HR 09-06-1905 (W 8240) | Hendrikse / Geensen | Historisch mijlpaalarrest erfrecht
Bevoegdheden executeur-testamentair, aard der executele, reikwijdte inperking eigenaarsbevoegdheden erfgenamen, lastgeving
Rechtsregel – Door erfopvolging verkrijgen erfgenamen de goederen van de nalatenschap bij overlijden van erflater in eigendom, deze rechten kunnen door benoeming van een executeur testamentair met het recht van bezit worden beperkt; ten aanzien van de bezitsverkrijging (art. 1054 OBW) en ten aanzien van het recht op de goederen (art. 1059 OBW). Dit gevolg van de executeursbenoeming reikt echter niet verder dan de kring van bevoegdheden, welke in de desbetreffende wetstitel (artt. 1052 v.v. OBW) worden aangewezen als vatbaar om door de erflater aan de uitvoerder van zijn uiterste wil te worden verleend.
1. Samenvatting arrest
Dit is hèt historische standaardarrest van de Hoge Raad der Nederlanden over de bevoegdheden die de erflater rechtsgeldig in een testament aan de executeur testamentair (uitvoerder van de uiterste wil) kan geven en over de reikwijdte van de beperkingen die het executeurschap voor erfgenamen meebrengt. Het was van begin af aan opgenomen in de jurisprudentiebundel van prof. mr. H.R. Hoetink, in samenwerking met de grote jurist prof. mr. E.M. Meijers. Het arrest is niet opgenomen in de binnen het notariaat veel aangehaalde proefschrift van prof. mr. Bernard Schols over de executeur, waarin eveneens een theorie wordt behandeld voor privatieve lastgeving in een testament als grondslag voor – nu nog – buitenwettelijke bevoegdheden.1 Dat moet als ommissie worden beschouwd, of de promovendus deed aan onwetenschappelijk selectief winkelen…
Volgens dit arrest van de Hoge Raad beperkt de benoeming van een uitvoerder van de uiterste wil de rechtsbevoegdheid van de erfgenamen ten aanzien van de bezitsverkrijging, geregeld in artikel 1054 BW (oud) (OBW) en van het recht op de goederen (art. 1059 OBW). De benoeming kan de erfstelling echter niet zózeer beperken in haar werking, dat de executeur bevoegd wordt verklaard de goederen, welke de erfgenamen hebben verkregen en aan hen moeten worden verantwoord, om te zetten in geld. Een dergelijke bevoegdheid is niet te rijmen met de artt. 1055 en 1059 OBW. De testamentbepaling, welke de executeur opdraagt om, na inbezitneming van het vermogen, dit aan de erfgenamen te verantwoorden anders dan in natura, is in strijd met de aard der executele. Zij moet voor niet geschreven worden gehouden.2 Deze rechtsregel wordt beschreven als het grondbeginsel dat bepalingen in een testament het erfgenaamschap niet kunnen ‘denaturaliseren’.
De Hoge Raad besliste hiermee in een toendertijd al decennia bestaande discussie onder rechtsgeleerden over de betekenis van artikel 1061 OBW en de mogelijkheid beperkingen van het erfrecht te omzeilen door in een testament privatieve lasten op te nemen. Een kort verslag daarvan vonden we in een historische uitgave van het WPNR.
2. Discussie rechtsgeleerden
Onder rechtsgeleerden was discussie ontstaan over de betekenis van artikel 1061 OBW. Artikel 1060 OBW en art. 1061 OBW aanhef bepaalden:
De uitvoerders die het bezit van de nalatenschap hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeischbaar zijn.
Zij hebben geene bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkoopen , ten einde dezelve in staat van scheiding en deeling te brengen,
Wetgever was bij de parlementaire behandeling van het toenmalige wetsvoorstel gevraagd of erflaters aan de executeurs een uitgebreidere macht zouden mogen geven dan de wet hun toekent. De vraag werd door de Tweede Kamer ontkennend beantwoord.3 Er was vervolgens onder de rechtsgeleerden discussie ontstaan, of 1061 OBW enkel beslist dat de executeur niet van zelf de bevoegdheid heeft om te verkoopen, dat het in staat van scheiding brengen niet van zelf tot de taak van de executeur behoort, maar niet beslist, of een en ander hem niet door den erflater kan worden opgedragen.
2.1 Testeervrijheid
De argumenten van juristen die zulke testamentaire bepalingen als geldig beschouwden, kwamen er in het kort op neer dat de erflater, die vrij over de goederen mag beschikken, op dat moment ook mag bepalen dat zij verkocht zullen worden en à fortiori iemand speciaal met de verkoop belasten. Een dergelijke bepaling bevat niets, wat tegen de wetten of de goede zeden strijdt. Het handboek Asser betoogde dat de erflater het vermogen niet behoort te bezitten om door middel van uitvoerders van de uiterste wil zich te bekommeren over de wijze waarop de erfgenamen uit de onverdeeldheid wensen te raken (§ 548). De bedoelde bevoegdheid van de executeur zou in strijd zijn met de algemene rechtsbeginselen.
2.2 Privatieve lastgeving?
Een van de twee grote commentatoren uit die tijd, Gerard Diephuis, kwam tot de volgende redenering. Bij gebreke aan een stellige wetsbepaling, waarop de uitvoerder zijn bevoegdheid in deze zou kunnen gronden, zou hij tot zodanige verkoop van goederen die zijn eigendom niet zijn, geen bevoegdheid kunnen hebben dan uit kracht van lastgeving van de erflater. Maar deze kan hem die bevoegdheid niet verschaffen, omdat alle lastgeving volgens art. 1450 B.W. (oud), eindigt met de dood van de lastgever. Men voere hiertegen niet aan, dat het uitvoerderschap niet met een lastgeving kan gelijk gesteld worden, en dat het eerst na de dood van erflater kan werken; hieruit volgt alleen dat de wettelijke bevoegdheid van de uitvoerder door de dood van erflater niet wordt opgeheven, maar niet, dat de uitvoerder ook uitgestrekter bevoegdheid gegeven moet kunnen worden dan hem bij de wet is toegekend. De betrekking en de bevoegdheid van de uitvoerders zijn bij de wet geregeld. Concluderend dat de stelling niet gewaagd kan worden gevonden, dat alles wat buiten de kring dier wettelijke bevoegdheid gelegen is, ook in de bijzondere wetsbepalingen aangaande uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, geen grond kan vinden, maar blijft wat het zonder haar uit zich zelf is. Het blijft dus lastgeving, en als zodanig hier zonder kracht.
De Hoge Raad maakte in dit arrest de redenering van Diephuis tot de zijne en maakte zo een einde aan het twistpunt over de reikwijdte van art. 1061 BW (oud).
Onder rechtsgeleerden werd dit beginsel aangenomen. In de praktijk van de notaris werd desalniettemin verder gewerkt met ‘oprekkende’ bepalingen, maar de door de Hoge Raad gegeven begrenzing ‘aard van de executele’ werd in blik gehouden. Executeurs kregen de bevoegdheid van ‘vereffenaar’, een taak die betrekking had op de voldoening van schulden, doordat legaten werden voldaan, voor zover niet aan deelgenoten vermaakt, en schuldeisers (niet tevens deelgenoot zijnde) werden betaald. En ze kregen een beredderende taak, die van oudsher in veel gewesten aan de schulduiter toekwam: opruimen van het sterfhuis, correspondentie sorteren, goederen aan gerechtigden teruggeven. Het ging om niet geldswaardige zaken, inclusief de sentimentele imponderabilia (goederen met emotionele waarde).4 Aan het eind van de vorige eeuw houden de notarieel rechtsgeleerden in Pitlo-Van der Burght nog steeds het beginsel als hoofdlijn aan: uitbreidingen zijn mogelijk mits de aard van de executele niet uit zijn voegen wordt getrokken.5
2.3 Privatieve lastgeving, de erfrechtelijk executeur-bewindvoerder en het huidige erfrecht
Tijdens de parlementaire behandeling van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, Boek 4 (erfrecht), lopend van de vijftiger jaren tot de eeuwwisseling, knoopt wetgever bij dit beginsel aan als het gaat om de uitbreiding van bevoegdheden bij testament van de testamentair bewindvoerder als bedoeld in art. 4:171 BW. De uitbreidingen moeten binnen het wezen van de rechtsfiguur bewind blijven.
In de parlementaire geschiedenis kwam ook het leerstuk van privatieve lastgeving door de erflater ter sprake in samenhang met het ontwerp van artikel 4:4 BW:6
Belangrijker voor de praktijk is dat het eerste lid van het onderhavige artikel ook de zgn. privatieve clausules in testamenten nietig verklaart, voor zover deze de strekking hebben om de bevoordeelde te belemmeren in zijn vrijheid om enige erfrechtelijke bevoegdheid, hem als bevoordeelde krachtens Boek 4 toekomende, al dan niet uit te oefenen.
Wetgever verklaarde dus dat privatieve clausules niet als omweg zouden kunnen worden gebruikt, om dat wat niet is toegelaten binnen de uiterste wilsbeschikkingen alsnog bij testament te regelen. Met uitzondering van de cautio Socini, die de Hoge Raad onder het oude recht toelaatbaar achtte.7
De Hoge Raad achtte het in 2015 onder omstandigheden toelaatbaar dat een zogenaamde ‘Cautio Socini’ in een testament wordt opgenomen, maar overwoog dat art. 4:4 lid 1 BW meebrengt dat een erflater met een testamentaire bepaling een erfgenaam niet de vrijheid kan ontnemen om een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid uit te oefenen:8
Voor zover bedoeld verzet berust op de uitoefening van erfrechtelijke bevoegdheden stuit het inroepen van de sanctie dan ook af op het bepaalde in art. 4:4 lid 1 BW.
3. Voorafgaand: arrest Blaauboer / Berlips, goederenrecht vs verbintenissenrecht
In hetzelfde jaar werd ook het beroemde standaardarrest Blaauboer/Berlips gewezen: HR 3 maart 1905, W 8191, ECLI:NL:HR:1905:1. De wet maakt onderscheid in verkrijging van goederen onder algemene titel en onder bijzondere titel. Erfopvolging is het meest voorkomende geval van verkrijging onder algemene titel. Verkrijging onder bijzondere titel gebeurt door overdracht, door verjaring en door onteigening, en op de overige in de wet aangegeven wijzen van rechtsverkrijging. De Hoge Raad besliste daar dat het recht op een goed principieel iets anders is dan een jegens een bepaalde persoon uit te oefenen recht. In dit arrest trekt de Hoge Raad de lijn consequent door tot privatieve lastgeving in het erfrecht.
De Hoge Raad overwoog daar: … ↓ klik om verder te lezen
“dat in het arrest, ten voordeele der daar aan artikel 1354 gegeven uitlegging, de aandacht wordt gevestigd op de omstandigheid, dat op erfgenamen zoowel de verplichtingen als de rechten van den erflater overgaan en dat dit daarom nu ook moet gelden van de rechtverkrijgenden, die in dit artikel met erfgenamen op ééne lijn worden gesteld;
dat echter bij de beoordeeling van het gewicht aan deze omstandigheid toe te kennen niet mag worden uit het oog verloren, dat de verbintenissen van den erflater op de erfgenamen overgaan niet op grond van artikel 1354, maar omdat erfgenamen zijn ‘’en quelque façon la continuation de nous-memes’’, zooals Pothier, n° 61 zegt, die in overeenstemming daarmede, het bedingen voor of zich verbinden van zijne erfgenamen als geene wezenlijke uitzondering op het beginsel, thans in artikel 1351 van het Burgerlijk Wetboek uitgedrukt beschouwt;
dat dan ook de vermelding in artikel 1354 van de erfgenamen hoofdzakelijk de strekking heeft, de uitzondering vast te stellen: te weten, dat het tegendeel uitdrukkelijk mag bepaald worden en wordt aangenomen, als het uit den aard der overeenkomst voortvloeit; waarbij opmerkelijk is, dat die uitzonderingen, bij Pothier in n° 63 vermeld, daar alleen betreffen hetgeen de erflater had bedongen, niet datgene, waartoe hij zich had verbonden;
dat, waar nu ook die uitzonderingen geene bijzondere vermelding in de wet behoefden, aan artikel 1354, voor zooveel betreft de erfgenamen geene bijzondere beteekenis kan worden toegekend, maar dan ook eene gevolgtrekking van de erfgenamen tot de rechtverkrijgenden, de rechtsopvolgers krachtens bijzonderen titel in eene zaak, ten aanzien van wie het artikel wel beteekenis heeft, omdat het in elk geval bevoegdheid heeft, omdat het in elk geval bevoegdheid geeft, bedingen te hunnen behoeve te maken, te gewaagd is, om haar geoorloofd te kunnen achten”
4. Casus
Een bij testament benoemd executeur-testamentair, J. Th. Hendrikse, deurwaarder en kassier, wonende te IJzendijke, verkoopt onroerend goed om aan de uiterste wil van erflaatster te voldoen. De erfgenaam, P. J. Geensen, koopman, wonende te IJzendijke, verweerder, roept de nietigheid in op grond van ongeldigheid van de bij testament gegeven opdracht. Rechtbank en Hof bevestigen.9 De executeur en de koper komen in cassatie en voeren aan:
Schending of verkeerde toepassing van de artt. 625, 639, 921, 922, 923, 926, 931, 932, 933, 934, 935, 943 en 1052 tot en met 1069 B. W, door te beslissen, dat de wet aan een erflater, die sterft zonder legitimarissen na te laten, niet veroorlooft aan de uitvoerder zijner uiterste wilsbeschikkingen, buiten de gevallen bij de artt. 1059 en 1061 van gemeld Wetboek vermeld, de bevoegdheid op te dragen om de goederen der nalatenschap, zo roerende als onroerende, te verkopen en op grond van die met de wet strijdige beslissing te bevestigen de uitspraak van de eersten rechter, waarbij nietig verklaard is de tussen de beide eisers in cassatie wettig tot stand gekomen openbare verkoop van een tot de nalatenschap, waarin de eerste eiser in cassatie executeur-testamentair was, behorend onroerend goed.10
4.1 Vaststaande feiten, zoals opgenomen in het arrest
“De Hooge Raad, enz.;
O. dat door het bestreden arrest en hetgeen daarin is overgenomen uit het vonnis des eersten rechters de volgende punten in cassatie vast staan:
1°. dat aan den eersten eischer in cassatie door bovengenoemde erflaatster, behalve het executeurschap in hare nalatenschap en de bij art. 1054 B. W. omschreven inbezitneming daarvan was gegeven de macht en de last om de goederen en effecten der nalatenschap te verkoopen en het zuiver saldo daarvan binnen een jaar na haar overlijden aan den door haar gestelden erfgenaam uit te keeren;
2°. dat hij, ter uitvoering van deze opdracht, een tot die nalatenschap behoorend onroerend goed in het openbaar aan den tweeden eischer in cassatie heeft verkocht en daarna geleverd, ofschoon 2 dagen vóór den verkoop hier tegen protest en verzet bij exploit was gedaan door den verweerder in cassatie als voogd van den testamentairen erfgenaam;
3°. dat die verweerder in zijne hoedanigheid tegen de twee eischers in cassatie heeft ingesteld eene rechtsvordering tot nietigheid van de handeling, gegrond op de ongeldigheid der onder 1°. vermelde opdracht;
4°. dat de aldus bestreden verkoop door den executeur is geschied alleen omdat hy dien noodig achtte ter voldoening aan bovenvermelden wil der erflaatster en geenszins om gemaakte legaten te kunnen uitkeeren of om tot scheiding en deeling der nalatenschap te kunnen geraken;
5°. dat het Hof, bevestigend de toewijzing in eersten aanleg van den eisch tot nietigverklaring, heeft aangenomen dat de erflaatster heeft gehad de vrije beschikking over hare goederen en ook niet verplicht was, om aan den persoon, tot haren eenigen erfgenaam benoemd, iets, hoe gering ook, na te laten;”
4.2 Hoge Raad, rechtsoverwegingen en beslissing:
“O. dat het Hof zich bij zijn arrest te recht heeft gesteld op het standpunt, dat het niet de vraag is, of een in zijne beschikkingen volkomen vrije testateur rechtsgeldig kan teweegbrengen, dat iemand na zijn overlijden de nagelaten goederen niet anders zal bekomen dan nadat deze te gelde zijn gemaakt, maar of deze begeerte wettiglijk bereikt kan worden door eene opdracht aan den aangestelden executeur, als hier gegeven en uitgevoerd is, en de beantwoording dier vraag daarvan afhankelijk heeft gesteld, of de wet bij het scheppen der executeele de bevoegdheid tot verkoop van het erfgoed daaraan heeft v e r b o n d e n of, indien niet, heeft t o e g e l a t e n, om aan den uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen die niet in de wet opgenomen bevoegdheid op te dragen;
O. hieromtrent, dat naar de wet erfgenaamschap voor den erfgenaam teweegbrengt rechtsopvolging, door voortzetting der vermogensrechtelijke persoonlijkheid des erflaters in het geheel of een evenredig gedeelte van de door diens overlijden ontruimde goederen, met onmiddellijke bezitsverkrijging van al wat zijn vermogen heeft uitgemaakt;
O. dat het gebruik van de door de wet toegekende bevoegdheid, om de aanstelling van eenen executeur gepaard te doen gaan met eene erfstelling, voor den erfgenaam beperking kan medebrengen in die rechtsbevoegdheid; ten aanzien van de bezitsverkrijging blijkens art. 1054 en ten aanzien van het recht op de goederen blijkens art. 1059 B. W.; dat echter dit gevolg der executeursbenoeming niet verder reikt dan de kring van bevoegdheden, welke in den des betreffenden wetstitel worden aangewezen als vatbaar om door den erflater aan den uitvoerder van zijnen uitersten wil te worden verleend;
dat alzoo de aanwijzing van eenen executeur met aan diens aanstelling verbonden opdrachten eene gedane erfstelling niet zoover kan beperken in hare werking, dat die aanstelling den executeur kan bevoegd maken om de goederen, die de erfgenaam heeft verkregen en aan hem verantwoord moeten worden, om te zetten in geld; dat immers zoodanige bevoegdheid zich niet laat rijmen met de artt. 1059 en 1055 B. W., uit welke beide duidelijk blijkt, dat als de erfgenaam zorgt voor de uitkeering der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, hij tot zijne vrije feitelijke en rechtskundige beschikking moet vinden het goed zelf – zij het wellicht bezwaard met testamentaire lasten – waarin hij den
erflater opgevolgd heeft;
dat dus in deze de testatrice, tot het erfgenaamschap roepende P. J. Geensen, aan de benoeming van eenen uitvoerder dezer uiterste wilsbeschikking niet rechtsgeldig kon verbinden de opdracht aan laatstgenoemden om, na inbezitneming van haar vermogen, dit aan Geensen te verantwoorden in eene andere gedaante dan in natura; dat zij, hare vrijheid van beschikken willende benutten, om aan dien persoon slechts contanten te doen toekomen, dit niet vermocht door eenen last gaande buiten, ja tegen hetgeen de aard der executeele en hare wettelijke werking medebrengen, en daarom die testamentsbepaling overeenkomstig art. 935 B. W. voor niet geschreven moet worden gehouden.
dat, waar dit laatste het geval is, te recht nietigverklaring van den tusschen de eischers in cassatie voltrokken verkoop en koop is gevorderd en het cassatiemiddel is ongegrond;
Verwerpt het beroep en veroordeelt de eischers inde kosten van cassatie.”11
Zie ook:
► Standaard arrest erfrecht, Hoge Raad 21 november 2008
► Standaard arresten erfrecht, Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38 en ECLI:NL:HR:2013:39
5. Toelichting redactie
Dit arrest is opgedoken bij eigen zoekwerk in archieven. Het gold in universitair onderwijs en handboeken onder de oude wet erfrecht als standaardarrest en is tot nu toe (stand maart 2025) niet achterhaald door een arrest met een andere strekking. Maar de jurisprudentie is niet betrokken in onderwijs en theorievorming rondom de moderne executeur en is niet opgenomen in de veel aangehaalde dissertatie over de executeur van oud-notaris en belastingkundige, thans deeltijdprofessor Successierecht mr. Bernard Schols.12 De Hoge Raad besliste hier in de toentertijd gevoerde discussie over de mogelijkheid om privatieve lastgeving in een testament te gebruiken om effecten te bereiken die het erfrecht niet bood.
Deze theorie hield kort samengevat in, dat men bij testament bij wijze van opdracht of last aan de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen rechtsgeldig meer bevoegdheden kon toekennen dan uitdrukkelijk door de wet geboden. De Hoge Raad overwoog dat dit buiten, en zelfs tegen de aard der executele en haar wettelijke werking ingaat en dat daarom zulke testamentsbepalingen overeenkomstig art. 935 OBW voor niet geschreven moeten worden gehouden.
Interessant in deze samenhang is dat het historische denkmodel van de lastgeving als mogelijkheid om de wettelijk gegeven bevoegdheden bij testament uit te breiden, in de dissertatie van Bernard Schols uit 2007 weer van stal wordt gehaald, zonder vermelding van de historische discussie, zonder vermelding van het arrest van de Hoge Raad. Het is juridisch en wetenschappelijk onaannemelijk dat noch Schols, noch zijn promotor, noch de leden van de manuscriptcommissie de discussie en het arrest niet kenden. Het was opgenomen als standaardarrest in de bekende handboeken.13
Hoewel het arrest is gewezen onder het oude recht, is tot hernieuwde publicatie besloten, omdat in Nederland vooral door belanghebbende beroepsgroepen breed wordt gepropageerd dat de bevoegdheden van de executeur bij testament zouden kunnen worden uitgebreid op basis van het leerstuk van de opdracht, meer specifiek dat van privatieve lastgeving. Aldus de theorie uiteengezet in de dissertatie van Bernard Schols. Dat is volgens het positieve recht niet zo, en er is ook geen stellige rechtsregel bekend uit bestendige hogere jurisprudentie die op deze mogelijkheid wijst. Met publicatie van dit arrest wordt op een eenvoudige manier aangetoond dat de rechter onder het oude recht niet toeliet om de bevoegdheden van de executeur bij testament uit te breiden buiten de wettelijke kaders. De verbintenisrechtelijke last legde het af tegen het sterkere goederenrechtelijke recht van eigendom. De rechtersregel is gecodificeerd en de wettelijke regel is bevestigd door de Hoge Raad onder het huidige recht.
Aan de theorie van de privatieve lastgeving als juridisch fundament onder de zelfstandig verdelende afwikkelingsbewindvoerder kan daarom geen al te grote kans van slagen worden toegekend als het zou komen tot een gerechtelijke procedure over de rechtsgeldigheid van testamentaire bepalingen die daarop zijn gebaseerd. Iets wat elke kandidaat-notaris en estate planner moet weten.
Een verder belang in publicatie is gelegen in de duiding van de Hoge Raad, wat de regel van de saisine inhoudt en wat de reikwijdte is van de beperkingen die de benoeming van een executeur kan meebrengen voor de erfgenamen.
Uit dit standaardarrest blijkt dat de aan de executeur onder oud recht gegeven wettelijke bevoegdheden niet bij testament konden worden uitgebreid. Toch weerhield het arrest notarissen er ook toen niet van, door te gaan met de staande praktijk om buitenwettelijke bevoegdheden voor de executeur in testamenten op te nemen. Vaak werd een andere notaris van hetzelfde kantoor benoemd tot executeur-testamentair. Men ging ervan uit dat veel erfgenamen van dit arrest niet op de hoogte waren, en daarom niet in actie zouden komen wanneer het notariskantoor na overlijden ook het werk uitvoerde dat voort kon komen uit buitenwettelijke opdrachten en lasten in een testament en de werkzaamheden bij de erfgenamen in rekening bracht. De notaris ging er gemakshalve van uit dat erfgenamen vrijwillig met de handelingen akkoord gingen.
ScholsBurgerhartSchols, de KNB, Wolters Kluwer, Praktijkgenerator en andere modellenboekmakers nemen een zeker risico, door gebruikers van hun modellen er niet op te wijzen dat het instrument van de privatieve lastgeving als sluiproute door de Hoge Raad is afgekeurd. Temeer nu andersom de indruk wordt gewekt dat gebruik van de modelregeling ‘kan’ zolang de Hoge Raad het niet verbiedt.
6. Notariële praktijk onder huidig erfrecht
Ook onder het huidige recht nemen veel notarissen daadwerkelijk buitenwettelijke bepalingen in testamenten op, zonder de kanttekening dat het geen geldend recht is. Ook worden dergelijke bepalingen door de notaris na overlijden zonder kanttekening overgenomen in verklaringen van erfrecht en executele. Samen met de breed uitgerolde communicatiecampagne dat de driesterrenexecuteur de nalatenschap mag verdelen, faciliteren KNB, de afzonderlijke notariskantoren en notarissen op deze manier, dat in de praktijk buitenwettelijke bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend, ten nadele van de rechthebbenden, de erfgenamen.
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) speelde een – partijdige – rol aan de zijde van notaris en executeur, opkomend tegen erfgenamen, in een zaak die in 2006 speelde voor de rechtbank Den Haag.14 Het vonnis is niet gepubliceerd, maar (partijdig) besproken in de bedrijfsnieuwsbrief van b2b-adviesbureau estate planning ScholsBurgerhartSchols.15 Het vonnis viel uit in het voordeel van notariaat en executeursbranche, ten nadele van de belangen en rechtspositie van erfgenamen. Op basis van een advies dat op verzoek van de passerend notaris was geschreven in opdracht van de KNB. De erfgenamen brachten een advies in van prof. Pim Huijgen.
De kantonrechter draagt ook een steentje bij aan de inzet van de bewindvoerder als generalissimo. En wel in zaken waar een vervangend executeur moet worden benoemd, of testamentair bewindvoerder. Zonder commentaar worden de bevoegdheden uit het testament overgenomen. Erfgenamen en hun advocaten doen er goed aan de rechter op de discrepanties te wijzen.
Een grenzenoverschrijdende executeur die door erfgenamen op het matje werd geroepen en advies had gevraagd bij B. Schols, wapperde met de beschikking van de kantonrechter waar hem deze rechten rechtsgeldig waren toegekend, aldus zijn redenering.
► zie: Afschrikbewindvoerder en eigensomsrecht – rol van de notaris
► Naar lijst standaardarresten erfrecht
Nieuwste artikelen in erfrechtblog ‘Lang leve de nalatenschap‘
-
Leden organisatie voor executeurs NOVEX vaak niet opgeleid in vermogensbeheer
De executeur uit het nieuwe Nederlandse erfrecht (2003) heeft als belangrijkste taak het beschermend beheer van de erfenis en voldoening van in de wet genoemde schulden. Een functie met grote verantwoordelijkheid. Maar professionals zijn vaak onvoldoende opgeleid. In dit artikel de zorgwekkende resultaten van een verkennend onderzoek.
-
Testamentaire bepalingen die worden betwist, mag notaris niet opnemen in Europese erfrechtverklaring
Nadat er iemand overlijdt, is vaak een akte van erfrecht nodig van de notaris. De notaris controleert allerlei zaken voordat de akte kan worden afgegeven. Is er een testament en worden bepalingen daaruit betwist, kan de verklaring niet worden opgemaakt.
-
Nul sterren voor de NOVEX-executeur
In de praktijk blijkt er niet veel te kloppen van de opgeklopte verhalen over de beroepsorganisatie voor executeurs, NOVEX. De voorzitter spreekt in de media over een keurmerk. Maar in de jaarvergadering bekent het bestuur op kritische vragen dat het niets van haar leden weet. Oppassen dus wie u in een testament benoemt!
-
Volmacht afgeven aan een derde om erfenis af te wikkelen? Denk na over zeggenschap!
Afwikkelen en verdelen van een nalatenschap na overlijden van de erflater is het recht en de plicht van de gezamenlijke erfgenamen. Het kan verstandig zijn het werk (gedeeltelijk) over te laten aan een professional. Daarvoor wordt in de regel een ‘boedelvolmacht’ afgegeven. In deze overeenkomst kan van alles worden vastgelegd. Denk er daarom altijd even…
-
Zorgplicht notaris bij onzorgvuldig handelende testamentair executeur
Een beheersexecuteur erfrecht verkocht een woning die deel uitmaakte van de erfgemeenschap. Hij wil deze als vertegenwoordiger van de erfgenamen leveren aan de koper, maar een erfgenaam maakt bezwaar. Hoe hoort een notaris dan te handelen? In oktober 2025 gaf de hoogste tuchtrechter een richtlijn die voor erfgenamen een zekere vorm van bescherming kan gaan…
-
Heersende leer over ‘executeur – afwikkelingsbewindvoerder’?
In de discussie over rechtsgeldigheid of nietigheid van bepalingen in een testament voor een zelfstandig verdelende testamentair bewindvoerder, duikt steeds weer de term ‘heersende leer’ op. Onlangs ook in een arrest van het Gerechtshof Den Bosch. Waar komt dit vandaan? Wat betekent het? Wie bepaalt dat en klopt het eigenlijk (nog) wel?
-
Voorbeeld brief inroepen nietigheid bepaling in testament (executeur – bewindvoerder)
Testamenten bevatten vaak bepalingen over bevoegdheden van een executeur of testamentair bewindvoerder die de wet niet kent. Veel mensen denken of vinden dat met hulp van art. 4:171 BW juridische eigendomsverhoudingen kunnen worden doorkruist. Is een erfgenaam het daar niet mee eens, kan (pro forma) de nietigheid worden ingeroepen van de testamentaire bepalingen. Hieronder als…
-
Niet eens met bepalingen in testament over afwikkelingsbewindvoerder? Hier enkele mogelijkheden
Veel testamenten bevatten bepalingen voor een ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ met als bevoegdheid de nalatenschap na overlijden zelfstandig af te wikkelen en te verdelen, zonder instemming van de erfgenamen. Juridisch gezien is dit onmogelijk. Wat kan een erfgenaam doen die zelf wil meebeslissen in de verdeling; niet alles wil verdelen of het eigen aandeel wil verkopen of schenken?
-
‘Als erfgenaam zul je de nalatenschap moeten aanvaarden’, schrijft een notaris. Dit is onjuist!
In Nederland is het niet verplicht een erfenis te accepteren; iedere erfgenaam mag een eigen keuze maken 1. Inleiding Over het erfrecht in Nederland bestaan veel misverstanden. Vaak wordt de verwarring gesticht door aanbieders van zakelijke dienstverlening in het erfrecht, zoals notariskantoren, nalatenschapsplanners of executeurs. De geboden informatie is er niet in de eerste plaats…
-
Iedereen mag zich erfrechtspecialist noemen – zonder opleiding, accreditatie of toezicht
Omgang met een erfenis kan een emotioneel beladen en ingewikkeld proces zijn. Groeiend probleem in Nederland is het vinden van een gekwalificeerd erfrechtspecialist die daarbij kan ondersteunen. In dit artikel uitleg over de situatie en tips voor het vinden van een wasechte deskundige.
-
Zelf een codicil schrijven om spullen in huis na te laten
Codicil is in het erfrecht een zelfgeschreven document waarin wensen worden vastgelegd voor het vermaken van de spullen in huis. Dit klinkt misschien ouderwets, maar kan handig zijn. Het kost niets en is snel te veranderen.
-
Oefenvragen modeltestament driesterrenexecuteur
Vraag 1. Wat is het doel van een modelregeling in de notariële praktijk? A. Het beperken van de rol van notarissen tot enkel administratieve taken. B. Het creëren van flexibele richtlijnen die kunnen worden aangepast naargelang de omstandigheden van een individueel geval. C. Het aanpassen of afschaffen van bestaande wet- en regelgeving rondom executeurs. D.…
-
Cursus ‘Erfrecht in één dag’? Te mooi om waar te zijn!
Erfrecht is een groeimarkt en er worden allerlei cursussen aangeboden. Maar dit vak leer je niet in een stoomcursus van een dag, ook niet van een professor. Onze analyse: men belooft gouden bergen, trap er niet in!
-
Executeur doet niets? Twintig acties om afwikkeling erfenis in beweging te brengen
In het nieuws is een erfenis die al tien jaar niet wordt afgewikkeld. Men wijst naar de executeur die weinig doet, maar niemand grijpt in. Met deze acties kunnen erfgenamen en andere belanghebbenden als de gemeente in een vergelijkbare situatie de afwikkeling vlot trekken.
-
Procederen in het erfrecht – veel valkuilen, weinig kennis
Procederen in zaken over erfrecht is gecompliceerd. Ook doorgewinterde advocaten hebben niet altijd de benodigde kennis en vaardigheden paraat. Het gaat om het procesrecht en het materieel recht. Daardoor gaan jaarlijks miljoenen verloren voor erfgenaam, legitimaris, legataris en schuldeiser. De advocatuur verdient. Een analyse.
- Mr. B.M.E.M. Schols, Van exécuteur-testamentair tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder (dissertatie) Nijmegen 2007 [↩]
- Opgenomen in: H.R. Hoetink, Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 461, 462, met voorwoord Meijers, en in Cremers, Arresten Burgerlijk Recht, beide online beschikbaar gemaakt door Delpher. [↩]
- Zie: Is de bepaling in een testament, dat de executeur de onroerende goederen zoowel als de roerende moet te gelde maken, en de opbrengst verdeelen, geldig, wanneer er alleen meerderjarige erfgenamen in de zijlinie zijn?, Weekblad voor het Notaris-ambt en Registratie, eerste jaargang (1870) nr. 12, p. 94, 95 met verwijzing naar Voorduin IV, blz. 214. Tijdschrift ter beschikking gesteld door Google via Delpher: “Onder de vraagpunten van stellige wetgeving die aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal werden voorgesteld ten einde met hare zienswijze bekend te worden voordat tot eene definitieve redactie werd overgegaan, behoorde ook de vraag of de erflaters aan de executeurs eene uitgebreider magt zouden mogen geven dan de wet hun toekent. De vraag werd door de Tweede Kamer ontkennend beantwoord. (Zie Voorduin IV , bl. 214 en volgg. ).” [↩]
- Pitlo-Van der Burght, vijfde druk – bijzonder hoogleraar mr. G. van der Burght (leerstoel gefinancierd door de Stichting ter bevordering van de Notariële Wetenschap) bewerkte het boek sinds 1977 solitair. [↩]
- Reinhartz in Compendium Erfrecht, nr. 206 (editie 2022). [↩]
- Kamerstukken Tweede Kamer, 1962-1963, 3771, nr. 6, p. 4 en 5. [↩]
- Aldus bijzonder hoogleraar Notarieel recht Fons Stollenwerck (leerstoel gefinancierd door Stichting ter bevordering der Notariële Wetenschap) en oud-voorzitter Wetenschappelijk Bureau KNB Guus Stille, in de rol van Raadsheer (plaatsvervanger) Gerechtshof Den Haag in het arrest van 11 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1253. Van der Grinten betoogde juist dat de Hoge Raad met zijn arrest … 1985 (?) anticipeerde op het verlies aan belang van de cautio Socini onder het nieuwe erfrecht, nu de aanspraak op de legitieme een geldvordering op de erfgenamen zou worden. [↩]
- HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3329 [↩]
- Hof te ‘s-Gravenhage, 14 november 1904. [↩]
- Advocaten: voor eiser: mr. C. J. de Vries, voor verweerder mr. I. B. Cohen. [↩]
- Teksten arrest opgenomen in ‘Arresten over burgerlijk recht’, verzameld en uitg. door H.R. Hoetink, met een voorwoord van E.M. Meijers. 7e herziene druk 1949, Tjeenk Willink, nr. 44. Ook opgenomen in ‘Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten’ (1948), p. 461, beide boeken online beschikbaar gemaakt door Delpher. [↩]
- Overzicht jurisprudentie p. 666 dissertatie. Het arrest kan eigenlijk door hem niet over het hoofd zijn gezien, en zo ja, zou dat een indicatie kunnen zijn voor een te ongestructureerde manier van werken. [↩]
- Mogelijk had Schols onvoldoende argumenten in de hand om de argumenten van de Hoge Raad (en achterliggend die van de waarlijk grote rechtsgeleerden Asser en Diephuis) te pareren. Is het weglaten van dit standaardarrest, en het vermijden erop te reflecteren, onder te brengen bij de manier van wetenschap bedrijven die Schols typeert als ‘vrolijke wetenschap? Wij zien het als een wezenlijke omissie.[↩]
- ‘Tamelijk onverkwikkelijk’: gelet op de doelstelling van de KNB het publiek (belang) te dienen. [↩]
- Schols, B.M.E.M., Derde ster in rechte (Rechtbank Den Haag 11 oktober 2006). EstateTip Review 2006-40. [↩]














