsoverweging van het gerechtshof. [↩] - HR 30-01-1981, NJ 1982, 56. [↩]
- Zie: ► Jarenlang gebruik nietige modelregeling in notariële praktijk kan niet tot rechtsgeldigheid voeren [↩]
- HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58 m.nt. Perrick, rov. 3.7. [↩]
- Conclusie 9 juni 2023 voor HR 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:691, nr. [↩]
- Zo zegt prof. Bernard Schols in een interview met Inge Diepman in mei 2024 desgevraagd, dat de discussie in de rechtspraak niet is uitgekristalliseerd en dat dit naar verwachting nog jaren kan duren (podcast Inge Diepman en Joost Diks, ‘Bernard Schols schittert‘ ). Prof. Steven Perrick bevestigde dit (met hoorbare tegenzin) in een telefoongesprek met een lezer van deze website, die hem wilde inschakelen voor het schrijven van een advies waarin de kritiek op de modelregeling wordt samengevat. Dat werd geweigerd. Bernard Schols werd in 2024 door een lezer per e-mail gevraagd een mening te geven. Hij antwoordde dat een afwikkelingsbewind niet meer is dan een bewind in een gemeenschappelijk belang voor de duur van de afwikkeling en kaatste voor het overige de bal terug naar de notaris die het testament opstelde. [↩]
- HR 09-06-1905, W. 8240 (Hendrikse / Geensen). Aard der executele, bevoegdheden executeur. De bevoegdheden van de executeur-testamentair kunnen niet worden uitgebreid buiten de kring van bevoegdheden hem door de wet in artt. 1052 v.v. B.W. verleend. De testamentbepaling, welke de executeur opdraagt om, na inbezitneming van het vermogen, dit aan de erfgenaamen te verantwoorden anders dan in natura, is in strijd met de aard der executeele. [↩]
- Hendrikse / Geensen. [↩]
- HR 09-06-1905, W. 8240 (Hendrikse / Geensen). [↩]
- HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985. [↩]
- Van der Ploeg, Testamentair bewind, (diss) 1945. [↩]
- ECLI:NL:PHR:2023:691 randnr. 2.11. [↩]
- HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1646 (kunstverzameling) en HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1166 (vakantiehuisje). [↩]
- Van executeur-testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder, Nijmegen 2007, p. 425. [↩]
- Of men leest de zinnen en begrijpt niet precies wat Schols ermee zegt. [↩]
- Een ongenuanceerde vereenvoudiging, daar zijn we ons van bewust. Bedoeld als stijlmiddel, in de hoop een rimpeling te veroorzaken in de nagenoeg windstille vijvers bij de rechterlijke macht. Afgevaardigden daarvan ‘polderen’ met deze groep mensen. Het wekt verwondering dat hier tot nu toe geen enkele rechter of medewerker wetenschappelijk bureau, een overweging aan wijdde. [↩]
- In ‘Wederom een Leidse schijnaanval op de ‘driesterrenexecuteur”. Estate Tip 2004-30. [↩]
- FTV 2004/9 [↩]
- Aldus de minister in een van meerdere toelichtingen gegeven tijdens de vijftig jaar durende parlementaire behandeling. De minister gebruikte de term ‘afwikkelingsbewind’ in het Verslag mondeling overleg, tevens eindverslag, Tweede Kamer nr. 3771, nr. 8, p. 66. [↩]
- Zie b.v. W. Burgerhart, L. Verstappen, Afwikkelingsbewind of afwikkelingsstichting. Om het even, of niet?, WPNR 2015/7064); Update januari 2024: Zo ook prof. mr. Mark Wissink, plv. PG parket Hoge Raad in conclusie 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:691 [↩]
- B.M.E.M. Schols, Volmacht uit het hiernamaals, ook digitaal?, Faculteitsblad Actioma, editie 205, september 2018. [↩]
- Aldus prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols, die de notariële modelregeling in zijn dissertatie uit 2007 behandelde, p. 425 [↩]
- Dat deze weg moet worden bewandeld, is door Bernard Schols beschreven in het tweedelige artikel in WPNR uit 2004, p. 243, 244, waar hij aan vakgenoten de mogelijkheid presenteert om een testamentmaker te adviseren in het testament een Duitse ‘Teilungsanordnung‘ (verdelingsaanwijzing) te geven aan de testamentair bewindvoerder. Tot dezelfde rechtswetenschappelijke conclusie komt Schols in zijn promotieonderzoek, met als promotor professor Martin Jan van Mourik, p. 425:
“De vraag die meteen opkomt is of een dergelijke Teilungsanordnung ook naar ons huidige erfrecht mogelijk is. Het antwoord hierop vinden we in art 4:42 BW, waar het ‘gesloten stelsel’ van uiterste wilsbeschikkingen is neergelegd Alleen wat in de wet de sticker ‘uiterste wilsbeschikking’ krijgt, behoort tot de mogelijkheden Het overlaten van de verdeling aan een derde behoort niet tot de mogelijkheden, zou de gedachte kunnen zijn. Een echter, op het eerste gezicht, niet in het stelsel passende uiterste wilsbeschikking dient zo veel mogelijk geconverteerd te worden in een binnen het stelsel passende beschikking. De aanzuigende werking van het erfrechtelijk gesloten stelsel brengt dat met zich. Dit biedt perspectieven. Als ik ‘een derde’ vervang door testamentair (afwikkelings)bewindvoerder, wordt volledig voldaan aan de eisen van het gesloten systeem.” [↩]
- Mogelijk vinden auteurs het niet de moeite waard dit uit te zoeken? Door de notariële bril bekeken, ligt de kwestie op het bordje van de erfgenaam en die is voor de notaris (bedrijfsmatig) ver weg bij het opmaken van een testament. [↩]
- Dit is algemeen bekend bij oudere notarissen. Maar ook objectief af te leiden uit een inventarisatie van stukken afkomstig van de Tweede Kamer in het Nationaal Archief. Dat het notariaat nu door feitelijk handelen doet voorkomen, alsof de testamentuitvoerder nog wel in de wet staat, brengt grote nadelen mee voor erfgenamen. De notariële handelingen kunnen alleen door actief handelen van erfgenamen ongedaan worden gemaakt. Erfgenamen die het er niet mee eens zijn, dat notaris en estate planner met buitenwettelijke modelregelingen erfgenamen in de praktijk trachten monddood te maken, zullen zich moeten beroepen op de nietigheid van de betreffende bepalingen en bij de rechter om een verklaring van recht moeten vragen. Dat is een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank met verplichte procesvertegenwoordiging, die niet standaard in het pakket van de rechtsbijstandverzekeraar zit.
► zie artikel: Geschillen erfrecht niet standaard gedekt door rechtsbijstandsverzekeraar. [↩] - Voldoening van de legaten valt hier mogelijk niet onder, aldus ‘heersende leer’ onder bijdragers aan deze website. Om legatarissen te beschermen tegen executeurs die excessief declareren, zou de wetgever in actie moeten komen. [↩]
- Wat nog zou moeten worden uitgemaakt, is of er sprake kan zijn van onrechtmatig handelen bij de bewindvoerder, wanneer deze niet met gerede spoed om opheffing van het bewind vraagt wanneer de rechthebbende bij overlijden naar objectieve normen in staat moet worden geacht tot vermogensbeheer. [↩]
- Conclusie na verzameling en bestudering van, en discussie over toepasselijke (internationale) wet- en regelgeving, parlementaire geschiedenis, (internationale) jurisprudentie en literatuur door mensen uit verschillende juridische disciplines. [↩]
- klein dorp, zonder ondernemingen of rijke families[↩]
- L’executeur est mort es lebe der Testamentsvollstrecker, WPNR 1999. [↩]
- Norm die de Hoge Raad in 2008 voor de beheersexecuteur neerzette, in lijn met de norm onder oud recht voor het beheer van vermogen dat anderen in eigendom toebehoort. Voor beheer van eigen vermogen geldt de minder strenge norm ‘als een goed huisvader’. Een norm die het Romeinse recht al kende. Zie dissertatie Van der Ploeg, Testamentair bewind (1945), p. 160. [↩]
- Ter Haar WPNR 2010. [↩]
- ‘Groene boeken’, geciteerd in diss. Schols, 0-2 ‘wat en hoe’. Oorspronkelijk was de executeur ondergebracht bij de afdeling vereffening. [↩]
- Blijkens originele teksten Kamerstukken. [↩]
- De classificatie van de executeur met sterren komt van thans deeltijdhoogleraar Bernard Schols, toen hij nog kandidaat-notaris op het platteland in Limburg, c.q. Brabant was. Met een aanloop in 1999, het artikel L’executeur-testamentaire est mort, es lebe der Testamentsvollstrecker!, WPNR 6374 (1999), pp. 745-750; presentatie van het concept in 2000 aan vakgenoten in de Yin-Yang vriendenbundel voor professor M.J.A. van Mourik, de bijdrage Van begrafenisexecuteur tot turbo-executeur, p. . Dat gebeurde kort nadat een lobby van de KNB, belangenbehartiger van het notariaat, er toe had gevoerd dat de Notariswet werd verruimd en er in werd opgenomen dat een notaris zichzelf als executeur mag laten benoemen in een testament waarbij betrokkenheid bestaat als adviseur en/of in het openbaar ambt van notaris. De bepaling in de Notariswet rept niet over de positie van testamentair bewindvoerder, alleen over de functie van executeur. Er werd een combinatiefunctie bedacht die met (Nijmeegse) kwajongensslimheid de titel van ‘driesterren executeur’ kreeg, waardoor het lijkt alsof een notaris binnen de regels van de notariswet blijft wanneer hij of zij zich tot ‘driesterren executeur’ laat benoemen in een testament opgemaakt bij het eigen kantoor. Uitmuntend voorbeeld dat deze communicatie werkt, geeft oud-medewerker ABN AMRO bank, nu notaris De Waij, die zonder schroom in een interview met de Nederlandse organisatie voor executeurs NOVEX zegt: “Wanneer cliënten mij willen benoemen tot executeur, doe ik dat alleen wanneer ik drie sterren krijg. Ik vind het belangrijk om de nalatenschap volledig te kunnen afwikkelen. Ook wanneer de verdeling van de nalatenschap bemoeilijkt wordt doordat erfgenamen andere wensen hebben”. [↩]
- Het ging om een nalatenschap met een hoge waarde, onroerend goed in binnen- en buitenland en een BV waarin de kunstwerken van erflater waren ondergebracht, die moest worden afgewikkeld. Ingewikkeld dus (maar het te hulp geroepen notariskantoor zette er een notariskerk op – een gotspe) en er speelden meerdere geschilpunten. [↩]
- Het gaat verder: “In de literatuur worden als tegenwicht voor deze zelfstandige verdelingsbevoegdheid diverse waarborgen als opgenomen in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 genoemd, zoals de boedelbeschrijving, (art. 4:160), de rekening en verantwoording (art. 4:161), het ontslag wegens gewichtige redenen (art. 4:164) en bovenal de aansprakelijkheid indien in de zorg van een goed bewindvoerder verwijtbaar wordt tekortgeschoten (art. 4:163). Dit alles naast de aan de erfgenamen toekomende wettelijke rechten zoals de dwingendrechtelijke legitieme portie“. [↩]
- met verbindingsstreepje, rov. 3.7.5. [↩]
- 2.33 [↩]
- Noot red.: Langemeier bekijkt niet of dit überhaupt mogelijk is onder het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. [↩]
- “in de hoedanigheid van testamentair bewindvoerder in de zin van afdeling 4.5.7”. [↩]
- 2.36. [↩]
- Het hof haalt artikel 4:164 lid 2 BW niet aan. Zo denkend moet het ervoor worden gehouden dat met het ontslag van de executeur bedoeld is, de in het testament gecreëerde figuur te ontslaan van een executeur met (al dan niet rechtsgeldige) bevoegdheden die buiten afd. 4.5.6 omgaan. In het spoor van Langemeijer. [↩]
- rov. 3.7.4 [↩]
- Kamerstukken II, 1964-65, dossier 3771, nr. 8, p. 66, 67[↩]
- WPNR 2021/7352. [↩]
- B.M.E.M. Schols, ‘Erfrechtelijk onlosmakelijk verbonden ‘stars en stripes’’: HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1646’, Advotip 2021-19. [↩]
- Volgens Schols zou ook de testamentaire bevoegdheid tot verdelen door de rechter in rechtsgeldigheid kunnen worden geconverteerd. Op dit punt zien we grote juridische struikelblokken om een algemeen geformuleerde verdelingsbevoegdheid in rechtsgeldigheid te converteren. Er kan hooguit worden geconverteerd in een situatieve bevoegdheid, bruikbaar al naar gelang de omstandigheden van het geval. Bovendien moeten de handelingen binnen het kader van beheer blijven. [↩]
- Volgens Bernard Schols in zijn dissertatie valt de bevoegdheid tot verdelen niet binnen het stelsel. Schols heeft in niet-wetenschappelijk werk eindeloos herhaald dat een almachtige executeur mogelijk is, maar er is tot op heden geen rechter die de in beginsel nietige verdelingsbepalingen heeft geconverteerd in geldige. [↩]
- afdeling 7 boek 4 Burgerlijk Wetboek.[↩]
- Aldus Schols zelf in een noot bij het artikel waar hij de syntheseregeling aan vakgenoten voorstelde, 1999, WPNR [↩]
- Het meest duidelijk geschreven in WPNR 2004/6572, herpublicatie in 2009 na aanstelling als hoogleraar, p. 225 en in nagenoeg dezelfde woorden in de dissertatie, Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder: zijn ware aard, civiel en fiscaal. Een onderzoek naar de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis, H 5, p. 425. [↩]
- Zo ook plv. PG Parket Hoge Raad in conclusie 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:691. [↩]
- Met dank aan een lezer die hier vriendelijk en met heldere uitleg op wees. [↩]
- Het ging in het testament uit 2015 de volgende bepalingen:
“De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en alle schulden van de nalatenschap te voldoen. De executeur is daarom, voor zover van toepassing, onder meer bevoegd:
– mijn begrafenis of crematie te verzorgen;
– de legaten af te geven;
– registergoederen te vervreemden en te leveren;
– de erfbelasting te betalen;
– alle schulden van de nalatenschap te voldoen;
– de nalatenschap in staat van verdeling te brengen en te verdelen.” Klachten van een van de twee erfgenamen draaien met name om de bevoegdheden de nalatenschap in staat van verdeling te brengen en te verdelen. De bezwaren houden onder meer in dat de notaris ten onrechte in het testament en in de verklaring van erfrecht heeft vermeld dat de executeur de nalatenschap in staat van verdeling mag brengen en mag verdelen (rov. 3.7). Daarom mogen de kosten voor werkzaamheden van de notaris in verband met de verklaring voor erfrecht en kosten met het oog op het tot stand brengen van de verdeling niet (geheel) voor rekening van de boedel komen (rov. 3.7 en 3.11). In rov. 3.3 – 3.12 stelt het hof voorop dat kosten van de executele schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder d BW) dat getoetst moet worden of de executeur in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen (rov. 3.4), dat niet onredelijk is dat de executeur de notaris heeft ingeschakeld (rov. 3.5) en dat fouten van de notaris niet zonder meer voor rekening van de executeur komen (rov. 3.6). Het hof verwierp het standpunt dat de kosten in verband met de voorbereiding van de verkoop van de vakantiewoning niet ten laste van de boedel mogen worden gebracht (rov. 3.8). [↩] - ‘De wetteksten en bijbehorende commentaren zijn artikelsgewijs opgenomen, zodat je relevante informatie snel en gemakkelijk kunt vinden. Auteurs en redactie hebben ernaar gestreefd om je aan de hand van de Parlementaire Geschiedenis zo volledig mogelijk op de hoogte te brengen van de kern van een artikel, relevante jurisprudentie en samenhang met andere wetsartikelen.’ [↩]
- Redactie Sdu Commentaar erfrecht:
○ mr. K.B. van den Berg, notaris, opgeleid in het notarieel recht aan de Radboud Universiteit, lid vereniging estate planners notariaat (EPN) – zie profiel EPN en bij kantoor Olenz,
○ prof. mr. W. Breemhaar, bijzonder hoogleraar Bijzondere onderwerpen notarieel recht op leerstoel gefinancierd door Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap, zie profiel bij UvA,
○ mr. E.E.C. Klarus-Blomjous (hoofdredacteur), advocaat, afgestudeerd aan de Universiteit Leiden (Bachelor Nederlands Recht, Bachelor Notarieel Recht, Master Civiel Recht), partner advocatenkantoor SmeetsGijbels, zie profiel,
○ prof. mr. A.L.G.A. Stille, oud-directeur wetenschappelijk Bureau KNB, bijzonder hoogleraar op leerstoel gefinancierd door Stichting ter Bevordering der Notariële Wetenschap, raadsheer, zie profiel bij TACT advocaten en persbericht UvA,
Auteur commentaar bij uiterste wilsbeschikking Executeurs: mr. P. Knoppers, advocaat, executeur, vereffenaar, bewindvoerder; partner advocatenkantoor SmeetsGijbels; langjarig bestuurslid Nederlandse Organisatie voor Executeurs NOVEX, onderscheiden met de Vierde Ster, samenvatting laudatio: ‘Petra heeft de afgelopen tien jaar met haar inzet en energie veel betekend voor onze vereniging en voor de professionalisering van executele en vereffening. Wij zijn dankbaar voor Petra’s voortdurende enthousiasme om executele en vereffening bekend te maken bij het publiek en de professionele dienstverleners.‘, onderworpen aan gedragsregels die onder meer voorschrijven:
• ‘Het NOVEX-lid onderhoudt in beginsel zo veel mogelijk een zakelijke relatie met de toekomstige erflater en is goed geïnstrueerd.’ (artikel 3)
• heeft de intentie om in eerste instantie de (toekomstige) erflater te vertegenwoordigen en voert als executeur en/of vereffenaar vervolgens namens de erfgenamen het testament uit.
• houdt rekening met het bestaan van eventuele keuzes omtrent de afwikkeling van de nalatenschap, waarbij rekening is gehouden met het voordelig overhevelen van vermogen naar de volgende generatie (estate planning). (artikel 4) Zie Gedragscode NOVEX.
Commentaar dat afwijkt van de wet / het geldend recht, bijv. bij art. 4:144 BW, nr. 4: “Aangezien de executeur is aangesteld door de erflater handelt hij in dat verlengde, maar worden de rechtsgevolgen van zijn handelen aan de rechtsopvolgers onder algemene titel toegerekend: de erfgenamen.” Dit is een stelling van B.M.E.M. Schols in zijn promotie-onderzoek, gebaseerd op een eigen mening. Hij komt daartoe door het denken over ‘de executele’ binnen het kader van ‘de erfrechtelijke verbintenis’ te plaatsen. In de slotbeschouwingen, waaraan Knoppers bij deze zin refereert (p. 545-557), schrijft Schols dat het om zijn mening gaat, niet om een op rechtswetenschappelijke feiten gebaseerde conclusie: “De centrale onderzoeksvraag luidde: wat is de ware aard van executele naar nieuw Nederlands erfrecht? Met de methode van het denken in termen van de ‘erfrechtelijke verbintenis’ in combinatie met de externe rechtsvergelijking in Hfdst. I is naar mijn mening de ware aard van executele boven komen drijven.” (vet red.) en: “Hierna nog een enkele, afsluitende opmerking over hoe deze benadering zich, mijns inziens, verhoudt tot het erfrechtelijk gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen.” Schols vermeldt. “Een dergelijke benadering ligt overigens in een vermogensrechtelijk stelsel, dat gebaseerd is op een gelaagde structuur, voor de hand, zij het dat deze stap vervolgens ook daadwerkelijk nog gezet dient te worden. Poortjes genoeg, ze hoeven alleen nog maar (ver genoeg) open gezet te worden.” Dus wat in het commentaar wordt geponeerd, is een persoonlijke mening, geen geldend recht. Dat had erbij vermeld dienen te worden.[↩] - Podcast ‘De Erfrechtadvocaat’ van presentator Inge Diepman met advocaat Joost Diks, vanaf 08:58 | Op de vraag van Diepman of er in Nederland nog discussie is over de executeur, zegt Schols te durven denken dat de discussie ‘een beetje achter de rug is’. Gaat het om de afwikkelingsbewindvoerder (de derde ster), met de bevoegdheid zelfstandig een verdeling tot stand te brengen, ziet Schols dat men binnen het notariaat overwegend denkt dat een afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig kan verdelen. De Advocaat-Generaal bij het parket van de Hoge Raad schreef in de zomer van 2023, dat hij meent dat dit in beginsel heersende leer is. Schols wijst er vervolgens op, dat in de rechtspraak terughoudendheid bestaat over de bevoegdheden van de executeur. Vraag Diepman: “Welke kant gaat het op, wanneer kun je zeggen dat het helemaal is uitgekristalliseerd?” Bernard Schols: “Dat zal nog jaren gaan duren.” [↩]
- Verder maakte Schols in hetzelfde interview nog iets duidelijk. In zijn dissertatie schrijft hij met stelligheid dat de ware aard van de executeur is gelegen in zijn verbindende functie tussen hiernamaals en aarde. De executeur moet worden gezien als de vertrouwensman van erflater, die na overlijden als zijn vertegenwoordiger zijn wensen uitvoert. Het wetsartikel in het nieuwe erfrecht, dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt, wordt verkeerd gelezen. Op een vraag van Diepman antwoordt Schols nu, dat dit verhaal niet zozeer een rechtswetenschappelijk onafhankelijke analyse is, maar uit zijn koker komt en het om een mening gaat waar niet iedereen het over eens is. Schols zegt dat hij in zijn dissertatie het wezen van de executeur beschreef als uitvoerder van een opdracht van erflater, met een volmacht, een privatieve last, maar spreekt nu niet meer over de executeur als vertegenwoordiger van erflater. Hij noemt in dit interview dat er een lijntje is van erflater naar de executeur omdat de executeur en de sterren alleen in een testament kunnen worden neergezet door de erflater. In tegenstelling tot een vereffenaar, die wordt benoemd door de rechter.
Gelet op de regels van het geldend Nederlands recht, dat een breder en deels ander gebied bestrijkt dan de regels en gebruiken binnen het notariaat en binnen de universitaire beroepsopleiding ‘Notarieel recht’, waarin Schols als (kandidaat-)notaris heeft gewerkt, is het logisch dat Schols ‘om’ gaat. Deze idee, geopperd in de dissertatie en twintig jaar lang met grote stelligheid gecommuniceerd, dat de executeur handelt op grond van een (‘quasi’-)verbintenisrechtelijke bevoegdheid verleend door erflater, is onvoldoende doordacht. Wanneer een executeur handelt op grond van een door erflater gegeven opdracht, waaronder ook de privatieve last valt, worden de erfgenamen op grond van de saisine bij overlijden de opvolgend opdrachtgevers van de executeur. Zij zijn op grond van een regel in het Nederlands verbintenissenrecht bij overlijden van rechtswege opvolgend partij van erflater bij de overeenkomst van opdracht met de executeur geworden. Dat betekent dat de overeenkomst van opdracht na overlijden kan worden opgezegd door de erfgenamen. In geen enkel testamentair model voor de executeur is opgenomen dat opzegging door opdrachtgever uitgesloten is.((Wat bij een particuliere opdrachtgever overigens niet is toegelaten, maar aan zulke haarkloverij stoort Schols zich niet wanneer het op zijn pad komt, maar niet in zijn straatje past. [↩]
- Tekst in dissertatie Schols is nagenoeg gelijk aan die in het tweedelige WPNR-artikel uit 2004: mr. B.M.E.M. Schols, notaris, De quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’ (I), WPNR 2004 aflevering 6571, p. 228. [↩]
- Afwikkelingsbewind of afwikkelingsstichting. Om het even, of niet?, WPNR 2015/7064. [↩]
- Jonge Onderzoekers in discours met Martin Jan van Mourik, WPNR 2013/7000.[↩]
- Dissertatie B.M.E.M. Schols, p. 425. [↩]
- Zie bv. dit artikel in het Tijdschrift Jubel. [↩]
- Het arrest werd gewezen op een beroepschrift van Belgisch hoogleraar …, tevens werkzaam als advocaat. Juridisch is er dus niet over een nacht ijs gegaan. [↩]
- Vindplaats wordt nog gezocht. Wordt elders op deze website genoemd. [↩]
- De regering hierover bij de parlementaire behandeling, vergaderjaar 1964-1965: “dat het voor haar een punt van overweging vormt, of en in hoeverre de bevoegdheden van de bewindvoerder in het kader van het derde boek uitbreiding behoeven. Een bewindvoerder is volgens de huidige tekst van het ontwerp aan vrij strakke grenzen onderworpen. (…) Daarbij moet volgens de Regering dan wel rekening worden gehouden met de aanwezigheid van onder de rechthebbenden ten aanzien van de boedel van minderjarigen, onder curatele gestelden en gefailleerden. De gedachtengang van de Regering ging trouwens niet uit naar een “bewindvoeder, die alles mag”, maar naar een bewindvoerder die bij de uitoefening van zijn taak wel degelijk onder supervisie van de boedelrechter blijft staan.” en de tekst van art. 3:183 BW, waar het toezicht van de kantonrechter bij de verdeling is geregeld, lid 1: “De verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die partijen goeddunkt (…) dan wel in geval van bewind over hun recht, worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming of machtiging.” [↩]
- Lezers die hier als parate kennis meer over weten en stukken ‘voor het grijpen’ hebben, kunnen graag een e-mail sturen met post voor de apenstaart, naam website met punt nl erachter. [↩]
- Pieter Willem van der Ploeg, Testamentair Bewind (dissertatie), Leiden, 1945, p. 10 [↩]
- In een andere dissertatie uit dezelfde periode, van R. Pitlo, wordt uiteengezet dat de rechtsfiguur van de executeur-testamentair of testamentuitvoerder in de vroege middeleeuwen is ontwikkeld door de Rooms-Katholieke kerk die middels dit instrument door de eeuwen heen op grote schaal vermogen van particulieren in handen van de kerk heeft gebracht. De executeur-testamentair voerde na overlijden in naam van overledene de bezitsoverdracht (traditio) uit; de functie werd vervuld door een geestelijk ambt. In de Nederlanden verdeelde na een rustperiode de langstlevende echtgenoot de erfenis onder de erfgenamen, erftuiter genaamd (Overijssel, Gelre) of madelaar (zuidelijke gewesten). [↩]
- Er wordt wel gezegd dat een executeur-afwikkelingsbewindvoerder mag verdelen, zolang er niets aan het erfdeel van de erfgenamen wordt veranderd. Deze stelling is kortzichtig. Er wordt voorbijgegaan aan de juridisch wezenlijke rechtshandeling van het vervreemden van een goed, die alleen de eigenaren toekomt. Hoe je het ook wendt of keert, er is geen wettelijke bepaling in het vermogensrecht en er bestaat geen uiterste wilsbeschikking in het erfrecht of enige andere wet, die deze rechtshandeling mogelijk maakt. Met het leerstuk van de conversie kom je er niet, omdat ‘afwikkelingsbewind’ geen in de wet genoemde bewindsvorm is. Wellicht wreekt zich hier, dat een geschatte 90% van de mensen die de theorie van Schols napraten, in het erfrecht en/of de executele zijn onderwezen door Schols & zakenpartners, die slechts ‘notarieel recht’ hebben gestudeerd, en niet het Nederlands recht. Notarieel recht is een universitaire beroepsopleiding, volledig toegesneden op uitoefening van het publieke ambt van notaris. [↩]
- Zie de nog steeds interessante en goed leesbare dissertatie uit 1940 van Rutger Pitlo, vader van de bekende Amsterdamse professor Adriaan Pitlo, Universiteit van Leiden. [↩]
- Ook dit is niet bij elke zelfbenoemde “erfrechtspecialist” bekend. Een advocaat die ‘erfrechtshulp’ aanbiedt, stelt op zijn website, dat na overlijden door de erfgenamen een bewind kan worden ingesteld. Zie het artikel: Uiterste wilsbeschikking en uiterste wil, wat is het verschil [↩]
- Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2021, 200.271.859/01, ECLI:NL:GHDHA:2021:549, citaat, rov. 12: “omdat deze regeling deel uitmaakt van het bewind als bedoeld in artikel 4:153 e.v. BW en de nadere regeling van de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder bij uiterste wil zoals bedoeld in art. 4:171 BW.” [↩]
- Zie het artikel: Verdeling erfenis door driesterren executeur valt niet onder uiterste wilsbeschikking, erkent professor Bernard Schols. Daar zijn zich echter maar weinig praktijkmensen van bewust. [↩]
- Bernards Schols, Burgerhart & Verstappen 2015, P-G Wissink conclusie 2023. [↩]
- Prof. Steven Perrick reageerde in een telefoongesprek met een ‘dwarsliggende’ erfgenaam, op de stelling dat de rechtsfiguur nooit rechtsgeldigheid zal kunnen bereiken, omdat de eigendomsbevoegdheden van de erfgenamen te veel worden ingeperkt, met het lapidaire antwoord: het eigendomsrecht is niet helemaal ingeperkt, want een erfgenaam heeft nog het recht de erfenis te verwerpen … [↩]
- Rechters hebben overigens niet de verplichting hun overwegingen met wetsartikelen en jurisprudentie te onderbouwen. [↩]
- Zie bedrijfswebsite. [↩]
- Knoppers is onderscheiden met de ‘Vierde Ster’ voor alle werkzaamheden die zij voor de vereniging heeft verricht (zie laudatio ledenvergadering 2023). [↩]
- Gedragscode NOVEX-leden, Het NOVEX-lid onderhoudt zoveel mogelijk een relatie met de toekomstige erflater en is goed geïnstrueerd; art. 3: “Een NOVEX-lid: ° heeft de intentie om in eerste instantie de (toekomstige) erflater te vertegenwoordigen en voert als executeur en/of vereffenaar vervolgens namens de erfgenamen het testament uit. ° houdt rekening met de belangen van alle partijen.” Update januari 2025: de Gedragscode is gewijzigd, de leer van Schols is enigszins afgezwakt. | Update februari 2026, de gedragscode is nogmaals gewijzigd, nu zal uit ‘close reading’ kunnen blijken wat men nog aanvaardbaar vindt de leden op te leggen, en wart niet: wie pakt dit draadje op? [↩]
- Hof Arnhem-Leeuwarden, 4 oktober 2022. Update februari 2026: opvallend dat een raadsheer uit het college dat dit arrest velde, oud-notaris en een bekend gezicht in het notariaat, in november 2025 samen met Knoppers en brief schrijft om het erfprocesrecht te vereenvoudigen. [↩]
- Conclusie 9 juni 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:691). De Hoge Raad zet vervolgens overigens een interessante stap. Juridisch-technisch gaat de Raad noch contrair, noch volgt hij de conclusie. De zaak werd ‘afgedaan’ op de voet van art. 81 RO. Juridisch feitelijk liet de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:1166) het hofarrest zo doende in stand. Maar dat betekent niet dat de Hoge Raad daarmee de wezenlijke overweging in het hofarrest:’In het testament is opgenomen dat de executeur bevoegd was de nalatenschap te verdelen. Dat daarbij niet de termen bewind, afwikkelingsbewind of bewindvoerder zijn gebruikt, betekent niet dat alleen daarom aan de testamentaire bepaling geen betekenis toekomt. De wens van de erflater omtrent de bevoegdheden is doorslaggevend.’ heeft bekrachtigd (gesanctioneerd). In randnummer 2.31.1 van de conclusie wordt namelijk duidelijk gemaakt dat deze rechtsoverweging niet dragend is geweest voor het oordeel van het gerechtshof. Daarom hoefde de Hoge Raad geen oordeel te geven over die rechtsoverweging. Met als conclusie dat het arrest van de Hoge Raad niet kan worden gebruikt om te bepleiten dat een testamentaire bepaling als in de onderhavige zaak, voor rechtsgeldig moet worden gehouden. [↩]
- WPNR 2015/7064 § 2. [↩]
- ECLI:NL:PHR:2023:691 § 2.16.3. [↩]
- Prof. mr. M.J.A. van Mourik, Jonge onderzoekers in discours met Martin Jan van Mourik, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR), 21-12-2013, 2013/7000, citaat: “De gedachten gaan uiteraard uit naar de afwikkelingsbewindvoerder en de executeur. Kan aan de afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid worden gegeven de nalatenschap naar eigen goeddunken te verdelen? (…) Een erflater kan zijn nalatenschap niet meer bij uiterste wilsbeschikking onder zijn erfgenamen verdelen. De ouderlijke boedelverdeling van art. 4:1167 BW (oud) legde in 2003 het loodje. Wat thans als wettelijke verdeling bekend staat, is geen verdeling. De zogenaamde quasi-wettelijke verdeling bouwt voort op de door de wetgever in art. 4:171 BW geopende mogelijkheid de bevoegdheden van een bewindvoerder ruimer vast te stellen dan in beginsel het geval is. Maar, let wel, die bevoegdheden dienen te blijven binnen de grenzen van de figuur bewind.” [↩]
- B.M.E.M. Schols (als notaris en estate planner te Nijmegen, docent notarieel recht aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen, rechter-plv. rechtbank Arnhem), De quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’ (II slot)’, W.P.N.R. 2004/6572, p. 244, citaat: “In geval van gemelde § 2204 BGB is de wet het richtsnoer voor de spelregels voor de verdeling. Veel spectaculairder is de mogelijkheid die erflater heeft om zelf de verdeling vast te stellen, de zogeheten ‘Teilungsanordnung’, § 2048 BGB. De door erflater vastgestelde regeling heeft in beginsel voorrang op de spelregels volgens de wet.
6.2. Nach den billigen Ermessen eines Dritten en het gesloten stelsel
Gezien de importantie van de regeling § 2048 BGB voluit:
(1) Der Erblasser kann durch letztwillige Verfügung Anordnungen für die Auseinandersetzung treffen.
(2) Er kann insbesondere anordnen, dass die Auseinandersetzung nach dem billigen Ermessen eines Dritten erfolgen soll.
(3) Die von dem Dritten auf Grund der Anordnung getroffene Bestimmung ist für die Erben nicht verbindlich, wenn sie offenbar unbillig ist; die Bestimmung erfolgt in diesem Falle durch Urteil.
Erflater kan blijkbaar niet alleen zelf invulling geven aan de verdeling, maar ook de verdeling aan een derde overlaten. De vraag die meteen opkomt is of een dergelijke Teilungsanordnung ook naar ons huidige erfrecht mogelijk is. Het antwoord hierop vinden we in art. 4:42, waar het ‘gesloten stelsel’ van uiterste wilsbeschikkingen is neergelegd. Alleen wat in de wet de sticker ‘uiterste wilsbeschikking’ krijgt, behoort tot de mogelijkheden. Het overlaten van de verdeling aan een derde behoort niet tot de mogelijkheden.” [↩] - Quasi-wettelijke verdeling als Teilungsanordnung, deel I, p. 228. [↩]
- WPNR 2015/7064, Inleiding. [↩]
- In andere artikelen van Schols & beroepsvrienden, wordt graag geschreven dat derden kunnen en mogen afgaan op handelingen van de executeur. Dat wordt echter veelal als te ongenuanceerd beschouwd, nu een executeur en bewindvoerder een situatieve handelingsbevoegdheid hebben en er nooit grosso modo kan worden aangenomen dat handelingsbevoegdheid bestaat. [↩]
- Het beginsel voor de overgang van de nalatenschap van overledene op de erfgenamen, de automatische en directe overgang van de nalatenschap van overledene op de wettelijke of testamentaire erfgena(a)m(en) en het automatische ontstaan van de goederengemeenschap met de erfgenamen als deelgenoten, stamt uit 1838, “le mort saisit le vif” (saisine regel) en is een verkrijging onder algemene titel. Erfgenamen volgen erflater op in diens vermogensrechtelijke positie, eigendom, bezit en houderschap en alle voor overgang vatbare schulden. [↩]
- Zie het artikel: Testamentaire bewindsclausule op de schop. [↩]
- M. de L. Monteiro, De quasi-wettelijke verdeling over de grens, Estate Planner Digitaal 2015/12. [↩]
- Mr. B.M.E.M. Schols, notaris, De quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’ (I), Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (W.P.N.R.), november 2004 aflevering 6571, citaat p. 228: Het door de erflater in de vorm van een afwikkelingsbewind gegoten verdelingsplan heeft derhalve in tegenstelling tot de beroemde voorganger, de verdeling op grond van art. ‘4:1167’ geen goederenrechtelijke werking.
citaat p. 229: Het feit dat deze regeling gebaseerd is op de wil van erflater, en ook niet te vergeten dat door de werking van art. 4:171 de erfgenamen nagenoeg monddood gemaakt kunnen worden, (…) Bij een afwikkelingsbewind is het immers erflater die spreekt, zij het bij monde van de bewindvoerder. [↩] - Mr. B.M.E.M. Schols (kandidaat-notaris), L’exécuteur-testamentair est mort, es lebe der Testamentsvollstrecker! – Een eerste aanzet om tot een ‘modelregeling’ te komen voor een synthese tussen executele en testamentair bewind, WPNR 1999/6374, p. 745.; mr. Peter Blokland, prof. mr. Wim E. Kleijn, De facultatieve wettelijke verdeling: het redelijke alternatief, tijdschrift Estate Planner, Juni 2007. [↩]
- HR 2 januari 1903, PW 9536. Omdat de verdeling van de nalatenschap bij een testament met bepalingen op grond van het (buitenwettelijke) model quasi-wettelijke verdeling rechtsgeldig alleen tot stand kan worden gebracht door alle erfgenamen, wordt met de verdeling geen rekening gehouden voor heffing van erfbelasting. Recentere jurisprudentie onderschrijft dat de situatie ten tijde van het overlijden het aanknopingspunt is voor heffing van erfbelasting. Gebeurtenissen die zich daarna voordoen, kunnen alleen verdisconteerd via art. 53 SW 1956. Prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeiken, De (quasi)wettelijke verdeling en renteafspraak, WPNR 2023/7421. [↩]
- Prof. mr. W.G. Huijgen, Vraagtekens bij het afwikkelingsbewind, Fiscaal Tijdschrift Vermogen (FTV), 1-11-2004.; Executele en Bewind, Mellema-Kranenburg, Prof mr T. J., Wolters Kluwer, 2021, hoofdstuk H. 39 [↩]
- Dr. mr. J.B. Vegter, Beschouwingen over het bewind in een gemeenschappelijk belang (In het bijzonder het afwikkelingsbewind), W.P.N.R., 23-10-2021 nr. 7344. [↩]
- Dr. mr. J.B. Vegter, Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling, WPNR , 2021-07-31, nummer 7335, p. 587. [↩]
- Hoge Raad ; Arrest hof Amsterdam 2021.
zie: Jarenlang gebruik nietige modelregeling in notariële praktijk kan niet tot rechtsgeldigheid voeren. [↩] - Prof. mr. A.M. de Leeuw, Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (dissertatie) Universiteit Leiden, 2020, promotores prof. mr. Frans Sonneveldt en prof. mr. Allard Lubbers. [↩]
- Maar zelfs daarover bestaan onder erfrechtwerkers misverstanden – het onderwijsniveau in positief erfrecht is echt mager te noemen. [↩]
- Website Koninklijke Notariële Broederschap | Website Nederlandse Organisatie Voor Executeurs (NOVEX) | Website Estate-Planners in het Notariaat. [↩]
- Uiterste wil en onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen, Dr. mr. Nathalie Bauduin, dr. mr. Theo Reijnen, Wolters Kluwer (2021).; Mr. dr. E. van Wijk-Verhage, Werkt het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen in de rechtspraktijk verstarrend? Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (W.P.N.R.), 27 augustus – 3 september 2022 nr. 7381. [↩]
- Zoals hiervoor opgemerkt, is dit grondrecht in deze samenhang in Nederland nog geen onderwerp van de wetenschappelijke discours, buiten de artikelen op deze website. De vraag is binnen het notariaat wel aan de orde gesteld in samenhang met de legitieme portie. [↩]
- 2019-08-01, Vereniging Nederlandse Organisatie voor Executeurs NOVEX |uitgever: Vereniging NOVEX | citaat van notaris De Waij: “Wanneer cliënten mij willen benoemen tot executeur, doe ik dat alleen wanneer ik drie sterren krijg. Ik vind het belangrijk om de nalatenschap volledig te kunnen afwikkelen. Ook wanneer de verdeling van de nalatenschap bemoeilijkt wordt doordat erfgenamen andere wensen hebben”. Opmerking redactie: de notaris gebruikt in het algemeen graag het begrip executeur en niet ‘bewindvoerder’ omdat een notaris zichzelf niet als bewindvoerder mag laten benoemen in een testament waarbij beroepsmatige betrokkenheid bestaat, alleen als executeur (art. 20 Wna). De zelfbedachte naamgeving doet er niet aan af dat een notaris zichzelf niet mag bevoordelen met de aanwijzing in een testament als bewindvoerder. Erfgenamen in nalatenschappen waar De Waij als notaris betrokken was in de advisering, en waar ze na overlijden geld voor de beloning als bewindvoerder aan zichzelf heeft voldaan, kunnen de kosten voor de bewindvoering in beginsel terugvorderen. [↩]
- Prof. mr. S. Perrick, Samenloop bewind en insolventie deelgenoot bij de verdeling van een gemeenschap Tijdschrift Erfrecht jaargang 20, 2019 nummer 3, doi 10.5553/TE/187416812019020003001, issn=1874-1681, pp 49–54 [↩]
- Kamerstuk 3771, nr. 133, Eerste Kamer der Staten-Generaal, zitting 1968-1969, Memorie van Antwoord omtrent het ontwerp van wet tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, p. 59 e.v. [↩]
- Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, issue 32012R0650 [↩]
- Rechtstreekse werking EU-recht en beleid, Kenniscentrum Europa Decentraal. [↩]
- Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 4 2003, Prof. van der Burght c.s., dit boek is niet meer verkrijgbaar, het originele kamerstuk 17141 nr 9 is toegankelijk, link naar authentiek Kamerstuk, pagina 2077 | Noot red.: het citaat in Van den Burght is een klein stukje van een langere tekst uit Kamerstukken II 17141 nr 9 p. 8. Met de Tweede Nota van wijziging, zittingsjaar 1991-1992, wordt, nadat de algemene regeling voor bewind in 1983 uit het ontwerp boek 3 was geschrapt, enkele artikelen uit het geschrapte ontwerp overgeheveld naar het wetsontwerp voor boek 4.[↩]
- Kamerstuk Tweede Kamer 17 141 nr 9, zittingsjaar 1991-1992, Tweede Nota van Wijziging, p. 8, 12, 16, 17. [↩]
- Memorie van toelichting – Invoering Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van nieuw Burgerlijk Wetboek, derde gedeelte (Overgangsrecht) – Parlementaire monitor; Van Mourik in WPNR 2013/7000 [↩]
- Handboek Boedelafwikkeling Redactie: W. Burgerhart, W.D. Kolkman, L.C.A. Verstappen, Walburg Pers, 3 november 2021, pp. 725 e.v., | Noot red.: dit handboek is geschreven voor de doelgroep notariaat, door leden van de ‘community’ en is doorspekt van notarieel jargon. Er staan modellen in voor de notaris, niet voor de nieuwe eigenaren van de nalatenschap. De titel zou derhalve dienen te luiden: Handboek boedelafwikkeling voor het notariaat.[↩]
- Arrest Hoge Raad, 20-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3329, publicatie op rechtspraak.nl [↩]
- Meerdere websites, ook van testament-aanbieders, schrijven dat dit zonder meer mogelijk is na overlijden. [↩]
- Hof Den Haag, 7 augustus 2018, nr 200.180.677/01 (GHDHA:2018:1863), 2018, tijdschrift: Notamail, 21 augustus 2018 [↩]
- Prof. mr. E.A.A. Luijten, prof. mr. W.R. Meijer; De taak van de ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’, Tijdschrift Erfrecht, Februari 2014. [↩]
- karikatuur van persoonlijke website profbernardschols.nl [↩]