Onafhankelijke informatie over recht en rechtsonzekerheid rond de nalatenschap, voor en na overlijden | Testament of codicil maken? Erfenis of legaat gekregen? Onterfd? Nalatenschap beheren, afwikkelen en verdelen? Dit kennisplatform werkt aan vrij toegankelijke, goed onderbouwde informatie over het Nederlands erfrecht.
Standaard arresten erfrecht
Standaard arresten erfrecht

Standaard arresten erfrecht

Standaard arresten erfrecht: samenvattingen en besprekingen | Belangrijke jurisprudentie als rechtsbron voor bestudering, vorming en toepassing van het Nederlands erfrecht

Opmerking: aan deze pagina wordt voortdurend gewerkt.
Tips, wensen, missende uitspraken en aanvullingen welkom!1

HR 23-06-1843 (W. 409) | Vordering op nalatenschap instellen tegen erfgenamen

De vordering op een nalatenschap moet worden ingesteld tegen de erfgenamen, niet tegen den executeur. Indien hij het recht van inbezitneming heeft, bezit hij het goed van anderen krachtens een speciaal mandaat. Onder hem kan derden beslag worden gelegd.2

Noot redactie – deze rechtsregels is door invoer van het huidige erfrecht wezenlijk veranderd. De moderne executeur vertegenwoordigt de erfgenamen bij uitoefening van zijn*haar taken in en buiten rechte.

HR 09-06-1905 (W. 8240) | Hendrikse / Geensen

Aard der executele, bevoegdheden executeur, inperking eigendomsrecht erfgenaam. De bevoegdheden van de executeur-testamentair kunnen door erflater in een testament niet worden uitgebreid buiten de kring van bevoegdheden hem door de wet in de artt. 1052 v.v. BW (oud) verleend.

Historisch mijlpaalarrest van de Hoge Raad der Nederlanden over de bevoegdheden die een erflater rechtsgeldig in een testament kan toekennen aan de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen (executeur-testamentair). De benoeming van een uitvoerder beperkt de rechtsbevoegdheid van de erfgenamen ten aanzien van de bezitsverkrijging (art. 1054 OBW) en van het recht op de goederen (art. 1059 OBW). De benoeming kan de erfstelling echter niet zózeer beperken in haar werking, dat de executeur bevoegd wordt verklaard de goederen, welke de erfgenamen hebben verkregen en aan hen moeten worden verantwoord, om te zetten in geld. Een dergelijke bevoegdheid is niet te rijmen met de artt. 1055 en 1059. De testamentbepaling, welke de executeur opdraagt om, na inbezitneming van het vermogen, dit aan de erfgenaamen te verantwoorden anders dan in natura, is in strijd met de aard der executele. Zij moet voor niet geschreven worden gehouden.3

zie het hoofdartikel: Standaardarrest erfrecht HR 9 juni 1905 | Bevoegdheden executeur-testamentair, aard der executele, beperking rechten erfgenaam

Eerder dat jaar werd ook het beroemde standaardarrest Blaauboer/Berlips gewezen: HR 3 maart 1905, W 8191, ECLI:NL:HR:1905:1. De wet maakt onderscheid in verkrijging van goederen onder algemene titel en onder bijzondere titel. Erfopvolging is het meest voorkomende geval van verkrijging onder algemene titel. Verkrijging onder bijzondere titel gebeurt door overdracht, door verjaring en door onteigening, en op de overige in de wet aangegeven wijzen van rechtsverkrijging. De Hoge Raad bepaalde in Blaauboer/Berlips dat het recht op een goed principieel iets anders is dan een jegens een bepaalde persoon uit te oefenen recht.

In dit arrest trekt de Hoge Raad de lijn consequent door naar erfstellingen betreffende de executeur. De mogelijkheid om bevoegdheden van de executeur zoals gegeven in het erfrecht, bij testament door middel van privatieve lastgeving uit te breiden, stuit af op de sterkere goederenrechtelijke rechten die erfgenamen door overlijden van erflater aan de nalatenschap hebben verkregen.

Discussie. De Hoge Raad besliste hiermee in een al decennia lopende discussie onder rechtsgeleerden, over de betekenis van artikel 1061 OBW en oordeelde passend in de lijn van wetgever.

Artikel 1060 en art. 1061 OBW aanhef bepaalden:
“Zij (de uitvoerders die het bezit van de nalatenschap hebben, red.) hebben geene bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkoopen , ten einde dezelve in staat van scheiding en deeling te brengen,”
Wetgever was bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel gevraagd, of erflaters aan de executeurs een uitgebreidere macht zouden mogen geven dan de wet hun toekent. De vraag werd door de Tweede Kamer ontkennend beantwoord.4 Desalniettemin ontstond discussie, of art. 1061 enkel beslist dat de executeur niet van zelf de bevoegdheid heeft om te verkoopen, dat het in staat van scheiding brengen niet van zelf tot de taak van de executeur behoort, maar niet beslist, of een en ander hem niet door de erflater kan worden opgedragen. De argumenten van de juristen die zulke bepalingen als geldig beschouwden, kwamen er in het kort op neer dat de erflater, die vrij over de goederen mag beschikken, op dat moment ook mag bepalen dat zij verkocht zullen worden en à fortiori iemand speciaal met de verkoop belasten. Een dergelijke bepaling bevat niets dat tegen de wetten of de goede zeden strijdt. Het handboek Asser betoogde, dat de erflater het vermogen niet behoort te bezitten om door middel van uitvoerders van de uiterste wil zich te bekommeren over de wijze waarop de erfgenamen uit de onverdeeldheid wensen te raken (§ 548). De bedoelde bevoegdheid van de excecuteur zou in strijd zijn met rechtsbeginselen. Diephuis was van mening dat de uitbreiding niet gebaseerd kon zijn op de rechtsfiguur van een lastgeving omdat deze bij overlijden eindigt.

Deze discussie is onder het huidige erfrecht weer opgerakeld door prof. mr. dr. Bernard Schols in zijn dissertatie ‘Van executeur-testamentair tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder’.5 Met de bijzonderheid dat de discussie die onder het oude recht werd gevoerd, met dit arrest als afsluiting, niet worden genoemd.

Casus – Een bij testament benoemd executeur, J. Th. Hendrikse, deurwaarder en kassier, wonende te IJzendijke, verkoopt onroerend goed om aan de uiterste wil van erflaatster te voldoen. De erfgenaam, P. J. Geensen, koopman, wonende te IJzendijke, verweerder, roept de nietigheid in op grond van ongeldigheid van de bij testament gegeven opdracht. Rechtbank en Hof bevestigen.6 De executeur en de koper komen in cassatie en voeren aan:
Schending of verkeerde toepassing van de artt. 625, 639, 921, 922, 923, 926, 931, 932, 933, 934, 935, 943 en 1052 tot en met 1069 B. W., door te beslissen, dat de wet aan een erflater, die sterft zonder legitimarissen na te laten, niet veroorlooft aan de uitvoerder zijner uiterste wilsbeschikkingen, buiten de gevallen bij de artt. 1059 en 1061 van gemeld Wetboek vermeld, de bevoegdheid op te dragen om de goederen der nalatenschap, zo roerende als onroerende, te verkopen en op grond van die met de wet strijdige beslissing te bevestigen de uitspraak van de eersten rechter, waarbij nietig verklaard is de tussen de beide eisers in cassatie wettig tot stand gekomen openbare verkoop van een tot de nalatenschap, waarin de eerste eiser in cassatie executeur-testamentair was, behorend onroerend goed.7

Hoge Raad – “dat alzoo de aanwijzing van eenen executeur met aan diens aanstelling verbonden opdrachten eene gedane erfstelling niet zoover kan beperken in hare werking, dat die aanstelling den executeur kan bevoegd maken om de goederen, die de erfgenaam heeft verkregen en aan hem verantwoord moeten worden, om te zetten in geld; dat immers zoodanige bevoegdheid zich niet laat rijmen met de artt. 1059 en 1055 B. W., uit welke beide duidelijk blijkt, dat als de erfgenaam zorgt voor de uitkeering der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, bij tot zijne vrije feitelijke en rechtskundige beschikking moet vinden het goed zelf – zij het wellicht bezwaard met testamentaire lasten – waarin hij den erflater opgevolgd heeft;
dat dus in deze de testatrice, tot het erfgenaamschap roepende P. J. Geensen, aan de benoeming van eenen uitvoerder dezer uiterste wilsbeschikking niet rechtsgeldig kon verbinden de opdracht aan laatstgenoemden om, na inbezit neming van haar vermogen, dit aan Geensen te verantwoorden in eene andere gedaante dan in natura; dat zij, hare vrijheid van beschikken willende benutten, om aan dien persoon slechts contanten te doen toekomen, dit niet vermocht door eenen last gaande buiten, ja tegen hetgeen de aard der executeele en hare wettelijke werking medebrengen, en daarom die testamentsbepaling overeenkomstig art. 935 B. W. voor niet geschreven moet worden gehouden.
dat, waar dit laatste het geval is, te recht nietigverklaring van den tusschen de eischers in cassatie voltrokken verkoop en koop is gevorderd en het cassatiemiddel is ongegrond;
Verwerpt het beroep en veroordeelt de eischers inde kosten van cassatie.89

HR 15-12-1905 (W 8315) | Maatstaf beloning exécuteur-testamentaire

Een klassieker die ondanks zijn ouderdom nog van belang is. De gedachtengang is terug te vinden bij het vergoedingslegaat in het Belgische recht. Het arrest geeft als richtsnoer dat de hoogte van de beloning in balans moet zijn met de zwaarte van de opdracht van erflater, oftewel er dient een ‘evenredigheidtoets’ plaats te vinden. Tenzij een weging volgens deze maatstaf tot een zo grote onevenredigheid leidt, dat het niet anders kan.10

Casus – De heren Fransen en Van de Putte uit Goes, neef en petekind van erflater, vielen als executeur-testamentair een voor die tijd zonder meer royale executeursbeloning van f 10.000 ten deel. Het geschil draaide om de vraag of successierecht over (een deel van) de executeursbeloning verschuldigd was, maar de essentie van het arrest is ook voor het civiele recht van belang.
De Hoge Raad:
“dat uit de bij art. 1068 BW aan den erflater gegeven keuze niet volgt, dat hetgeen door hem belooning voor werkzaamheden wordt genoemd alleen daarom niet inderdaad het karakter zou kunnen bezitten van eene aan het recht van successie onderworpen liberaliteit, hetzij geheel of ten deele; dat wel, om het bestaan van een legaat of eene belooning te kunnen aannemen, het in de eerste plaats moet blijken, dat de erflater de bedoeling hebbe gehad en te kennen gegeven, om een legaat of eene beloning toe te kennen en de beslissing daarover is van feitelijken aard;
dat echter de beantwoording der vraag, of hetgeen krachtens de beschikking des erflaters wordt verkregen, in den zin van art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang aan belasting onderhevig is, afhangt van den werkelijken aard der door hem gemaakte beschikking, die wel veelal uit de benaming welke de erflater daaraan heeft gegeven, zal kunnen worden gekend, maar niet noodwendig alleen daardoor wordt bepaald; dat de Rechtbank ten deze alzoo had behoren te beslissen of er rechtens inderdaad bestaat belooning voor werkzaamheden dan wel liberaliteit, hetzij voor het geheele bedrag hetzij voor een deel der toegekende som, waarbij het aan haar oordeel was overgelaten, uit te maken of er tusschen de als belooning toegekende som en de lasten en bezwaren aan de opdracht van den erflater verbonden zoo grote onevenredigheid bestaat dat die som, geheel often deele, niet anders dan als eene liberaliteit kan worden aangemerkt;
dat echter de Rechtbank door, waar de juistheid der door den erflater gebezigde benaming van belooning door het Bestuur was betwist, niettemin de beslissing uitsluitend te doen afhangen van hetgeen erflater als zijn wil had uitgesproken en van de uitlegging aan dien wil te geven, art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang en, in verband daarmede art. 932 BW heeft geschonden […].

HR 14-02-1908 (W 8675) | Strekking art. 1055, einde bezit executeur

Onder de in B. 1054 bedoelde inbezitneming moet worden verstaan het recht om zich voor en ten behoeve van de erfgenamen in het bezit der goederen te stellen. De strekking van B. 1055 is, dat de erfgenamen een einde kunnen maken aan het bezit van den executeur, voorzover hij de goederen nog niet bezit. Het recht van den executeur om voor en ten behoeve der erfgenamen te bezitten, hangt dus geheel af van de wil der erfgenamen, die op de wijze van dit artikel het recht van den executeur kunnen doen ophouden.11

HR, 03-04-1914, NJ 1914, 721 | Dubbele villa

Materiële kenmerken uiterste wil.

HR 30-09-1925 (PW 12040) | Delegatie bij testamentaire last

Delegatie in het erfrecht. Bij het opmaken van uiterste wilsbeschikkingen bestaat een strikt verbod op delegatie. Mogelijkheden om zijn uiterste wil te delegeren zijn gelegen in de testamentaire last. De ondergrens om nog te kunnen spreken van testamentaire last is dat het moet gaan om een door erflater opgelegde ‘verplichting’. Hoe concreet omschreven dient deze verplichting te zijn? In dit arrest is door de HR toegelaten de delegatie in de vorm van een last, inhoudende dat de verkrijger een bepaald bedrag moest besteden voor die personen, inrichtingen of stichtingen die naar het oordeel van de verkrijgers daarvoor in aanmerking kwamen. Zie ook HR 2 maart 1966

HR 25 april 1929 (NJ 1929, 1319) | Van Doveren

Materiële kenmerken uiterste wil. De eenzijdigheid van een overeenkomst onder voorwaarde, maakt nog niet dat deze kan worden aangemerkt als een uiterste wilsbeschikking. Een overeenkomst door erfgenamen gesloten bij leven erflater, is niet eenzijdig herroepbaar, dat geldt ook na overlijden.

Casus: Van Doveren en broer hebben onroerende zaken in onverdeelde eigendom. Van Doveren huurt de onverdeelde helft van zijn broer. Wanneer van Doveren eerder zou overlijden, heeft broer recht op koop, binnen zes maanden na overlijden. Zou een van de twee overgaan tot verkoop van eigendom, heeft de ander een voorkeursrecht. Zo hebben beiden afgesproken. De broer overlijdt eerder. Van Doveren eist nakoming van de erfgenamen van de broer, de erfgenamen gaan in cassatie. HR: Erfgenamen volgen op onder algemene titel en verkrijgen dus naast de rechten ook alle verplichtingen. Daarnaast houdt de HR het argument voor ongegrond, dat de overeenkomst tussen de broers alleen bij testament gemaakt had mogen worden (Van Doveren is dus geen legataris).

Zie ook HR 3 april 1914 (Dubbele villa) en 25 oktober 1985 (Grafrecht)

HR 21 juni 1929 (NJ 1929, 1325) | Elisabeth

Testamentaire bepaling is nietig die als voorwaarde voor de verkrijging stelt, dat kinderen van de erfgenaam in een bepaalde geloofsrichting moeten worden opgevoed. De Hoge Raad bepaalde dat een testamentaire bepaling die erfgenamen belemmert in de uitoefening van grondrechten, als strijdig met de goede zeden moet worden beschouwd en voor nietig moet worden gehouden. Met noot EMM.

Casus – Doesburg, behorende tot de Nederduits Hervormde Kerk, met een rooms-katholieke echtgenoot, maakt in 1891 een testament waarin zij haar pleegkind Elisabeth Tisper tot erfgenaam benoemt. Elisabeth is Rooms Katholiek gedoopt door Doesburg’s echtgenoot;
Elisabeth was afkomstig van een niet-Katholieke moeder. Aan de erfstelling is de voorwaarde verbonden dat de erfstelling zou vervallen indien de kinderen die mochten worden geboren uit een door haar aangegaan huwelijk, niet voor hun tweede levensjaar in de Nederduitse Hervormde Kerk zouden zijn gedoopt.
Indien dat het geval was, zouden de kinderen of verdere afstammelingen bij plaatsvervulling van H. van den Brink, onder de last van een levenslang vruchtgebruik ten behoeve van Elisabeth, erfgenaam worden.
Het testament bevat tevens een bewind. Doesburg overlijdt in 1897. In 1903 trouwt Elisabeth in gemeenschap van goederen met Van Amerongen. Zij overlijdt in 1915, zes minderjarige kinderen achterlatend. De kinderen zijn niet (voor de aanvang van hun tweede levensjaar) in de Nederduits Hervormde Kerk gedoopt. Van Amerongen komt namens de kinderen op tegen de geldigheid van de in het testament opgenomen voorwaarde. De kinderen Van den Brink hebben de nalatenschap inmiddels al verdeeld.

Van Amerongen vordert mede namens zijn kinderen bij de Rechtbank te Utrecht de nalatenschap op, stellende dat de voorwaarde in strijd is met de goede zeden. De Rechtbank verklaart de vordering niet-ontvankelijk. Van Amerongen gaat in hoger beroep. Het Hof te Amsterdam vernietigt het vonnis en wijst de vordering alsnog toe. De kinderen Van den Brink gaan hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad.

Hoge Raad – Overwegende hieromtrent:
dat de vraag moet worden beantwoord, of er strijd is met de goede zeden, indien aan eene erfstelling de voorwaarde verbonden wordt, dat zij vervalt, indien de kinderen, die de erfgename uit een mogelijk huwelijk mocht krijgen, niet vóór den aanvang van hun tweede levensjaar in de Nederduitsch Hervormde Kerk zijn
gedoopt;
dat deze vraag in bevestigenden zin is te beantwoorden;
dat toch voor de ouders de doop hunner kinderen eene zaak is, die zij vrijelijk overeenkomstig hunne godsdienstige overtuiging behooren te beslissen, zonder dat overwegingen van geldelijke aard daarbij invloed mogen oefenen;
dat echter de onderhavige erfstelling voor de moeder aan het doen doopen harer kinderen in een bepaald kerkgenootschap een geldelijk voordeel verbindt, zulks zonder rekening te houden met hetgeen hare godsdienstige overtuiging haar bij het nemen van haar besluit gebiedt en al zou alsdan de doop in het bedoelde kerkgenootschap met hare godsdienstige overtuiging niet in overeenstemming zijn;
dat derhalve het Hof met juistheid heeft beslist, dat de gestelde voorwaarde in strijd is met de goede zeden en het middel is ongegrond;
Verwerpt het beroep.

Commentaar – Onder het nieuwe erfrecht is het mogelijk dat het erfgenaamschap zelf voorwaardelijk is. Daarop is afdeling 6 van Titel 4 Boek 4 BW van toepassing. Art. 4:45 lid 1 bepaalt dat een voorwaarde of een last die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd is met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende
wetsbepaling, voor niet geschreven wordt gehouden. De beschikking waaraan de voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig, indien deze de beslissende beweegreden tot die beschikking is geweest.12 In samenhang met de cautio Socini bepaalde de HR in 2015 dat deze nietig is voor zover erfgenamen daarmee rechten worden onthouden die hen krachtens erfrecht toekomen. Het notariaat en de estateplanning wensen de uitoefening van rechten door erfgenamen zoveel mogelijk in te perken. Twee hoogleraren en een gepromoveerd universitair hoofddocent behandelden als raadsheer-plaatsvervanger zaken waar erfgenamen daadwerkelijk werden ingeperkt in de uitoefening van hun rechten.

HR 24-02-1933 (NJ 1933, 645, W 12572) | Bünker / Amsterdamsche Bank

Concl. A-G Berger, met noot prof. E. Meijers.
Vorderingen van erflater zijn te voldoen aan legitimaris, niet executeur. Het recht tot inbezitneming van de nalatenschap door de executeur testamentair, dat bij testament kan worden verleend, strekt zich niet uit tot hetgeen ex B. 960 v. aan de legitimarissen toekomt.
Wie betaalt aan een executeur die de goederen van de nalatenschap in bezit heeft genomen, wetende dat er legitimarissen zijn, betaalt niet te goeder trouw aan de bezitter der inschuld.13

Noot redactie. Dit arrest wordt binnen de studie Notarieel recht, het notariaat en de executeursbranche in een bepaald kader gezet en daarbinnen passend geparafraseerd, met voorop prof. Bernard Schols.14 Deze manier van parafraseren legt niet de essentie van het arrest bloot.

Het ‘riedeltje’ is ongeveer als volgt. De executele heeft zich onder het oude Nederlands erfrecht nooit ten volle kunnen ontvouwen. De reden zou erin in zijn gelegen dat onder het oude erfrecht het bezit van de nalatenschapsgoederen door de executeur niet getolereerd hoefde te worden door de legitimarissen, dat zijn de afstammelingen van de erflater. De executele maakte een te grote inbreuk op de rechten van legitimarissen. Aanstelling van een testamentuitvoerder leidde ertoe dat de erfrechtelijke verkrijging voor de erfgenamen niet vrij en onbezwaard was, en om die reden verworpen kon worden met een beroep op de legitieme. Dat zou allemaal het gevolg zijn van dit arrest.15

Het bizarre is dat legitimarissen onder het oude erfrecht maar heel zelden gebruik maakten van hun recht.16 De stelling van Schols dat de testamentuitvoerder bij uitvoer van zijn werkzaamheden in de praktijk beknot werd door het recht van de legitimaris is door Schols nooit serieus (wetenschappelijk) onderzocht en/of wetenschappelijk bewezen. Het is ook zonder onderzoek op voorhand onaannemelijk dat erfgenamen in grote schare de helft van het vermogen waarop recht bestond, verwierpen omdat ze het niet eens waren met de aanstelling van een executeur.
De stelling dat een en ander zou zijn af te leiden uit dit arrest is niet goed te motiveren. Vorderingen van een erflater op derden vallen immers niet onder ‘goederen van de nalatenschap’ en de inning van vorderingen valt niet binnen de werkzaamheden van een executeur. Ook nu nog niet, tenzij het nodig is voor voldoening van de schulden. Het aanstellen van een executeur en bewindvoerder onder het nieuwe recht maakt vooral een grote vlucht door, omdat er al decennialang stevig reclame voor wordt gemaakt en daarbij aan de zakelijk dienstverlener bevoegdheden worden toegedicht die er volgens het geldende recht niet zijn.

De fixatie op de legitieme gaat bij Schols zo ver, dat hij meent dat dit de reden is dat de rechtsfiguur van executeur testamentair zich in het Duitse erfrecht door kon zetten. Terwijl de Testamentsvollstrecker en Teilungsanordnungen in Duitsland sinds 1889 wettelijke uiterste wilsbeschikkingen zijn. Uit het notariaat en uit de Rooms-Katholieke Kerk is bekend dat er via de functie van executeur-testamentair veel geld en goederen uit erfenissen in het eigen laadje spoelden.


HR 18-4-1941 (NJ 1941, 940) | Conversie legaat (bij overeenkomst)

Er was een toezegging gedaan die inhield dat voor bewezen diensten een beloning bij wijze van legaat zou worden gegeven. De HR splitst de overeenkomst in twee bedingen en verklaart de overeenkomst vervolgens partieel nietig. Meijers constateert in zijn noot bij dit arrest dat het in feite conversie betrof. De HR bedekt de conversie door deze partiële nietigheid te noemen. Van der Grinten (44) en Berkhouwer (45) delen de mening van Meijers.17

Het arrest is hier opgenomen, vanwege een verklaring van de minister bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp voor de algemene regeling voor bewind in Boek 3, dat bepalingen in een testament voor conversie vatbaar waren. In die tijd bestond er nog geen wetsregel voor conversie. Wel een (nog enigszins diffuse) rechtsregel. Dit arrest was het eerste in een reeks. Als het ‘conversie-arrest’ werd bekend HR 21 Januari 1944, N.J. 1944 no. 120 omtrent voorwaardelijke huwelijksvoorwaarden. Met als rechtsregel dat de oude nietige rechtshandeling, de nieuwe ‘in zich moet bevatten’.18
Het volgende conversiearrest was HR 19 november 1948, NJ 1949 no 8, met noot Houwing. Rechtsregel: er moet verwantschap zijn in de bestanddelen. Dat was de stand van zaken toen de minister in 1963 zijn uitspraak deed waarop Bernard Schols in zijn dissertatie, refererend aan Freek Schols, zijn visie stoelt dat er een ‘erfrechtelijke conversieplicht’ zou bestaan. Die ten grondslag wordt gelegd aan de mogelijke rechtsgeldigheid van testamentaire bepalingen die aan de uitvoerder van een afwikkelingsbewind een bevoegdheid tot zelfstandige verdeling geven. Overgenomen (zonder eigen nadenken en controleren) door Boelens & Wissink & Van Vijfeijcken.

HR 07-02-1944 (NJ 1944, 254) | Door inroepen recht wordt legitimaris erfgenaam

Jurisprudentie over de legitieme portie naar oud recht. Zie eveneens: HR 7 april 1967 (NJ 1967, 378). De aanspraak op de legitieme portie was niet bestand tegen de aanspraak uit een making als voldoening aan de natuurlijke verbintenis van de erflater tot verzorging van zijn echtgenoot (De Visser/Harms).

HR 30-11-1945 (NJ 1946, 62 – ECLI:NL:HR:1945:14 )19| De Visser / Harms

Legitieme portie kinderen vs verzorgingsgedachte echtgenoot

Baanbrekend arrest “contra-legem maar in overeenstemming met het billijkheidsgevoel”. Volgens prof. Emile ‘obv’ Luijten “het belangrijkste erfrechtelijke arrest ooit”, maar niet geannoteerd.20 Er is wel heel veel over geschreven en na vijf jaar verscheen in WPNR een beschouwende annotatie-après. Het arrest is door hervormer Van Oven opgepakt om te pleiten voor een wetswijziging. Meijers nam in het wetsontwerp voor het nieuw Burgerlijk Wetboek in het erfrecht bepalingen op waaraan de verzorgingsgedachte ten grondslag lag.
Rechtsregel – Het is een fatsoensplicht voor de overlevende echtgenote te zorgen, ook al gaat dit ten koste van de legitieme van de (voor)kinderen van de man.21 Na dit arrest begon de opmars van het verzorgingsrecht in de maatschappij. In talloze notarieel verleden testamenten worden aanspraken voor de langstlevende gevestigd, welke, ten einde die aanspraken in bescherming te nemen tegen aanspraken uit de legitieme, in rechtstreeks op het De Visser-Harms-arrest terug te voeren formuleringen werden verwoord.22

Casus. Na het overlijden van meneer Harms ontstaat onenigheid over de erfenis tussen zijn kinderen en zijn derde echtgenote, mevrouw Harms III. Meneer Harms had een levensverzekering voor deze vrouw afgesloten en had bij zijn werkgever gebruikgemaakt van de mogelijkheid een weduwepensioen af te sluiten. De kinderen willen bij het uitrekenen van hun legitieme portie deze beide op geld waardeerbare posities opvoeren als giften. De weduwe stelt dat de levensverzekering geen gift is, maar een natuurlijke verbintenis die voldaan wordt, en dat het pensioen een bevoordeling uit het vermogen van de werkgever was, en niet van haar echtgenoot.

Rechtsvraag. Moet de uitkering van een levensverzekering en weduwepensioen worden beschouwd als schenking en als zodanig worden meegenomen in de berekening van de legitieme portie? De Hoge Raad oordeelde dat de nakoming van een zodanige verzorgingsverplichting, hetzij bij handeling onder levenden, hetzij bij uiterste wilsbeschikking, moet worden gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis en niet als een schenking.

Bedacht moet worden dat in het tijdsgewricht waarin dit arrest werd gewezen, de gehuwde vrouw op grond van de wet handelingsonbekwaam was en geen maritale macht bezat. Ze had evenmin iets te zeggen over de opvoeding van de kinderen. Vrouwelijke ambtenaren werden ontslagen als ze huwden.23 De trend van de man, die een nieuwe veel jongere echtgenote kiest nadat de oude haar werk heeft gedaan en niet meer zo strak in het vel zit, bestond in die tijd nauwelijks.

Voor paren die nu niet in een met de De Visser/Harms situatie vergelijkbaar huwelijk of geregistreerd partnerschap leven,24 kan de gedachte van de natuurlijke verbintenis die ten grondslag ligt aan de zogenaamde ‘wettelijke verdeling’, ter discussie worden gesteld. De wettelijke verdeling is in de wet gekomen na regelrecht chantage van het parlement door het notariaat. Dit klinkt ‘Geen Stijl’-achtig, maar is gebaseerd op feiten.25 Het model was toen maatschappelijk al verouderd. Op deze manier zou een breeddenkende, juridisch intelligente advocaat, het spiegelbeeld ‘contra-legem’ van het arrest De Visser/Harms kunnen bewerkstelligen.

Dit arrest is het startschot geweest voor een verandering in het erfrecht na eeuwen, waarbij de (oudste mannelijke) afstammeling(en) op de eerste plaats staan (het naaste bloed erft het goed), naar erfrecht waar een echtgenoot op de eerste plaats staat. In 1923 werd de wet veranderd en kon de echtgenote ook erven, hier gaat de rechtsvorming een stap verder. Passend bij een systeem waar de gehuwde vrouw, die onder bestuur staat van de man (hoofd van de echtvereniging), thuis onbetaald werkt voor man, kinderen, familieleden en de huishouding bestiert. Kandidaat-notaris Luijten schreef in 1958 een pre-advies over de modelregeling, de ouderlijke boedelverdeling. Daarop volgde een reeks vonnissen en arresten die het model stap voor stap rechtskracht verleenden. Dit had tot gevolg dat de erflater, die bij leven niet wilde betalen voor het werk van zijn echtgenote, bij overlijden voor een soort ‘compensatie’ kon zorgen door middel van testamentaire beschikkingen. Kinderen konden hun legitimaire rechten bij leven van de ouder vaak niet geldend maken. De aanspraken van de overlevende echtgenoot op de nalatenschap vonden hun beperking in de omvang van de verzorgingsbehoefte: er moest evenwicht tussen betrokkenen zijn.26 In de 90er jaren streden prof. Luijten en collega-professoren ervoor dat de o.b.v. werd gecodificeerd in het nieuwe erfrecht: de wettelijke verdeling. De jonge hoogleraar Van Mourik trok door het land om voor het eigen wetsvoorstel te werven bij het notariaat. Regering en parlement werden onder zware druk gezet: als het bestaande wetsontwerp door een meerderheid in het parlement tot wet verheven zou worden, zou het notariaat er niet toe over gaan de regels uit te voeren. Wijziging van het ontwerp door het wetstechnisch knullige knutselwerk van het notariaat, leidde tot een groeiende toename van testamenten, een bloeiende estate-planningpraktijk en een stroom van rechterlijke uitspraken.27

Essentie – De langstlevende echtgenoot, meestal de vrouw, wordt bij leven niet betaald voor haar werk en dient bij overlijden van de kostwinner verzorgd achter te blijven. Als er geen voorziening is, zoals een weduwepensioen bij de werkgever, dan gelden de regels van moraal en fatsoen met betrekking tot de plicht om op een andere manier in alle redelijkheid voor het onderhoud van de langstlevende echtgenoot te zorgen. Deze verplichting is een natuurlijke verbintenis die kan worden nagekomen door een handeling onder de levenden, zoals een levensverzekering, of middels een testament. Het is dan ook geen schenking en het maakt geen inbreuk op de legitieme portie van de kinderen of is een te grote onrechtvaardige bevoordeling van de weduwe. Het pensioen van de werkgever was een gevolg van de arbeidsvoorwaarden; daar kon dhr. Harms niets aan veranderen. Terugverwijzing in verband met de vraag of de uitkering afkomstig is uit het vermogen van de werkgever of van de erflater.

De Hoge Raad:

“dat de overtuiging, dat de langstlevende echtgenoot niet onverzorgd mag achterblijven, meer en meer veld heeft gewonnen (…);
dat het, in overeenstemming hiermede, voor hen, die het vooruitzicht op een voldoende verzorging van hun weduwe niet hebben, naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen – bijzondere omstandigheden voorbehouden – als een onafwijsbare plicht wordt beschouwd om, indien noodig, naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de weduwe;
dat de vervulling van dezen plicht zoozeer beantwoordt aan hetgeen de echtgenooten van elkaar mogen verlangen, dat daarmede – voorzooverre de verzorging, gelet op de omstandigheden waaronder de echtgenooten leefden en de langstlevende achterblijft, het redelijke niet te buiten gaat – voldaan wordt aan een verplichting van den eenen echtgenoot jegens de ander, welke als een natuurlijke verbintenis moet worden erkend; dat daarom nakoming van zoodanige verzorgingsverplichting – hetzij bij handeling onder de levenden, hetzij bij uiterste wilsbeschikking – is voldoen aan een verbintenis en niet is schenking.”

Vanaf de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 is de omzetting van een natuurlijke verbintenis alleen mogelijk door middel van een handeling onder de levenden. Artikel 6:5 BW bepaalt dat een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare, door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser. Wanneer sprake is van een testamentaire beschikking, dient deze opgevat te worden als een aanbod tot het doen van de omzetting.

Natuurlijke verbintenis en huidig recht. Vanaf 1-1-1992, de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de omzetting van een natuurlijke verbintenis alleen mogelijk door middel van een handeling onder de levenden. In art. 6:5 BW wordt gesproken van een rechtens afdwingbare overeenkomst. Wanneer sprake is van een testamentaire handeling, dan dient deze opgevat te worden als een aanbod tot het doen van de omzetting.

HR 12 april 1946, 1946 N°. 287 | Periode bezit executeur

Met de woorden “van regtswege” geeft het derde lid niet te kennen dat het bezit van den executeur in geen geval langer mag duren dan één jaar; doch dat dit bezit na verloop van dat jaar vanzelf eindigt indien niet een andere tijd is bepaald. De erflater kan de executeur derhalve een langer bezit toekennen. De erfgenamen worden dan beschermd door de bepaling van B. 1055. Ook zij kunnen het bezit verlengen.
De legitimaris heeft met den executeur het medebezit van alle bestanddelen van de nalatenschap.28

HR 22 april 1955, NJ 1955/403, ECLI:NL:HR:1955:3 | Boogaard / Vesta

Vormvereisten voor testament. Het incorporeren van stukken is op zichzelf niet verboden, mits niet tegen de strekking van de vormdwang wordt gehandeld.

HR 11 april 1958 NJ 1958 302 | Schellens / Schellens I

Funda­mentele beginselen van het vennootschapsrecht botsen met fundamentele beginselen van het erfrecht. De Hoge Raad stelt voorop dat het rechtskarakter van een legaat meebrengt dat hij die dit geniet, het gelegateerde goed verkrijgt onder bijzondere titel en dat de afgifte krachtens legaat niet op een hoop mag worden gegooid met de verdeling. Het is een van de ouderlijke boedelverdeling te onderscheiden rechtshandeling.(Zie ook in verband hiermee de tweede zin van art. 3:182 BW.)

Casus – Op 30 maart 1955 overleed te Eindhoven mevrouw P.J.M. Keunen, weduwe van L.J.J. Schellens. Zij liet twee dochters als haar erfgenamen na, M. en J. Schellens, en drie kleinzonen, waarvan één geboren was uit het huwelijk van een vooroverleden dochter en twee geboren uit het huwelijk van een vooroverleden zoon. Tot haar nalatenschap behoorden onder meer 104 aandelen in L. Schellens en Co’s Trijpfabriek NV, gevestigd te Eindhoven. Op 29 maart 1955 had moeder aan de NV een optie verleend tot koop van 71 aandelen in de NV, onder het beding dat de optie vanaf haar overlijden kon worden uitgeoefend.29

naar bespreking arrest

HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126 | Schellens / Schellens II

Casus – Moeder legateert aan een van haar dochters 33 aandelen, haar overige 71 aandelen geeft ze de NV een koopoptie op, maar er is een blokkeringsregeling – geldt ook voor de NV zelf (S-S-I) Nu rijst de vraag of dochter M mag reflecteren met of zonder die 33 gelegateerde aandelen, dit vorderen de overige erven. Hof en Rb wijzen dit af, ze gaan in cassatie.

Hoge Raad – Het rechtskarakter van een legaat brengt mee, dat zij, die dit geniet, het gelegateerde verkrijgt onder bijzondere titel. Indien een legaat gemaakt is aan een persoon, die tevens een der erfgenamen van de erflater is, dan behoort het gelegateerde niet tot hetgeen tussen de erfgenamen moet worden gescheiden en gedeeld, maar kan de legataris de afgifte daarvan uit de onverdeelde boedel vorderen. Een legataris, die de haar gelegateerde zaak verkrijgt onder de last de waarde daarvan aan de boedel te vergoeden, wordt ten aanzien van de haar aldus vermaakte zaak geen koper, maar blijft legataris.

HR 22-01-1965 (NJ 1966, 177) | Admiraal | Uitleg uiterste wilsbeschikking naar komend recht

Uitleg uiterste wilsbeschikking (nu art. 4:46 BW). Wanneer een uiterste wilsbeschikking zo onduidelijk is dat de bedoeling van de erflater niet kenbaar is, kan men buiten de uiterste wilsbeschikking daden en verklaringen in beschouwing nemen, indien de uiterste wilsbeschikking zonder deze daden of verklaringen geen zin heeft.

Dit arrest is mede interessant om kennis te nemen van de manier waarop rechtsvorming in Nederland kan plaatsvinden. In het parlementaire jaar 1954-1955 bood de Minister van Justitie zijn Memorie van Toelichting aan de Tweede Kamer aan bij het wetsontwerp erfrecht van Meijers.30 De vaste Commissie voor Justitie kon zich in grote lijnen met het Ontwerp-Meijers verenigen. De twee Broederschappen van het notariaat konden dat niet, ze richtten een eigen Commissie op die aan de regering ongevraagd uitvoerige ‘adviezen’ schreef. Dat voerde tot een gewijzigd wetsontwerp dat enkele jaren later aan het parlement werd aangeboden, vergezeld van de Memorie van Antwoord.31 Met dit arrest past de Hoge Raad de regels toe zoals gegeven in de leden 1 en 2 van het wetsontwerp voor het uiteindelijke artikel 4:46 BW, waarover in de literatuur discussie bestond. Een mooi voorbeeld hoe maatschappelijke ontwikkelingen, wetgevende activiteiten en rechterlijke uitspraken in elkaar kunnen grijpen om levendig recht te vormen.32

Casus – Erflater had zijn twee broers tot erfgenamen benoemd. Hij was ongehuwd en had ook geen kinderen. Een
van zijn broers was vijf maanden voor de testeerdatum overleden. Bij zijn overlijden werd vastgesteld dat het testament geen duidelijke zin had, nu erflater wist dat zijn broer reeds was overleden maar hij hem toch tot erfgenaam had benoemd. De HR concludeerde tot onduidelijkheid van het testament en gaf aan dat, teneinde de bedoeling van de erflater te achterhalen en het testament wel zin te geven, onderzoek diende te worden gedaan naar hetgeen aangaande de bedoeling van de erflater buiten de uiterste wil was gebleken.

In dit arrest heeft de HR de uitlegvoorschriften van Meijers, zoals hij die in zijn ontwerp in art. 4.3.1.8 leden 1 en 2 formuleerde, aanvaard. Dit arrest levert daarom een mooi voorbeeld op van hoe het Ontwerp Meijers de rechtspraak heeft beïnvloed, reeds voor zijn invoering.33

HR 09-04-1965 (NJ 1966, 178) | Van Es / Ponjee

Uitleg uiterste wilsbeschikking. Hetgeen in een uiterste wilsbeschikking is opgenomen, moet voor duidelijk worden gehouden tenzij blijkt van een vergissing omtrent de werkelijke bedoeling van de erflater.

HR 04-06-1965, (NJ 1966, 469) | Pension Vacantievreugd

De Hoge Raad oordeelde dat ook al had erflater toen hij nog leefde geen uitvoering kunnen geven aan de koopoptie, zijn erfgenamen toch verplicht waren de koopoptie gestand te doen.
Casus: Vader en zoon Quaedvlieg zijn vennoten van een vennootschap onder firma, Pension Vacantievreugd. Samen oefenden zij in een pand te Val­kenburg een pensionbedrijf uit. Op 7 dec. 1961 verleende vader Quaed­vlieg met medewerking van diens echtgenote aan Van Caldenborgh een koopoptie met betrekking tot het pand, inclusief het daarin gedreven pen­sionbedrijf. Het pand was eigendom van vader en moeder Quaedvlieg die in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd waren. Het bedrijf zelf (goodwill en inventaris) behoorde toe aan de vennootschap onder fir­ma. Op 10 dec. aanvaardde Van Caldenborgh de koopoptie. Vervolgens weigerde zoon Quaedvlieg medewerking te verlenen aan de uitvoering van de koopoptie, de levering. Kort daarna – op 9 jan. 1962 – stierf vader Quaedvlieg. Zijn echtgenote en zijn zoon waren zijn enige erfgenamen. Van Caldenborgh vorderde levering van het gekochte.

HR 02-03-1966 (BNB 1966/106) | Vereisten testamentaire last

Delegatie in het erfrecht

Bij het opmaken van uiterste wilsbeschikkingen bestaat een strikt verbod op delegatie. Mogelijkheden om zijn uiterste wil te delegeren zijn gelegen in de testamentaire last. De ondergrens om nog te kunnen spreken van testamentaire last is dat het moet gaan om een door erflater opgelegde ‘verplichting’. Hoe concreet omschreven dient deze verplichting te zijn? Over het algemeen kan gezegd worden dat de HR een ruimhartige leer heeft ontwikkeld.34 In dit arrest is door de HR toegelaten de last, het krachtens erfrecht verkregen bedrag uit te keren binnen zes maanden na het overlijden aan weldadige instellingen, waarbij de verkrijger de keus had welke instellingen een bedrag zou krijgen en welk bedrag. Zie eerder HR 30 september 1925.
In 2024 is in notariaatsliteratuur de vraag gesteld, of een last in strijd kan komen met het EVRM (bescherming eigendomsrecht erfgenamen).35

HR 7 april 1967 (NJ 1967/378, ECLI:NL:HR:1967:AB9715) | Rechtspositie legitimarissen

Rechtspositie van legitimarissen die een beroep doen op hun wettelijk erfdeel. Bepaling der waarde van nagelaten en door de testamentaire universele erfgename des erflaters te eigen bate vervreemde onroerende goederen, welke in aanmerking moet worden genomen bij de scheiding en deling van de nalatenschap tussen de testamentaire erfgenamen (weduwe van de erflater) en uit haar huwelijk met de erflater geboren kinderen, die zich op hun legitieme hebben beroepen.

HR 19 september 1969 (NJ 1969, 402) | Makkumse ouderlijke boedelverdeling

Ouderlijke boedelverdeling – In een testament kunnen op de voet van art. 1167 BW (oud) bepalingen worden opgenomen waarbij de hele boedel wordt toebedeeld aan de echtgeno(o)te(e). Dit arrest dwong de regering tot een nieuwe wijziging in wetsontwerp Boek 4, erfrecht, dat door het notariaat zwaar werd bestreden.36
getipt voor publicatie als historisch mijlpaalarrest

In andere rechtstelsels begon zich midden vorige eeuw de overtuiging te manifesteren dat bij een gehuwd paar het overlijden van de man er niet toe mocht leiden dat de vrouw met lege handen achterbleef. In die tijd was de vrouwelijke partner in het huwelijk over het algemeen onbetaald met de huishouding en opvoeding belast. In Nederland had ze wettelijk letterlijk niets te zeggen, de man werkte betaald buitenshuis en kon zo voor het hele gezin geld verdienen. Hervormer Van Oven, de aandrijver van de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de vrouw in het huwelijk, pleitte voor overname van het verzorgingsbeginsel in het Nederlands erfrecht. Het notariaat liet Luijten een pre-advies schrijven, dat uitmondde in een notariële modelregeling, de ouderlijke boedelverdeling. Naar Duits voorbeeld (het Berliner Testament).
De notaris, van oudsher behoudend en mannelijk, vond de situatie van de afhankelijke vrouw op zich geen punt. Wel de situatie die er bij overlijden vaak was, dat de vrouw en de kinderen een gelijk deel erfden en de vrouw verder zonder eigen inkomen, zonder eigendom achterbleef. De zelfbedachte rechtsfiguur bestond er in veel variaties en was jarenlang met onzekerheden omgeven. Het notariaat werd hier niet mee geconfronteerd. De problemen speelden op bij overlijden en de pijn moest door de erfgenamen worden gedragen. En door de rechterlijke macht, die in conflicten op basis van deze ‘ruzietestamenten’ moest oordelen.

Basis van de ouderlijke boedelverdeling was gelegen in art. 1167 BW (oud):

De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tusschen hunne afkomelingen onderling of tusschen dezen en hun langstlevenden echtgenoot de verdeeling en scheiding hunne goederen maken.’

Bij het notariaat ontstond het idee om op grond van dit artikel alle goederen van de nalatenschap toe te delen aan de langstlevende echtgenoot, en om aan de kinderen slechts een geldvordering uit onderbedeling toe te kennen. Binnen het notariaat bestond discussie of dit daadwerkelijk mogelijk was.37 Ondertussen experimenteerde het notariaat er op los.38 Kuijk schreef in 1951 over de ouderlijke boedelverdeling ter bescherming van de langstlevende: ‘Misschien zal men het vreemd vinden, dat juist een notaris tot een constructie durft te adviseren, waarvan – dit zij toegegeven – allerminst in de praktijk gebleken is dat zij solide en onaanvechtbaar is.’ ‘Men zou er bovendien een test-case aan kunnen wijden. Deze moderne vorm van wetgeving heeft een zekere charme!’.39

Dit mijlpaalarrest is die testcase. De Procureur-generaal bij de Hoge Raad stelde cassatie in het belang van de wet in, tegen een in 1968 gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, waarin de toedeling van alle goederen aan de langstlevende werd beschouwd als een verdeling in de zin van art. 1167 BW (oud). De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en daarmee was de testamentaire ouderlijke boedelverdeling verheven tot een rechtsfiguur die was toegestaan in het Nederlands recht.

Sinds de invoer van het nu geldende erfrecht, per 1 januari 2003, kan niet langer bij testament rechtsgeldig een ouderlijke boedelverdeling worden gemaakt. De wet kent geen uiterste wilsbeschikking die dat mogelijk maakt en er geldt een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen.40 Het overgangsrecht bepaalt dat een onder oud erfrecht opgemaakte ouderlijke boedelverdeling ook bij openvallen van de nalatenschap onder het nieuwe erfrecht haar geldigheid behoudt.41

HR 12-05-1972 (NJ 1973, 53 – ECLI:NL:HR:1972:AC2476)42 | Meerzicht

Ouderlijke boedelverdeling: wettelijk erfdeel kan bij testament omgezet in geldvordering.

Samen met HR 19 september 1969, NJ 1969, 402 (Makkumse obv) en HR 21-12-1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5390, NJ 1974, 308 (Prof. Mulder) de eerste duidelijke arresten over geldigheid van de notariële modelregeling ‘langst-levende testament’ ofwel ‘ouderlijke boedelverdeling’ op de voet van art. 4:1167 BW (oud). | Met noot K. Wiersma.

Inleiding – Volgens het oude wettelijk versterfrecht, deelden de langstlevende echtgenoot en de kinderen de erfenis. Ieder voor een evenredig deel. In 1958 presenteerden de kandidaat-notarissen Emile Luijten – later professor – en J. Rombach de hoofdlijnen voor een testamentaire modelregeling die een volstrekt andere verdeling voorstond.43 Kort nadat de wettelijke handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw was opgeheven. Als voorbeeld gold het Duitse ‘Berliner Testament’. In de jaren zestig van de vorige eeuw werden geleidelijk steeds meer testamenten met deze regeling gemaakt. Een veelvoorkomende situatie was dat ‘moeder’ na overlijden van ‘vader’ in de voormalige echtelijke woning bleef zitten en alle activa uit de boedel behield, en dat de kinderen, die geen activa uit de nalatenschap verkrijgen, wegens onderbedeling een vordering op moeder krijgen ter grootte van hun versterfportie die pas opeisbaar is als de langstlevende is overleden. Meestal werd bepaald dat de vordering ook opeisbaar is als moeder failliet gaat en als zij in een verzorgingshuis wordt opgenomen. Moeder kreeg ook de verplichting opgelegd de boedelschulden geheel te voldoen; dat drukte de claims van de kinderen. Ten aanzien van de aan moeder toegedeelde zaken diende de voor die zaken relevante leveringshandelingen plaats te vinden.44

Het stond niet vast of deze regeling rechtsgeldig was, maar een groot deel van de notarissen dacht dat de Hoge Raad er positief over zou gaan oordelen. Dat gebeurde inderdaad ook, maar pas eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw.

Hoge Raad – Volgens art. 960 is het wettelijk erfdeel (tegenwoordig ‘legitieme portie’) een aandeel in goederen, waarover iemand niet bij uiterste wil, en evenmin bij gift, heeft mogen beschikken. Een ouderlijke boedelverdeling kan dit aandeel omzetten in een geldvordering, en wel wegens onderbedeling.
Noot red. De legitieme portie maakt tegenwoordig geen deel meer uit van de erfenis, maar is een vordering in geld op de erfgenamen.

HR 08-12-1972 (NJ 1973, 496) | Erven Hoitsma

Saisine

Ratio: Het beginsel van de saisine is sterk; zuiver aanvaarden brengt ook levering mee van iets waarover erflater onbevoegd alleen had beschikt. Van het echtpaar Hoitsma laat moeder bij overlijden vruchtgebruik na aan vader. Vader verkoopt in 1964 een perceel dat tot de nalatenschap behoort aan één van de vijf erfgenamen, Menno. Zij spraken af dat de koopsom zou worden kwijtgescholden wanneer Menno een aantal werkzaamheden zou verrichten aan een ander perceel van vader. Vader was tot het verkochte gerechtigd voor 7/12 gedeelte, terwijl ieder van de kinderen voor 1/12 gedeelte gerechtigd was. Vader, erflater, had zich dus in z’n eentje obligatoir verbonden tot een onroerende zaak waartoe hij slechts met de erfgenamen tezamen gerechtigd was.
In 1967 overlijdt de vader. Menno vordert levering van het perceel van de overige kinderen (erfgenamen), twee broers weigerden mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst, het passeren van de akte tot levering. Rechtbank en Hof wezen de vordering van Menno, strekkende tot veroordeling van de broers om mee te werken aan het passeren van de transportakte, toe. De HR wijst af.

bespreking arrest

HR 21-12-1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5390, NJ 1974/308 | Prof. Mulder

Horizontale ouderlijke boedelverdeling

Samen met HR 19 september 1969, NJ 1969, 402 (Makkumse obv) en HR 12-05-1972, NJ 1973, 53 (Meerzicht) de eerste duidelijke arresten over geldigheid van de notariële modelregeling ‘langst-levende testament’ ofwel ‘ouderlijke boedelverdeling’. Zie introductie arrest hierboven. | Met noot W.M. Kleyn en W. Kuizinga

In dit arrest werd bepaald, dat de testamentaire bepaling in een ouderlijke boedelverdeling, dat de vordering wegens onderbedeling van de kinderen pas opeisbaar wordt bij overlijden van de langstlevende, geen deel uitmaakt van de ouderlijke boedelverdeling. Derhalve kan deze bepaling een schending van de legitieme der kinderen opleveren.

In de praktijk werd dit dan weer door de notaris ‘afgedekt’ met een beroep op een dringende verplichting van moraal en fatsoen van de testateur jegens zijn echtgenote om haar, ook na zijn dood, op de oude voet te kunnen laten voortleven.

EHRM 13 juni 1979 (NJ 1980/462) | Marckx / België

Baanbrekend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor toepassing van grondrechten in het erfrecht in een zaak aangespannen door Paula en Alexandra Marckx tegen de staat België. Het Europees Hof stelde vast dat de toenmalige Belgische afstammingswetgeving door de bijzondere en afwijkende behandeling van kinderen van alleengaande vrouwen ten opzichte van kinderen geboren staande huwelijk, een schending opleverde van de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsmede artikel 1 van het eerste protocol van 20 maart 1952 bij dat verdrag. De eerste klacht begon met de beroemde woorden:

“Je suis un bébé de 10 mois, et je porte plainte contre la Belgique.”

De inhoud is leerstof en motivatie voor rechtenstudenten in heel Europa: CASE of MARCKX v. BELGIUM

HR 20 november 1980, NJ 1981, 440 | Erven Westenberg

Saisine

Het dalen van koopkracht staat in het algemeen niet aan het voortduren van een overeenkomst in de weg.
“Erfgenamen zijn in beginsel gebonden aan door hun erflater gesloten overeenkomsten en derhalve gehouden deze na te komen. Dit geldt ook voor een reeds lange tijd vóór het openvallen van de nalatenschap verleende koopoptie als de onderhavige, die een goed betreft dat ten tijde van het verlenen van de optie – ten dele – niet aan de erflater toebehoorde. De in het onderdeel vermelde omstandigheden brengen niet mee dat hier van dit beginsel zou moeten worden afgeweken.”
Daarop volgt enige nuancering:
“Weliswaar kan het feit dat de erven ten tijde van het overlijden van de erflater onkundig waren van de verlening van de optie, aan hen de bescherming ontnemen, die zij ter zake van hun eigen goederen kunnen ontlenen aan hun bevoegdheid de nalatenschap te verwerpen of niet dan onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, maar dit zal aan de bevoegdheid om van de optie gebruik te maken slechts kunnen afdoen, als de gerechtigde heeft nagelaten de erven na het openvallen van de nalatenschap tijdig van de optie op de hoogte te stellen in omstandigheden waarin hij dit in verband met hun voormelde bevoegdheden had behoren te doen. Omtrent zodanige omstandigheden is evenwel niets gesteld en het onderdeel bevat daaromtrent dan ook geen klacht.”
“Juist is dat ook in verband hiermee de omstandigheden kunnen meebrengen dat de optiegerechtigde na overlijden van zijn wederpartij de erfgenamen van deze omtrent het bestaan van de optie behoort te informeren. Ook hiervoor zijn echter noch voldoende omstandigheden gesteld, noch in het onderdeel aangeduid, waarbij met name van belang is dat niet de vraag aan de orde is gesteld in hoeverre Van Hooren zich destijds van de gestelde onkundigheid van de erven met de optie rekenschap had behoren te geven.”

HR 21-11-1980, ECLI:NL:HR:1980:AC7049 | Uitsluitingsclausule

Een erfrechtelijke verkrijging valt buiten de wettelijke gemeenschap van goederen van het Nederlandse recht, wanneer de erflater in zijn uiterste wilsbeschikking een uitsluitingsclausule heeft opgenomen. Art. 1:94 lid 1 (oud) BW – thans art. 1:94 lid 2, onder a, BW – eerbiedigt de uitdrukkelijke wil van de erflater, blijkend uit zijn uiterste wilsbeschikking, om de erfrechtelijke verkrijging buiten de gemeenschap van goederen te houden. In verband met de strekking van de bepaling kan worden gewezen op het arrest van Uw Raad van 21 november 1980, waarin is overwogen dat de wil van de erflater om goederen uitdrukkelijk buiten boedelmenging te houden dwingendrechtelijke betekenis heeft, zodat de echtgenoten niet kunnen afwijken van de uitsluiting van het verkregen goed door het maken van huwelijkse voorwaarden.9

HR 30-01-1981, NJ 1982, 56 (publicatie) | Baarns Beslag

Een gebruik dat bestaat in de notariële praktijk, ontslaat niet van aansprakelijkheid. Met noot Kleyn. Aansprakelijkheid notaris wegens wanprestatie, waaraan art. 73 Wet op het Notarisambt niet in de weg staat. In dit overzicht opgenomen, omdat in het erfrecht veelvuldig gebruik wordt gemaakt van testamentaire modelregelingen waarvan de rechtsgeldigheid (nog) niet door bestendige hogere jurisprudentie is bevestigd. Bijvoorbeeld de verdelende driesterrenexecuteur.

Casus – Gebruikelijk is dat de koper van een registergoed de koopsom ‘in handen van’ de notaris stort. Bij levering is gebruikelijk dat verkoper en koper met elkaar overeenkomen dat de levering vrij van hypotheken en beslagen plaats zal vinden. Ter uitvoering van een koopovereenkomst onroerend goed wordt op 10 augustus 1977 om ongeveer 10.00 uur een transportakte verleden. Om ongeveer 11.00 uur wordt een deel van de koopsom aan de hypotheekhouder betaald en het restant aan de verkoper. Achteraf blijkt dat om 14.30 uur de ontvanger ten laste van de verkoper executoriaal beslag op de onroerende zaak heeft gelegd. De notaris verstuurt de transportakte ter overschrijving in de registers op 10 augustus. De overschrijving vindt op 11 augustus 1977 plaats. Het beslag op de onroerende zaak is dus gelegd tussen verlijden van de transportakte en inschrijving van die akte in de openbare registers. Ter afwering van een vordering uit hoofde van beroepsaansprakelijkheid wees een notaris erop dat een bepaalde praktijk, te weten het uitbetalen van de koopsom voordat een narecherche had plaatsgevonden, in het notariaat algemeen gebruikelijk was.

Hoge Raad overweegt ten aanzien van dit argument van de notaris als volgt:

“Een zodanige praktijk – hoezeer begrijpelijk in verband met de wens een vlotte afwikkeling van transacties in onroerend goed te bevorderen – brengt noodzakelijkerwijs mee dat de notaris de koper aan bepaalde, in beginsel vermijdbare risico’s blootstelt, waarvan deze in de regel niet op de hoogte zal zijn en waartegen deze zich ook moeilijk kan wapenen. Deze praktijk kan de notaris dan ook niet van zijn aansprakelijkheid ontslaan, wanneer een zodanig risico zich verwezenlijkt.”

De notaris mag de tegenprestatie van de koper pas ter beschikking stellen van diens wederpartij nadat is gecontroleerd dat de levering inderdaad vrij van hypotheken en beslagen heeft plaatsgevonden. Een correcte narecherche zal moeten uitwijzen of hieraan is voldaan. De notaris kan uitbetalen zodra de narecherche een actueel beeld geeft van hypotheken en beslagen die aan de koper kunnen worden tegengeworpen.

Nadien. Het Gerechtshof Amsterdam overwoog bij arrest van 9 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:696, dat langjarig gebruik van nietige modelregeling in de notariële praktijk alleen er niet toe kan voeren dat een model voor rechtsgeldig kan worden gehouden.

► zie Jarenlang gebruik nietige modelregeling in notariële praktijk kan niet tot rechtsgeldigheid voeren

HR 16 april 1982, NJ 1982, 580 | Erven Sanders of Sanders / Sanders

Vader Sanders legateert aan zijn dochter Dirkje een woning. Ten aanzien van die woning staat vast dat vader Sanders ten behoeve van zoon Gijsbertus een woonrecht heeft verleend zonder daarbij een tegenprestatie te bedingen. Daarover hebben vader en zoon Gijsbertus reeds eerder tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. Vader Sanders komt te overlijden. Is dochter Dirkje aan de overeenkomst met Gijsbertus gebonden? Door Gijsbertus wordt onder meer gesteld dat de dochter als rechtsopvolgster van vader gehouden is aan de overeenkomst uitvoering te geven. Dirkje vordert bij de rechtbank ontruiming van het door Gijsbertus bewoonde pand en betaling van een vergoeding wegens het gebruik door Gijsbertus, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank wijst deze vorderingen toe, behalve de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het hof bekrachtigt het vonnis en verklaart het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad. Gijsbertus gaat in cassatie en komt met een aantal middelen op tegen het arrest van het hof.
Volgens de Hoge Raad zijn de bedoelde verplichtingen niet op Dirkje overgegaan in haar hoedanigheid van erfgename van haar vader. Dirkje heeft de eigendom van het onroerend goed niet verkregen als erfgenaam. Volgens de saisine-regel zou ze dan erfopvolgster onder algemene titel van haar vader zijn, maar als legataris tegen inbreng, onder bijzondere titel. op haar rusten daarom niet de verplichtingen die op erfgenamen rusten. Evenmin zijn de bedoelde verplichtingen uit hoofde van hun kwalitatieve aard – daarin gelegen dat zij op de vader rustten in diens hoedanigheid van eigenaar van het onroerend goed – overgegaan op Dirkje als verkrijgster van dat goed onder bijzondere titel.Voorts is geen sprake van een huurovereenkomst in de zin van het huurrecht, omdat Gijsbertus geen huur betaalt (essentieel). De HR verwerpt het beroep.

HR 8 april 1983, NJ 1984, 159
HR 10 april 1987, NJ 1987, 972) | Van de Brandhof / Erven Mulder

Botsing tussen de verplichting tot levering van een verpacht perceel op grond van een legaat en het voorkeursrecht van de pachter op grond van de Pachtwet. De pachters zijn in dit geval weer tevens erfgenamen. De legataris is een derde.

naar bespreking arrest

HR 11-05-1984, NJ 1985, 374 | Verhoeven / Peeters

Een legaat schept een verbintenis tot verplichting van afgifte van een bepaald goed. Het gelegateerde
goed moet nog geleverd worden (art. 3:84 BW). Nederlandse wetgeving kent niet het legaat met goederenrechtelijke werking, zoals bijvoorbeeld in België. De erfgenamen moeten gezamenlijk beslissen of vrijwillig aan de verplichting wordt voldaan. Met dit arrest week de Hoge Raad af van de historische arresten HR 19 april 1861, W 2268 en 4 maart 1881, W 4622.45

HR, 25-10-1985, NJ 1986, 308 | Grafrecht

Materiële kenmerken uiterste wil

Zie ook: HR 3 april 1914, NJ 1914, 721 (Dubbele villa) en HR, 25 april 1929, NJ 1929, 1319 (Van Doveren)

HR 09-09-1988, LJN: AC1018, NJ 1989, 239 | Erven Van der Kammen

Breukdelenvisie. Huwelijksgemeenschap van goederen is breukdelengemeenschap. Annotatie W.M. Kleijn.
“De langstlevende, die vóór het overlijden van de erflater reeds voor de helft tot elk goed van de gemeenschap gerechtigd was, wordt door dat overlijden ingevolge de hier bedoelde testamentaire boedelverdeling voor het geheel tot elk goed gerechtigd.”
Koerswijziging: in HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9239

HR 20-01-1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586 (NJ 1989, 766) | Groningse notaris

Rechten en plichten notaris (deontologie): Belehrungspflicht, Informatieplicht van notaris jegens cliënt, beroepsaansprakelijkheid. NJ 1989, 766 met annotatie van E.A.A. Luijten.

Casus: Eiseres huwde in 1951 op huwelijkse voorwaarden (gemeenschap van vruchten en inkomsten) met Z, van beroep notaris ter standplaats Groningen. In die tijd had een gehuwde vrouw geen zeggenschap over de huwelijkse goederen en mocht ze niet zelfstandig beschikkingshandelingen verrichten. In 1979 werd tussen hen scheiding van tafel en bed uitgesproken. In de tussentijd is het huwelijksgoederenregime door de notaris omgezet naar een algehele gemeenschap van goederen, zonder zich ervan te vergewissen of eiseres op de hoogte was van de benarde financiële toestand van haar echtgenoot. Eiseres stelt dat de notaris zo doende een onrechtmatige daad jegens haar pleegde. Ze stelt dat het aan zijn schuld is te wijten, dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap haar vermogen vrijwel geheel bleek te zijn aangewend voor de betaling van de schulden van Z, waardoor zij naar voorzichtige schatting een schade heeft geleden van ƒ 350 000. De notaris heeft nagelaten om haar te wijzen op de consequenties van de omzetting van het huwelijksgoederenregime.

In deze zaak stond de voor de notariële praktijk belangrijke vraag centraal of de notaris een informatieplicht had jegens eiseres bij de omzetting van de huwelijkse voorwaarden in algehele gemeenschap van goederen, en derhalve of een notaris gehouden is om voorlichting te geven over de gevolgen die rechtshandelingen met zich meebrengen voor de partijen die hij bijstand verleent.

De Hoge Raad overweegt dat het verweer onjuist is, dat een notaris bij het verlijden van een akte nooit tot meer is gehouden dan tot het geven van een zakelijke toelichting op de inhoud van de akte. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de notaris beroepshalve is gehouden tot het geven van verdergaande informatie, en met name gehouden is te wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. In dit verband spreekt men van een ‘Belehrungspflicht’ van de notaris.

De Hoge Raad: “Dat notaris [verweerder] niet tekort is geschoten, valt niet daarop te baseren dat hij heeft mogen veronderstellen dat [eiseres] van de benarde financiële situatie van haar echtgenoot op de hoogte was; daartoe is nodig dat hij zich dienaangaande zekerheid had verschaft.”

► Zie ook het artikel: Rol van het notariaat bij de vorming van recht
en: Afschrikbewindvoerder en eigensomsrecht – rol van de notaris

HR 23-06-1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0830 (NJ 1989, 580) | Erven Gaasbeek

Saisine

Erfgenamen zijn als rechtsopvolgers onder algemene titel in beginsel gebonden aan door de erflater aangegane overeenkomsten en gehouden deze na te komen. Dit geldt ook voor een reeds langere tijd voor het openvallen van de nalatenschap gesloten koopovereenkomst als de onderhavige, die onroerende zaken betreft die ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst ten dele niet aan de erflater toebehoorden. Wanneer een bij het leven gesloten overeenkomst een goed tot onderwerp heeft waartoe de erflater slechts deels gerechtigd is, dienen de erfgenamen in beginsel toch het gehele goed te leveren, zoals erflater was overeengekomen. Aan de leveringsverplichting doet niets af dat de erven al eerder deels gerechtigd waren. Erfgenamen volgen in beginsel op in de rechtsbetrekking (als is aanvaard), en ze moeten de plicht van levering uitvoeren, zoals uit de overeenkomst volgt.

Casus: Vader Gaasbeek verpachtte in aug. 1977 een boerderij aan zoon Teunis. Vader Gaasbeek overleed op 5 dec. van datzelfde jaar. In de pachtovereenkomst, die goedgekeurd werd door de grondkamer, was een koopoptie opgenomen ten behoeve van Teunis. Ten tijde van het sluiten van de pachtovereenkomst was naast vader, een aantal familieleden medegerechtigd tot de verpachte boerderij (deels erfgenamen, deels andere familieleden/niet-erfgenamen van vader Gaasbeek).
Tijdens de verdeling rezen zwarigheden tussen de erfgenamen en de overige gerechtigden tot de onverdeeldheid waartoe de boerderij behoorde. De deelgerechtigden die de koopoptie niet wensten uit te voeren, wilden de boerderij aan de meest biedende verkopen. Daartoe vorderden zij bij de Rechtbank vernietiging dan wel nietigverklaring van de pachtovereenkomst, althans een verklaring voor recht dat de gezamenlijke eigenaren van de boerderij gerechtigd zijn de boerderij te verkopen aan de meest biedende, vrij van pacht of enig ander eigendom beperkend recht.
De Rechtbank wees de eerste vordering toe. Het Hof bekrachtigde het vonnis van de Rechtbank. Hiervan ging Teunis in cassatie. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“3.2 De onderdelen 1 en 2 richten zich tegen het in de r.o. 4 en 8 van ‘s-hofs arrest besloten liggende oordeel dat, nu de erflater niet bevoegd was namens alle deelgenoten de boerderij te verpachten en Friedhelm Lucks (evenals destijds Johann Gelder sr.) als niet-erfgenaam aan de pachtovereenkomst niet gebonden is en dus niet tot nakoming daarvan kan worden veroordeeld, de verpachting met koopoptieverlening voor de deelgenoten als zodanig rechtens geen betekenis heeft en als niet bestaande moet worden beschouwd.
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de onderdelen doel treffen. Erfgenamen zijn als rechtsopvolgers onder algemene titel in beginsel gebonden aan door de erflater aangegane overeenkomsten en gehouden deze na te komen. Dit geldt ook voor een overeenkomst welke betrekking heeft op een goed dat aan de erflater, zijn erfgenamen en een of meer anderen gezamenlijk toebehoorde en welke door de erflater zonder de vereiste medewerking van de overige deelgenoten is gesloten. De omstandigheid dat de deelgerechtigden die niet erfgenaam zijn, de zonder hun medewerking gesloten overeenkomst niet tegen zich behoeven te laten gelden, staat aan de persoonlijke gebondenheid van de erfgenamen en hun verplichting tot nakoming of, zo nakoming niet mogelijk is, tot schadevergoeding niet in de weg.”

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Hof in Leeuwarden, teneinde de subsidiaire vorderingen te beoordelen.

Erven Gaasbeek is nog steeds leidend. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland, 09-07-2021, C/05/388543 / KG ZA 21-173 ECLI:NL:RBGEL:2021:3586

HR 7-12-1990 (NJ 1991, 593) | Onwaardige deelgenoot of Moordhuwelijk

  • Zie voor eenzelfde vraagstuk over toepassing van de wet, recht en rechtvaardigheidsgevoel het meer recente arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023 en Hoge Raad in de Beuningse martelmoord (waarschuwing, het arrest bevat gruwelijke details over zware mishandeling)

Ontbinding gemeenschap en verdeling. Afwijking van de wet, art. 1:100 lid 1 BW, is niet geheel uitgesloten maar alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) is een verdeling van een huwelijksgemeenschap bij helfte onaanvaardbaar als de ene echtgenoot de ander om het leven heeft gebracht. De man huwde de door hem verzorgde, veel oudere en hulpbehoevende vrouw om zich van haar vermogen meester te maken, had reeds ten tijde van of kort na de huwelijkssluiting het plan haar te doden en geeft daaraan uitvoering.46 Deze toepassing van de redelijkheid en billijkheid levert geen schending op van art. 8 en 14 EVRM, art. 1 Eerste Protocol EVRM, of art. 17 en art. 26 IVBPR. Vonnis rechtbank NJ 1988, 992, arrest hof NJ 1989, 369, ro. 5.12: ‘Onder deze omstandigheden en in het bijzonder gelet op het korte tijdsverloop (vijf weken, red.) tussen de sluiting van het huwelijk en de moord op mevrouw Van Wylick moet er, behoudens — niet aangeboden — tegenbewijs van worden uitgegaan, dat L uitsluitend met mevrouw Van Wylick is gehuwd om zich van haar vermogen meester te maken en dat hij reeds ten tijde van de huwelijksvoltrekking, althans vrijwel onmiddellijk daarna, het voornemen had mevrouw Van Wylick, indien zij niet op zeer korte termijn een natuurlijke dood zou sterven, van het leven te beroven.”

naar noot professor Luijten

HR 01-10-1993 (NJ 1994, 257) | Ontvanger / Pellicaan

Schenking (4:126). Bij een verblijvingsovereenkomst tussen samenwoners is geen sprake van benadeling van de schuldeisers en kon langstlevende dit ook niet weten.
Een van de arresten waarmee de Hoge Raad een stelsel ontwierp vergelijkbaar met het quasi-legaat onder het huidige recht. Samen met:
○ HR 16 maart 1965, NJ 1966, 328 m.nt. JHB (De Rooy-De Rooy)
○ HR 7 februari 1997, NJ 1997, 595 m.nt. WMK (Kanscontract en legitieme)

HR 15-06-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5687 (NJ 1995, 577) | Vrijgevigheid

Successiewet. Voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat, gelijk naar het oordeel van het Hof in de verhouding van X-Y ten opzichte van haar gewezen echtgenoot het geval is geweest, degene die verarmd is de verrijking van de andere partij heeft gewild.

HR 2 december 1994 (NJ 1995, 548) | Rekening en verantwoording over gevoerd beheer

Zie ook HR 13 mei 2005, LJN: AS4167 | Rekening en verantwoording gevolmachtigde?

HR 06-10-1995 (NJ 1996, 105) | Omzetting natuurlijke verbintenis

Natuurlijke verbintenis/andere wettelijke rechten. De omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verbintenis kan uit verklaringen en gedragingen blijken (6:5). Door de omzetting in een civiele verbintenis zijn de erfgenamen gehouden de tweede termijn premiebetaling ook te voldoen. Natuurlijke verbintenis/andere wettelijke rechten. De omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verbintenis kan uit verklaringen en gedragingen blijken (6:5). Door de omzetting in een civiele verbintenis zijn de erfgenamen gehouden de tweede termijn premiebetaling ook te voldoen.

HR 17-01-1996 (BNB 1996, 112c) | Vereisten testamentaire last

Delegatie. Delegatie is bij erfstellingen strikt verboden. De Hoge Raad heeft echter geen moeite met delegatie in de vorm van een testamentaire last. In dit arrest wordt verwezen naar het beginsel van testeervrijheid en geleerd dat met dit beginsel als uitgangspunt aan de betreffende beschikking voorwaarden en voorzieningen verbonden kunnen worden.

HR 3 mei 1996, ECLI:NL:1996:ZC2063 (NJ 1996, 473) | Conservatoir beslag ter verzekering toekomstige vordering (alimentatie)

Conservatoir beslag voor toekomstige alimentatietermijnen is, bij uitzondering, mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld bij gebleken betalingsonwil.

Casus – Man en vrouw zijn voormalig echtgenoten; ze hebben samen een kind. De rechter legde de man een alimentatieverplichting op tegenover de vrouw en hun zoon. De betalingen verlopen moeizaam, de vrouw was genoodzaakt een aantal malen executoriaal beslag op het huis van de man te laten leggen.47

Als de vrouw verneemt dat de man een hypotheek op zijn woning wil vestigen, vraagt ze in een spoedprocedure (Kort Geding) aan de president van de rechtbank Rotterdam verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de woning, en wel als zekerheid voor de alimentatieverplichtingen voor de komende twaalf jaar.48 De president verleent dit verlof en de vrouw laat conservatoir beslag leggen op het huis.

De man vordert in kort geding bij de president van de rechtbank Rotterdam opheffing van het conservatoir beslag. Hij stelt dat de aanhangig te maken procedure niet de betaling van alimentatie tot inzet kan hebben, omdat de man al tot betaling van alimentatie is veroordeeld, en dat er geen grondslag is voor het vorderen van zekerheid voor toekomstige termijnen. De vordering tot opheffing wordt afgewezen. De president vindt dat een conservatoir beslag ter zake van in de toekomst te verwachten alimentatievorderingen niet onmogelijk is en dat het beslag ook alleszins passend is te achten, gelet op ’s mans vermogen en op het feit dat de man niettemin de veroordeling, de alimentatie niet op correcte, regelmatige wijze betaalde en betaalt.

Het hof Den Haag bekrachtigt het vonnis. Gelet op de gebleken betalingsonwil van de man ‘was er’, aldus het hof, ‘voor de vrouw alle aanleiding zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen tegenover haarzelf en de zoon van hen beiden, waarmee het leggen van het conservatoir beslag (waaromtrent de president ook naar de mening van de man terecht heeft overwogen dat zo’n beslag in casu rechtens niet onmogelijk is) alleszins gerechtvaardigd was’.

De Hoge Raad beslist dat conservatoir beslag in beginsel ook kan worden gelegd ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is (rov. 3.7). Dit geldt ongeacht de ontstaansgrond van die vordering. Zie HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271, NJ 2016/400 m.nt. S. Perrick, JIN 2016/175, m.nt. A.W. Jongbloed, RFR 2016/121, waar het om een erfrechtelijke vordering gaat.

HR, 17 januari 1997, NJ 1997, 483 | Onwettig, niet erkend kind

Erfrechtelijke positie bij biologische afstamming

HR 31 januari 1997 (NJ 1998, 327) | ‘Mijn echtgenote … alsmede haar twee zonen’

Uitleg uiterste wilsbeschikking (nu art. 4:46). De enkele zinsnede ‘mijn echtgenote..’ is niet voldoende om een beschikking van een uiterste wilsbeschikking in de toekomst ook van kracht te laten blijven. De uitleg van de uwb noopt tot het kijken naar de situatie op het moment dat erflater alweer met iemand anders is gehuwd.

Casus: Erflater heeft bij testament tot enige erfgenamen van zijn nalatenschap benoemd: ‘mijn echtgenote mevrouw X, alsmede haar twee zonen Y en Z’. Nadien is hij van deze vrouw gescheiden.      

Het hof heeft geoordeeld dat de testamentaire beschikkingen ten gunste van die (eerste) echtgenote van de erflater en haar twee zonen, uitgelegd naar de door het hof uit de woorden ‘mijn echtgenote’ afgeleide bedoeling van de erflater ten tijde van het maken van het testament, uitsluitend golden voor de situatie dat hij op het tijdstip van zijn overlijden nog met die eerste echtgenote gehuwd zou zijn.
Volgens de Hoge Raad heeft het hof aldus niet miskend dat de rechter volgens artikel 4:932 en 933 (oud) BW eerst indien de bewoordingen van een testament onduidelijk zijn, de bedoeling van de erflater mag en moet opsporen. In overwegingen van het hof ligt immers besloten het oordeel dat de bewoordingen van het onderhavige testament voor meer dan één uitleg vatbaar zijn. Het hof heeft de bedoeling van de erflater ten tijde van het maken van het testament vastgesteld en is niet uitgegaan van de veronderstelde wil van de erflater. Het hof heeft bij zijn uitlegging geen onjuiste maatstaf aangelegd.          


HR 07-02-1997 (NJ 1997, 595) | Verblijvensbeding – kanscontract en legitieme

Schenking. Een verblijvensbeding in een samenlevingscontract is geen benadeling van de schuldeisers of legitimarissen aangezien dit een kansovereenkomst zonder bevoordelingsbedoeling is. De kans dat een van de samenwoners eerder sterft dan de ander is even groot. Met noot WMK.

Een van de arresten waarmee de Hoge Raad een stelsel ontwierp vergelijkbaar met het quasi-legaat onder het huidige recht, dat onder het oude recht niet bestond. Samen met:
○ HR 16 maart 1965, NJ 1966, 328 m.nt. JHB (De Rooy-De Rooy)
○ HR 1 oktober 1993, NJ 1994, 257 m.nt. WMK (Ontvanger-Pellicaan)

In het oude recht werd wederkerigheid bij gelijke levens- en sterftekansen als redelijke tegenprestatie gezien.
Een dergelijk verblijvingsbeding werd gezien als kanscontract indien was voldaan aan de eis dat ten tijde van het opstellen van het beding ongeveer gelijke levens- en sterftekansen golden voor beide partijen.
Deze kwalificatie kon ook worden ingeroepen jegens legitimarissen van de overleden partner, waardoor bij een verblijvingsbeding ten aanzien van een belangrijk deel van zijn vermogen diens nalatenschap hiermee was verkleind. De aanspraak van zijn legitimarissen strekte zich dan niet ook uit over hetgeen krachtens het verblijvingsbeding ten tijde van leveringsclausule in de overeenkomst het verbleven goed ook al direct was geleverd aan de langstlevende partner, maar indien deze clausule niet was opgenomen, vormde het verblijvingsbeding in ieder geval een titel voor de levering die vaak door de langstlevende krachtens een onherroepelijke volmacht in het contract kon worden uitgevoerd aan zichzelf (Selbsteintritt, art. 3:68 BW).
De ‘oude leer’ geldt nog wel op andere terreinen dan bij de inkorting en de vermindering. Dat betekent dat bijvoorbeeld een verkrijging op grond van een wederkerig verblijvingsbeding in een samenlevingscontract, gesloten door partijen met gelijke levens- en sterftekansen, niet wordt belast met schenkbelasting. Zolang geen van partijen legitimarissen heeft, kunnen zij net als vroeger desgewenst volstaan met het opnemen van een verblijvingsbeding (al dan niet tegen inbreng van de waarde) om zonder testament bepaalde gemeenschappelijke goederen toe te delen aan de langstlevende zodat hun a.i.- erfgenamen daar geen aanspraak op kunnen doen gelden.49

HR 12-05-1999 (AA2756) ECLI:NL:HR:1999:AA2756 | Arbeidskostenforfait

Taak en speelruimte rechter bij constatering schending internationaal verdrag

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966

Hier heeft de Hoge Raad in principiële zin uitgemaakt dat de rechter bij een verdragsschending alleen in het rechtstekort mag voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dat dient te geschieden. In gevallen waarin verschillende oplossingen denkbaar zijn en de keuze daaruit mede afhankelijk is van algemene overwegingen van overheidsbeleid of waarin belangrijke keuzes van rechtspolitieke aard moeten worden gemaakt, is het echter, gelet op de “staatsrechtelijke verhoudingen” en de “staatsrechtelijk gewenste terughoudendheid”, aangewezen dat de rechter die keuzes aan de wetgever laat.

In samenhang met het arrest over de box-3 vermogensrendementsheffing van de Belastingdienst:
HR 24-12-2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963 (NTFR 2022/37) (zie verder)

HR 30-06-2000 (NJ 2001, 389) ECLI:NL:HR:2000:AA6341 | Bewijskracht verklaring van erfrecht

Verklaring van erfrecht heeft ten aanzien van wie als erfgenaam wordt aangemerkt geen dwingende bewijskracht, echter wel voor derden als derdenbescherming. Noot H.J. Snijders. Vergelijk: HR 25 juni 1999, NJ 1999, 602. Zie over het karakter van de verklaring van erfrecht Handboek Erfrecht, Verstappen, alsmede Verstappen, WPNR 6352 en 6357 (1999).

Casus – De man vordert (vanwege zijn gezondheidstoestand in kort geding) een bedrag van ƒ 57.077,- vermeerderd met de wettelijke rente, van de vrouw wegens te veel betaalde alimentatie. De vrouw vordert in reconventie op haar beurt uit hoofde van gedeeltelijke boedelscheiding een bedrag van ƒ 23.850,–, en ter zake van haar aandeel in het pensioen van de man een bedrag van ƒ 12.898,88. De vordering van de man wordt helemaal toegewezen en die van de vrouw gedeeltelijk. De man overlijdt kort voor dit vonnis. Hij zou op voorhand aan zijn advocaat hebben verzocht de procedure na overlijden voort te zetten, dan in opdracht van mw. P., die bij testament van de man d.d. 13 augustus 1992 is aangewezen als diens enige erfgename. Zij woont in Thailand.

De vrouw komt van dit vonnis in hoger beroep, met dagvaarding van de gezamenlijke erfgenamen van de man. Het Hof heeft voor de legitimatie van de vriendin van de overleden man als rechtsopvolgster van de eiser in dit kort geding genoegen genomen met de verklaring van erfrecht. De vrouw maakt hiertegen bezwaar en stelt dat het Hof zelfstandig had behoren te onderzoeken of de vriendin van de overleden man ten tijde van het overlijden samenwoonde met de man, nu dit de in het testament gestelde voorwaarde was. De vraag is of de verklaring van erfrecht dwingend bewijst dat de enige vriendin van de man de erfgename van de man is.

Hoge Raad – 3.3.1. Onderdeel 1 klaagt dat het Hof uitsluitend de verklaring van erfrecht tengrondslag heeft gelegd aan zijn vaststelling dat de vriendin van de overleden man als enige erfgenaam van de man gerechtigd is de onderhavige procedure te voeren. Het onderdeel treft doel. Het Hof heeft, aldus overwegende, hetzij blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent het rechtskarakter van de verklaring van erfrecht, die voor wat betreft de slotsom van de notaris ten aanzien van de vraag wie als erfgenaam moet worden aangemerkt, geen dwingende bewijskracht heeft, maar slechts bewerkstelligt dat een derde die op zodanige verklaring afgaat, te dien aanzien als te goeder trouw geldt, hetzij zijn vaststelling ontoereikend gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet duidelijk is op welke gronden het Hof
tegenover de betwisting door de vrouw heeft aangenomen dat de in het testament opgenomen voorwaarde was vervuld dat de man ten tijde van zijn overlijden samenwoonde met de vriendin van de overleden man. De Raad vernietigt het arrest van het Hof te Leeuwarden en verwijst het geding naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

HR 17-11-2000, (NJ 2001, 349) | Uitsluitingsclausule

Uitleg uiterste wilsbeschikking (4:46 BW). Wanneer een uitsluitingsclausule niet in een uiterste wil is opgenomen, omdat de notaris door mededelingen ervanuit is gegaan dat de verkrijger niet gehuwd is dan mag deze er niet in gelezen worden. Beperkte uitleg bedoeling erflater.

HR 16-01-2004 (NJ 2004, 487) ECLI:NL:HR:2004:AN8282 | Boerenplaatsje

Beschikken bij testament over fidei-commis vermogen

Casus – In 1960 benoemde de insteller de bezwaarde in haar testament tot enig erfgenaam, onder de last van een fidei-commis. De insteller bepaalde dat de bezwaarde bij testament over het ‘boerenplaatsje’ (een onroerende zaak) mocht beschikken, dat onderdeel uitmaakte van de nalatenschap van de insteller. In 1978 overlijdt de insteller. De bezwaarde beschikt in 1980 bij testament over zijn nalatenschap en bepaalt dat hij met de erfstelling ook over het boerenplaatsje beschikt, in die zin dat het boerenplaatsje in zijn nalatenschap is begrepen. De bezwaarde overlijdt in 1997. Tussen de erfgenaam van de bezwaarde en de verwachters is in geschil tot wiens nalatenschap het boerenplaatsje behoort (tot die van de bezwaarde of die van de insteller).
De Hoge Raad oordeelt vervolgens, voor zover hier van belang:
“3.5 (…) Geen regel van erfrecht zoals dat gold verzet zich tegen een testamentaire making als bedoeld in art. 4:928 (oud) BW waarbij de erflater de bezwaarde niet slechts de vrijheid laat het hem gemaakte te vervreemden of te verteren, doch hem eveneens de bevoegdheid verleent daarover bij testament te beschikken. (…) Er is geen grond om aan te nemen dat het in strijd is met het tot 1 januari 2003 geldende wettelijk stelsel de erflater de vrijheid te laten om in een geval van een fideï-commis de residuo aan de bezwaarde de bevoegdheid toe te kennen om over het gemaakte bij testament te beschikken. In dat geval is sprake van een fideï-commissaire making onder de voorwaarde dat zij slechts van kracht is, indien en voor zover de bezwaarde niet bij uiterste wil over de fideï-commissair vermaakte zaken mocht blijken te hebben beschikt. Is zulks wel het geval, dan vallen de bedoelde zaken niet langer onder het fideï-commissair verband.
3.6 Opmerking verdient nog dat in het erfrecht zoals het sedert 1 januari 2003 van kracht is, het fideï-commis de residuo niet meer als afzonderlijke rechtsfiguur is geregeld, doch beheerst wordt door hetgeen de wet omtrent voorwaardelijke makingen behelst, met dien verstande dat ingevolge art. 4:141 BW de in art. 4:140 neergelegde beperking in de tijd van de werking van aan erfstellingen verbonden voorwaarden niet geldt voor makingen als hier bedoeld. Het effect van een fideï-commis de residuo onder het oude recht kan thans worden bewerkstelligd door een making aan de bezwaarde onder de ontbindende voorwaarde dat de verwachter de bezwaarde zal overleven, met een daarop aansluitende making aan de verwachter onder dezelfde voorwaarde, doch in opschortende vorm. Zoals ook blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 aangehaalde passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van de nieuwe wetgeving, staat het de erflater vrij de aan een dergelijke making verbonden voorwaarden aldus te formuleren dat de te vermaken zaak of zaken slechts dan aan de verwachter zal (zullen) toevallen indien deze de bezwaarde overleeft en laatstgenoemde niet bij uiterste wil over die zaak (zaken) heeft beschikt.”50

HR 03-12-2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0196 (LJN: AR0196) | Kaders en grenzen uitleg erfstelling

Uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te gebeuren naar objectieve omstandigheden en de verhoudingen die erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen. Een zuiver taalkundige uitleg is niet voldoende. De Hoge Raad overwoog:

  • “Ook naar oud recht gold echter al de inmiddels in artikel 4:46 BW vastgelegde norm dat bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt.”

Dit arrest heeft de pennen in beweging gebracht. De Hoge Raad zet ‘de uitlegsluizen open’ (Kleyn, Kolkman), brengt de rechtszekerheid in het geding; op deze manier is het werk van de notaris weinig meer waard.

De Hoge Raad gaat in 2023 een flinke stap verder en blikt namens erflater ook in de toekomst: HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.

HR 08-06-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507 (NJ 2008, 220) | Verzorgingsvruchtgebruik

Natuurlijke verbintenis/andere wettelijke rechten. Erfgenamen zijn niet zonder meer verplicht mee te werken aan het vestigen van een verzorgingsvruchtgebruik ten behoeve van een onterfde echtgenote, het gaat om een vangnetfunctie; als geen behoeftigheid bestaat bij de langstlevende, geen verzorgingsvruchtgebruik. Een beroep op art. 4:30 BW komt de langstlevende niet zonder meer toe, bewezen moet worden of het vruchtgebruik daadwerkelijk nodig is om te voorzien in de zorgbehoefte. De omvang van de nalatenschap is niet van belang voor het antwoord op de vraag wat een passend verzorgingsniveau is.

HR 05-10-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6756 (NJ 2008/296) | Afwikkeling erfenis, zaaksvervanging in fideï-commis vermogen

Volgens de uiterste wil van erflater was zijn echtgenote zijn enig erfgenaam en bezwaarde, tot verwachter benoemde hij zijn neef. De echtgenote was, samen met haar broer, gerechtigd tot de onroerende zaak waarin erflater en zij gedurende hun huwelijk hadden gewoond. Na het overlijden van erflater gaan de echtgenote en haar broer over tot verdeling van de woning die aan de echtgenote wordt toegedeeld. Financiering van de verkrijging van de helft van de woning vindt door de echtgenote plaats uit vermogen dat object is van de making over de hand. Toen de echtgenote overleed, bleek haar broer haar enige erfgenaam te zijn. De onroerende zaak werd door de broer verkocht. De neef van erflater (verwachter) stelt dat zaaksvervanging heeft plaatsgevonden en eist de helft op van de verkoopopbrengst van de woning. De helft van deze opbrengst was hoger dan het door de echtgenote uit het voorwaardelijk verband gefinancierde bedrag ter verkrijging van de onverdeelde helft van de woning. Object van geschil was dus of de verwachter recht had op de helft van de verkoopopbrengst van de woning. Noch in de lagere instanties noch bij de Hoge Raad lag de vraag voor of de verwachter door zaaksvervanging rechthebbende geworden was van de onroerende zaak of van de bankrekening waarop door de koper de koopsom was gestort. Wel werd door de lagere rechters onder gebruikmaking van de benaming zaaksvervanging geoordeeld, dat de verwachter recht had op de helft van de koopsom van de woning. De Hoge Raad oordeelt vervolgens:51

dat het Hof [—] tot dezelfde slotsom als de rechtbank is gekomen, namelijk dat [—] voorshands [geoordeeld wordt] dat sprake is van zaaksvervanging en dat C. (de verwachter, toevoeg red.) aanspraak heeft op een aandeel in de verkoopopbrengst van de woning (…), tenzij A. slaagt in het bewijs dat in plaats van zaaksvervanging sprake is van een vergoedingsrecht ten laste van het onbezwaarde vermogen.

HR 02-11-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8445 (NJ 2008/551) | Misbruik van omstandigheden

  • Vordering van bij testament aangewezen erven tot nietigverklaring van door erflater aan verzorgster gedane schenkingen afgewezen.
  • Voordeeltrekkingsverbod ex art. 4:953 (oud) BW, toepasselijkheid, restrictieve uitlegging.
  • Misbruik van omstandigheden, stelplicht en bewijslast ex art. 7:176 BW, hoofdregel van art. 150 Rv. op basis van redelijkheid en billijkheid?
  • Aan toelating tot nadere bewijslevering in hoger beroep te stellen eisen, stelplicht.
    Annotatie NJB van C.J.M. Klaassen.
    Annotatie JBPr 2008/17 van H.L.G. Wieten

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de bijzondere bewijslastverdeling van artikel 7:176 BW een wezenlijk element is van de bescherming die de rechtsorde de schenker behoort te bieden tegen zowel beïnvloeding als eigen onbezonnenheid.52 Artikel 7:176 BW is derhalve in de wet opgenomen ter versterking van de positie van de schenker.

Casus – Erflaatster (overleden in 2000) was van november 1997 tot en met januari 1998 opgenomen in een revalidatiecentrum. Daarna ging ze in een verzorgingshuis wonen. Ze houdt contact met een begeleider (verpleegkundige, ziekenverzorgende) uit het herstelcentrum. In april 1998 liet ze op het kantoor van haar bank, door haar vaste contactpersoon, aan de begeleider een bedrag overmaken van fl. 100.000,- onder vermelding van ‘schenking’ en in augustus 1998 een bedrag van fl. 50.000,- onder vermelding van ‘schenking i.v.m. aankoop app.’.

De testamentair erfgenamen vorderen na overlijden van erflaatster (hun tante), bij de rechtbank een verklaring voor recht dat de schenkingen nietig zijn, althans deze te vernietigen wegens misbruik van omstandigheden. De erven betogen dat hun tante in een afhankelijkheidsrelatie tot [verweerster] stond en ook dat [verweerster] misbruik heeft gemaakt van omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien in redelijkheid onvoldoende zijn om een omkering van de bewijslast te kunnen rechtvaardigen. De erven werden belast met het bewijs van hun stelling dat hun tante de schenkingen heeft verricht onder invloed van misbruik van omstandigheden. De rechtbank heeft bij vonnis van 12 januari 2005 de vordering afgewezen. De stelling van de erven dat er bij erflaatster sprake was van afhankelijkheid dan wel lichtzinnigheid is niet aannemelijk geworden.

Het hof oordeelde onder meer dat een verdeling van de bewijslast in die zin dat op de begiftigde het bewijs zou rusten van feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was, in strijd zou komen met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het hof volgt niet de extensieve interpretatie die de erven geven aan de door hen genoemde beschermingsbepalingen. Gezien hun aard dienen deze bepalingen, die de handelingsbekwaamheid van een persoon beperken, restrictief te worden uitgelegd en dient derhalve aan de in de wet geformuleerde omstandigheden als voorwaarden voor een nietige schenking, de hand te worden gehouden. Daarmee heeft het hof toepassing gegeven aan de slotzin van artikel 7:176 BW.

Cruciaal element in beoordeling van de vordering is de omstandigheid dat de schenkingen pas zijn verricht nadat de erflaatster van het revalidatiecentrum naar een verzorgingstehuis was verhuisd, waar de begiftigde niet werkzaam was. Het hof stelt verder voorop dat de erven volstrekt onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht ten aanzien van hun stelling dat hun tante in een abnormaal geestelijke toestand zou hebben verkeerd ten tijde van de schenkingen.

Tegen het arrest van het hof hebben de erfgenamen beroep in cassatie ingesteld. In cassatie staan centraal de uitleg van art. 4:953 (oud) en art. 7A:1718 BW (oud), inzake de nietigheid van schenkingen aan medewerkers van een zorginstelling waar de schenker verblijft; alsmede de bewijslast van misbruik van omstandigheden (art. 7:176 BW) in geval van schenking. Daarbij is ook het overgangsrecht i.v.m. het nieuwe schenkingsrecht aan de orde. De erven vinden dat de rechter slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag besluiten tot het (terug)omkeren van de bewijslast.

De Hoge Raad – Volgens de Hoge Raad blijkt niet uit de bewoordingen van artikel 7:176 BW dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid bestaat om van de in dat artikel ter bescherming van de schenker gegeven bewijslastverdeling af te wijken op de grond dat deze in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. De rechter die van de bedoelde mogelijkheid gebruikmaakt, zal in de uitspraak de omstandigheden moeten vermelden die daartoe aanleiding hebben
gegeven en inzicht moeten geven in de gedachtegang die hij daarbij heeft gevolgd.

Het hof heeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is er geen grond bij toepassing van artikel 7:176 BW andere dan gewone eisen te stellen aan de stelplicht van de schenker (of diens erfgenamen). Ook wanneer ingevolge de hoofdregel van dat artikel de bewijslast ter zake van de afwezigheid van misbruik van omstandigheden bij de begiftigde ligt, dient de schenker voldoende gemotiveerd de feiten te stellen die het oordeel kunnen dragen dat de schenking onder invloed van misbruik van omstandigheden is gedaan, opdat de begiftigde in staat wordt gesteld het bewijs van het tegendeel te leveren. Indien de bewijslast bij de (erfgenamen van de) schenker wordt gelegd, dient/dienen deze te voldoen aan de uit artikel 150 Rv voortvloeiende stelplicht en bewijslast.

Verder lezen: Rik de Jonge, De ‘verboden beschikkingen’ in het erfrecht, dissertatie RUG, 2024, Open Access

HR 21-11-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985 | Bevoegdheid executeur-boedelberedderaar oud recht: beheer nalatenschap, invulling begrip beheer

Verdeling nalatenschap; bevoegdheden executeur en door deze in acht te nemen zorg; schadeplichtigheid executeur; beheer effectenportefeuille door executeur; aanvaarding effecten door erfgenaam geen verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW. (NJ 2009, 116, m.n. S. Perrick; AA20090044, noot van A.J.M. Nuytinck)

De Hoge Raad beslist dat de bevoegdheden die in een testament opgemaakt onder oud recht aan een testamentuitvoerder (executeur testamentair) zijn gegeven volgens het notariële model van de executeur-boedelberedderaar, gelijk te stellen zijn met die van de beheersexecuteur naar huidig recht en verduidelijkt wat voor de executeur onder beheer moet worden verstaan. Hiermee gaf de Hoge Raad een duidelijk stopteken aan doorontwikkeling van het notariële model dat onder het oude recht werd gebruikt, waar indertijd door de Hoge Raad een streep doorheen was gezet, in het nieuwe erfrecht voor de ’turbo-executeur-afwikkelingsbewindvoerder’ of ‘driesterren executeur’ naar ideeën van Bernard Schols, onder meer uiteengezet in zijn dissertatie ‘Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder‘ (Nijmegen, 2007).

Als uitleg. Onder het oude recht moest in een testament aan de ‘kale’ testamentuitvoerder het recht van bezit worden gegeven om hem meer mogelijkheden te geven. Onder het nieuwe recht heeft de wettelijke ‘standaardexecuteur’ het beheer en moet bij testament het recht van beheer worden afgenomen om tot een ‘kale executeur’ te komen. In de wandelgangen is dit de executeur met één ster gaan heten. Wat verwarrend is omdat het zo lijkt dat deze ster moet worden toegekend.

Schols viert het arrest desalniettemin als bevestiging van zijn opvattingen. Hij vertelt het ‘verhaaltje’ dat rechtsoverweging 4.2 gezien kan worden als een beknopte samenvatting van zijn dissertatie. Daarbij plaatst de redactie van deze website de kanttekening dat Schols in zijn dissertatie als de ware aard van de executeur presenteert, dat deze de vertrouwenspersoon is van erflater, die in diens opdracht over het graf heen kan regeren en de wil van erflater bij afwikkeling en verdeling van de nalatenschap aan de erfgenamen kan opleggen. Schols schrijft nadrukkelijk in zijn proefschrift dat het bij deze ‘ware aard’ om een denkmodel gaat, waarbij er na overlijden een fase bestaat waarin het vermogen van erflater in overgang is naar de erfgenamen, en de executeur in de vorm van dual ownership (erfgenamen èn executeur) alle macht kan uitoefenen. Schols erkent dat deze situatie naar huidig geldend recht niet bestaat en ook bij testament (nog) niet rechtsgeldig te creëren is. Het stuit af op het fiduciaverbod, zoals Vegter en Huijgen in 2004 al argumenteerden; het past niet binnen een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikking en evenmin binnen een goederenrechtelijke eigendomsvorm.53 Buiten een kleine groep insiders beseffen maar weinigen dat Schols een in Nederland juridisch niet meer bestaande trustachtige eigendomsverhouding ten grondslag legt aan de driesterrenexecuteur, bekend uit het middeleeuws Rooms-Katholiek kerkrecht als exécuteur-testamentaire.54

De Hoge Raad zet daar diametraal tegenover dat de executeur naar nieuw recht een zelfstandige functionaris is met een eigen opgave, die naar eigen inzicht handelt, binnen de grenzen die te stellen zijn aan goed vermogensbeheer.

Stollenwerck (als Raadsheer) corrigeert Schols op een collegiale manier: een executeur is de vertrouwenspersoon die erflater uitkoos om de erfgenamen te vertegenwoordigen.55

De Hoge Raad:

“4.2 De executeur aan wie, zoals hier het geval is, het bezit van de goederen van de nalatenschap is toegekend en die is aangesteld tot beredderaar van de boedel, is bevoegd met uitsluiting van anderen het beheer over de goederen van de nalatenschap te voeren. Op grond van deze bevoegdheid mag hij het beheer naar eigen inzicht voeren en de keuzes maken die hem ten behoeve van dat beheer geraden voorkomen, zij het dat hij daarbij de zorg van een goed executeur moet betrachten. Hij is bevoegd om goederen van de nalatenschap te verkopen ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap, bijvoorbeeld teneinde een schuld uit een legaat of een (andere) schuld van de nalatenschap te voldoen.

Voor de aan het beheer te ontlenen bevoegdheden kan voorts aansluiting worden gezocht bij art. 3:170 lid 2 BW, volgens welke bepaling onder beheer begrepen zijn alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn; dit omvat ook daden van beschikking die door een normale exploitatie van het goed worden gevorderd (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 581). Ook op deze grond kan de executeur derhalve bevoegd zijn tot verkoop van onder zijn beheer vallende goederen. Met betrekking tot een aandelenportefeuille kan dit de bevoegdheid meebrengen de samenstelling daarvan te wijzigen, of de portefeuille te verkopen teneinde de opbrengst op andere wijze te beleggen, een en ander bijvoorbeeld met het oog op een beter rendement dan wel het beperken van koersrisico’s.

4.3 Bij de taken en bevoegdheden van een executeur met bezit, tevens boedelberedderaar, past niet dat hij in persoon zonder meer het risico zou moeten dragen van een waardedaling van bepaalde goederen. Dat zal pas het geval kunnen zijn indien hij, gegeven zijn bevoegdheid tot zelfstandig beheer, in de zorg van een goed executeur tekortschiet door geen maatregelen te treffen ter voorkoming van dreigend nadeel voor de erfgenamen. De omstandigheid dat hij de bevoegdheid had een bepaald goed te verkopen dat (aan het einde van de executele) in waarde blijkt te zijn gedaald, is dan ook onvoldoende om hem jegens de rechthebbenden aansprakelijk te houden voor het geleden nadeel. Voor die aansprakelijkheid is nodig dat de executeur is tekortgeschoten in de zorg van een goed executeur doordat hij niet (tijdig) van zijn bevoegdheid tot verkoop van dat goed gebruik heeft gemaakt (bijvoorbeeld bij goederen waarvan aangenomen moet worden dat die door bederf waardeloos worden). Het ligt op de weg van de rechthebbenden om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat aan dit vereiste is voldaan.

Meer in het bijzonder geldt met betrekking tot (het beheer van) een aandelenportefeuille, dat in de aard daarvan besloten ligt dat de waarde in de loop van de tijd kan fluctueren. Met het oog daarop kan de van de executeur te verlangen zorg meebrengen dat hij de portefeuille geheel of gedeeltelijk te gelde maakt en de opbrengst, zij het mogelijk tegen een lager rendement, vastzet teneinde daarmee in ieder geval de schulden van de nalatenschap, waaronder de successierechten, te kunnen voldoen. Tot een dergelijke verkoop is hij in beginsel bevoegd (zie de slotalinea van 4.2). Maar ook hier geldt dat het enkele niet-gebruikmaken van deze bevoegdheid onvoldoende is om de executeur aansprakelijk te houden voor het nadeel van de rechthebbenden indien de aandelen bij het einde van de executele in waarde gedaald zijn (evenmin als hij aansprakelijk gehouden kan worden vanwege het enkele feit dat hij wel tot verkoop is overgegaan, terwijl de aandelen nadien juist in waarde zijn gestegen). Het zal van de door de rechthebbenden te stellen en zo nodig te bewijzen verdere omstandigheden afhangen of geoordeeld kan worden dat de executeur, door niet (of juist wel) tot verkoop over te gaan, is tekortgeschoten in de zorg van een goed executeur. In dat verband kunnen onder meer de aard van de portefeuille (hoog of laag risico), de verwachting van deskundigen omtrent het verdere koersverloop, en alternatieve beleggingsmogelijkheden van belang zijn.

4.4 Indien in het licht van de concrete omstandigheden van het geval geoordeeld moet worden dat de executeur is tekortgeschoten in de van hem te vergen zorg, is hij, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, aansprakelijk jegens de rechthebbenden die als gevolg daarvan benadeeld zijn. Hij is op die grond gehouden de schade van de benadeelden te vergoeden.

4.5 Naar huidig recht – waarin de executeur, voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, van rechtswege is belast met het beheer van de goederen der nalatenschap (art. 4:144 lid 1 BW) – geldt het hiervoor overwogene eveneens.”

naar eigen bespreking arrest en noot Nuytinck

EHRM 01-12-2009, No. 64301/01, ECLI:NL:XX:2009:BL6889 | Velcea en Mazăre / Roemenië (De Roemeense erflater)

Artikel 4:3 BW, onwaardig om te erven, EVRM – Onder de bescherming van het gezins- en familieleven (art. 8 EVRM) vallen ook de erfrechtelijke aanspraken van de naaste verwanten. | NJ 2010, 206 met noot Perrick.

Casus – Man vermoordt echtgenote en schoonmoeder, enkele uren later slaat hij de hand aan zichzelf. Hij liet twee brieven achter waarin hij schreef dat hij zijn vrouw en schoonmoeder had vermoord. Hij is enig erfgenaam. Door de zelfmoord van de echtgenoot kon het niet tot een strafrechtelijke procedure komen en dus ook niet tot een strafrechtelijke veroordeling. Een strafrechtelijke veroordeling was in het Roemeense recht een voorwaarde, om tot onwaardigheid van een erfgenaam te komen. De Roemeense rechter(s) hanteerden een strikte lezing van de wet en verklaarden de echtgenoot niet onwaardig, omdat een strafrechtelijke veroordeling ontbrak. Hierop hebben de vader en de zus van de vermoorde echtgenote zich met een klacht gewend tot het EHRM vanwege onder meer schending van artikel 8 EVRM.

Rechtsvraag – is het met art. 8 EVRM te verenigen, dat iemand waarvan vaststaat dat hij erflaatster doodde, niet als onwaardig wordt aangemerkt in de nalatenschap wegens het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling? Op grond van het Roemeens Burgerlijk Wetboek kan een persoon veroordeeld wegens moord op de overledene onwaardig worden verklaard om te erven uit diens nalatenschap. Door toepassing van een strikte lezing van deze bepaling weigeren de rechterlijke autoriteiten de ‘moordenaar’ onwaardig te verklaren om te erven, omdat hij niet bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld voor moord, aangezien hij kort na de moord op zijn vrouw zelfmoord heeft gepleegd.

Het EHRM acht het onacceptabel dat na de dood van een persoon de onwettigheid van zijn handelen zonder enig gevolg zou blijven. Het Europese Hof oordeelde over de klacht van de vader en zus dat ‘family life’ niet alleen ziet op sociale, morele of culturele belangen, maar ook op materiële belangen zoals erfrechtelijke kwesties tussen naaste verwanten. Onder de bescherming van het gezins- en familieleven (artikel 8 EVRM) vallen ook de aanspraken van de naaste verwanten.

Andere arresten:
HR 7-12-1990 (NJ 1991, 593) | Onwaardige deelgenoot of Moordhuwelijk
HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1797 | Beuningse martelmoord

naar bespreking

Verder lezen over het leerstuk ‘onwaardigheid‘:
Promotieonderzoek ‘Onwaardigheid’ van M. de Vries, Rijksuniversiteit Groningen (2023) °open access°
○ Mr. F.W. Brans en mr. Ph.A.J. Raaijmaakers, Is een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling steeds vereist voor onwaardigheid van rechtswege ex artikel 4:3 lid 1 sub a BW? TE 2022, afl. 6 °open access°
○ M. de Vries & D. Leire, Onwaardigheid in België en Nederland na ‘De Roemeense erflater’, TE 2022, afl. 3, p. 64-70
○ M. de Vries, Onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid: artikel 4:3 BW is niet zo limitatief als het lijkt, TE 2021, afl. 6, p. 113-118
○ M. de Vries, Vergeving bij onwaardigheid, TE 2018, afl. 2, p. 38-41

HR 19-02-2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6150 | Afwikkeling erfenis notaris Postma

(NJ 2010, 295, m.n. S. Perrick; AA20100264 met annotatie van A.J.M. Nuytinck)
Versterfrecht. Afgifte nalatenschap met terugwerkende kracht, geen strijd met art. 1 EP EVRM. Erven van indertijd enige officiële ab-intestaat erfgenaam van een vermogende notaris, een neef, moet uiteindelijk de erfenis afgeven aan biologisch kind na gerechtelijke vaststelling vaderschap op grond van het tussentijds ingevoerde artikel 1:207 BW. Een van de langstlopende zaken die er in Nederland zijn geweest. Een eerdere rechtsgang tot en met de Hoge Raad entameerde een wetswijziging op grond waarvan in deze tweede rechtsgang het biologische kind alsnog door de rechter tot enig erfgenaam werd verklaard.

Casus – Deze zaak vindt zijn oorsprong in een vermogende man, een notaris, die in 1964 een zoon buiten huwelijk verwekte en in 1992 zonder testament overleed. De neef van de man kreeg als (naar de regels van toen) enige wettelijke erfgenaam de volledige nalatenschap in handen. De ’biologische’ zoon, die door de notaris niet gewettigd of erkend is, kreeg niets. Daarop volgde een lange juridische strijd over
de nalatenschap tussen de zoon enerzijds en de neef en inmiddels diens erven anderzijds.56

De zoon vordert met dagvaarding van 5 november 1992 bij de rechtbank van de neef afgifte van de erfenis, stellende dat hij het kind is van de notaris en dus als erfgenaam moet worden gezien. De rechtbank wijst de vordering in 1993 af, omdat eiser volgens het Nederlands familierecht van dat moment niet als kind van overledene werd gezien. In hoger beroep verklaart het gerechtshof de zoon niet-ontvankelijk voor zover de vordering is gericht tegen de kinderen van de neef, en bekrachtigt het vonnis voor het overige (1995). Bij arrest van 17 januari 1997 verklaart de Hoge Raad eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen de kinderen van de neef en verwerpt het cassatieberoep tegen de neef. In een uitvoerige rechtsoverweging maakt de Raad duidelijk:

Artikel 8 (EVRM, red.) laat, op zichzelf, aan de verdragsstaten bij het regelen van erfrechtelijke aanspraken van kinderen een zekere beoordelingsvrijheid, en laat aldus in beginsel ook ruimte voor beperkingen in de mate waarin buiten een huwelijk geboren kinderen hetzij ab intestato hetzij krachtens wilsbeschikking van hun ouders kunnen erven. Een uitsluiting van intestaat erfgenaamschap op de enkele grond van het onwettige karakter van de afstamming is evenwel discriminatoir en levert op deze grond een schending van artikel 8 in verbinding met artikel 14. Dat sluit niet uit dat voor andersoortige beperkingen van ab intestaat erfrecht van onwettige kinderen wel objectieve en redelijke rechtvaardigingsgronden kunnen bestaan. Ook dienaangaande komt aan de nationale wetgever een zekere mate van beoordelingsvrijheid toe.

Tegen de verwerping van zijn aanspraak op de nalatenschap, stelt de zoon een klacht in bij het EHRM wegens schending van artikel 8, 14 en 13 EVRM. Straatsburg deed – als gevolg van de schrikbarende achterstanden – eerst begin 2004 uitspraak: de klacht is verworpen.

Op 1 april 1998 treedt het nieuwe afstammings- en adoptierecht in werking, waaronder artikel 1:207 BW. Op 10 juli 2002 dient de zoon op grond van dat artikel een verzoek in bij de rechtbank dat wordt vastgesteld dat de notaris zijn biologische vader is. Dit verzoek wijst de rechtbank bij vonnis van 11 maart 2003 toe. Het gerechtshof bekrachtigt dit vonnis bij beschikking van 8 juli 2004. Uit DNA-onderzoek blijkt dat het voor 99,9% zeker is dat de notaris de biologische vader is van eiser. Er is geen cassatieberoep ingesteld.

De neef, die dus nog in het bezit is van de erfenis van de notaris, overlijdt op 7 maart 2002. Erfgenamen zijn zijn echtgenote en hun twee kinderen. De zoon dagvaardt hen 14 mei 2003 voor de rechtbank en vordert in rechte vast te stellen dat hij de enige erfgenaam is, en de erfgenamen van de neef te veroordelen tot afgifte van de nalatenschap. De erfgenamen bestrijden de vordering, onder andere met een beroep op het grondrecht van ongestoord eigendom, art. 1 Eerste Protocol EVRM. De rechtbank verklaart bij vonnis van 10 november 2004 voor recht dat de zoon de enige erfgenaam is en wijst de nevenvorderingen toe. De erfgenamen van de neef stellen hoger beroep in. De zoon stelt incidenteel hoger beroep in. Bij arrest van 10 oktober 2007 bekrachtigt het gerechtshof het vonnis van de rechtbank. De erfgenamen stellen hiertegen cassatie in, de Hoge Raad verwerpt en veroordeelt de erfgenamen in de kosten van het geding in cassatie.

Wat betreft de mensenrechtelijke aspecten van deze zaak zie de uitvoerige en leerzame noot van advocaat Camillo Schutte in het NJCM Bulletin: Artikel 1 Eerste Protocol EVRM (pdf).57

HR 10-12-2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8534 | Bevriend orthopedisch chirurg

Strekking artikel 4:59 BW.(Ver)nietig(baar)heid uiterste wilsbeschikking; artt. 4:953 (oud) en art. 4:59 BW. Duidelijk omlijnde betekenis begrip “ziekte waaraan hij is overleden” met oog op rechtszekerheid en goede hanteerbaarheid bepaling. Hof heeft zonder schending enige rechtsregel kunnen oordelen dat in het onderhavige geval “lijden aan het leven” niet is te kwalificeren als een ziekte in vorenbedoelde zin.

NJ 2011/253 met annotatie van L.C.A. Verstappen, AA20110131 met annotatie van A.J.M. Nuytinck

Deze zaak betreft een vordering tot vernietiging van een gedeelte van een testament op grond van de bepaling in art. 4:953 lid 1 (oud) BW / art. 4:59 lid 1 BW. Zorgverleners van de testateur kunnen geen voordeel trekken uit een testament.

In opdracht van erflaatster, geboren in 1904, heeft verweerder in de jaren ’80 een aantal operatieve ingrepen verricht. Tussen beiden is een hechte vriendschappelijke relatie ontstaan. Het laatste consult was op 4 mei 1994. Bij testament van 25 november 1994 heeft de erflaatster over haar nalatenschap beschikt en onder meer, onder de last van een aantal legaten, verweerder tot enig en algeheel erfgenaam van die nalatenschap benoemd. Erflaatster overlijdt in het jaar 2000, nadat drie weken een beleid is gevoerd van onthouding van voedsel en vocht, gecombineerd met pijnbestrijdende medicatie. Onder toezicht van de bevriende orthopeed, die ermee bekend was dat aan hem bij overlijden een erfenis zou toevallen. Voor deze manier van handelen is verweerder door het Centraal College voor de Gezondheidszorg in hoger beroep de maatregel van berisping opgelegd.

Eisers vorderen de uiterste wilsbeschikking van de erflaatster, voor zover daarbij verweerder tot enig en algeheel erfgenaam van de nalatenschap is benoemd, nietig zal verklaren dan wel zal vernietigen. Eisers hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd, dat de begunstiging van verweerder in het testament valt onder de werking van art. 4:953 lid 1 (oud) BW. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. De rechtbank heeft de vordering van eisers afgewezen, het hof bekrachtigde onder meer op de volgende gronden.

Om te kunnen vaststellen dat de bestreden uiterste wilsbeschikking nietig is, moet ingevolge het te dezen toepasselijke artikel 4:953 lid 1 (oud) BW cumulatief zijn voldaan aan de navolgende drie vereisten:

(i) [Verweerder] moet erflaatster tijdens haar ziekte behandeld hebben;
(ii) de uiterste wilsbeschikking van erflaatster moet tot stand zijn gekomen tijdens die ziekte; en
(iii) erflaatster is ten gevolge van die ziekte overleden (rov. 7).

De term ziekte moet algemeen en ruim worden opgevat. Er is geoordeeld dat ‘het lijden aan het leven’ niet kan worden beschouwd als (een gevolg van) een ziekte in bovenbedoelde zin.

Vervolgens heeft het Hof de vraag onderzocht of het ‘lijden aan het leven’ van de erflaatster geheel of mede is te wijten aan een somatische of psychosomatische aandoening. Hiervan is niet gebleken.

De Hoge Raad bekrachtigt.

HR 18-02-2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581 | Notaris redigeert testament slordig

(NJ 2011/353 met annotatie van S. Perrick)
Uitleg testament; maatstaf van art. 4:46 BW. Hof had moeten letten op verhoudingen die uiterste wil kennelijk wenst te regelen en omstandigheden waaronder uiterste wil is gemaakt. Gedachtengang hof geeft blijk van miskenning van deze maatstaf. Hoge Raad doet zaak zelf af.

De notariële betrokkenheid bij het vastleggen van een uiterste wilsbeschikking is regelmatig van invloed op wat men na overlijden denkt dat de bedoeling van de erflater was. Als de wil van de erflater niet duidelijk uit het testament is af te leiden, dan kunnen verklaringen en daden van erflater en derden buiten de uiterste wilsbeschikking worden onderzocht (art. 4:46 lid 2 BW). Deze verklaringen mogen alleen worden gebruikt voor het uitleggen als de uiterste wilsbeschikking geen duidelijke zin heeft zonder die daden of verklaringen. Onder verklaringen van derden kunnen ook die van de notaris worden begrepen. Een oprechte en volledige verklaring van de notaris kan aan het licht brengen dat bij de ‘vertaling’ van de wensen van erflater in notarieel jargon een vergissing is gemaakt. In deze casus wist de notaris niet dat er kinderen uit een eerder huwelijk waren die van de erfenis hadden moeten worden uitgesloten (testament onder oud recht met ouderlijke boedelverdeling).

HR 28-09-2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7462 | Beheer bewindvoerder beschermingsbewind

Beschermingsbewind – wat zijn beheershandelingen

Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen toe aan de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft toestemming van de rechthebbende of een machtiging van de kantonrechter nodig om over de onder bewind staande goederen te beschikken. Toestemming of machtiging kan achterwege worden gelaten indien het een handeling betreft die als gewone beheersdaad kan worden beschouwd in de zin van art. 1:441 lid 2 onder a BW. Ging het in casu om een ‘gewone beheersdaad’ of handelde de bewindvoerder buiten zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid?

Het gerechtshof oordeelde dat het sluiten van overeenkomsten ten behoeve van het gebruik van de applicatie niet kan worden gezien als een beheersdaad, nu de applicatie ‘niet noodzakelijk is om het bewind over de goederen en financiën te voeren’. Daarnaast oordeelde het hof dat – aangezien er geen sprake is van een gewone beheersdaad – het tegen betaling gebruikmaken van de applicatie enkel is toegestaan indien de rechthebbende ‘daartoe uitdrukkelijk toestemming zou hebben gegeven’, waarvan niet is gebleken.

De Hoge Raad bekrachtigde het arrest van het hof en oordeelde dat het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de applicatie ‘buiten de grenzen van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen valt’ en derhalve niet kan worden gesproken van een gewone beheersdaad. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat aan het aannemen van stilzwijgende toestemming van de rechthebbende voor het verrichten van handelingen die op zichzelf buiten het bewind vallen ‘hoge eisen gesteld mogen worden, nu het bewind ertoe strekt kwetsbare meerderjarigen te beschermen’.

Hoge Raad: De bewindvoerder die dienstdoet bij een beschermingsbewind, is ten allen tijde gehouden om zich af te vragen of de (uit te voeren) handeling noodzakelijk is voor het bewind. Zo niet, dan is voor deze handeling toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter vereist.

HR 05-10-2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9239 | Breukdelen

Leningen door huwelijkspartners aangegaan als beleggingen. Zie goed leesbare bespreking door prof. A.J.M. Nuytinck

HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595 | Uitleg uiterste wil I

Langstlevende, is hertrouwd. In testament waren de artikelen 4:19 en 4:20 BW uitgesloten. Kinderen en langstlevende hebben uiteindelijk voor oplossing gezorgd. Hof: kan niet, de artikelen 4:21 en 4:22 BW aannemelijk maken. HR: kan wel 4:21 en 4:22 BW aannemelijk maken.

HR 11-10-2013, ECLI:NL:HR:2013:911 | Uitleg uiterste wil II, Lies en haar broer Bert

NJ 2014/127 met annotatie van S. Perrick

Art. 4:46 lid 1 BW: uitleg testament: verhouding en omstandigheden waaronder de wil is gemaakt, tendens naar steeds meer ruimte voor uitleg. Verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen die de erflater had bij opstellen van het testament, kunnen in aanmerking komen als omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Mits voldoende gesteld en bewezen. Ook als een uiterste wilsbeschikking op het eerste gezicht duidelijk is, dient ex art. 4:46 lid 1 BW te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Niet alleen naar de bewoordingen kijken.

Casus – Erflater is in 2006 overleden. Hij was in eerste echt gehuwd geweest met L., welk huwelijk door overlijden van L. in 1989 is ontbonden. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Toen erflater overleed, was hij in tweede echt gehuwd met A. De erflater en A. hebben in een brief aan notaris S. geschreven dat het de bedoeling was dat de kinderen van de erflater, tot na de dood van A., niet over het vermogen van de erflater zouden kunnen beschikken. De langstlevende echtgenoot heeft een testament gemaakt, waarin de wilsrechten van artikel 4:19 en artikel 4:20 BW werden uitgesloten. Na overlijden van deze langstlevende echtgenoot ontstond de vraag naar de bedoeling achter deze bepaling. Artikel 4:19 en artikel 4:20 BW gaan namelijk over de situatie dat de eerste ouder is overleden, ze spelen vooral een rol in stiefouderrelaties. De wilsrechten van deze twee artikelen waren echter niet van toepassing op deze ouder.

De reconventionele vordering van A. houdt een verklaring voor recht in dat het testament aldus moet worden uitgelegd dat de wilsrechten van art. 4:21 en 4:22 zijn uitgesloten. Daaraan werd de bedoeling van de erflater ten grondslag gelegd. De rechtbank wees de vordering van A. af. Het hof deed dat ook, daartoe overwegend dat in het testament bij vergissing de toepassing van de wilsrechten van art. 4:19 en 4:20 is uitgesloten, en dat de uitlegregels van art. 4:46 BW niet zien op die situatie. Analogische toepassing van art. 4:46 lid 3 BW is volgens het hof niet toegelaten.

De Hoge Raad – A. klaagt in cassatie dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de uitlegregels zoals neergelegd in art. 4:46 leden 1 en 2 BW. De Hoge Raad acht de klacht gegrond en overweegt daarbij als volgt. Het hof heeft vastgesteld dat de bepaling in het testament die artikelen 4:19 en 4:20 BW uitsluit, zinloos was, aangezien de in die bepalingen geregelde situaties zich niet voor hebben gedaan en zich ook niet meer kunnen voordoen. Dit leidt ertoe dat het testament geen ‘duidelijke zin’ heeft als bedoeld in art. 4:46 lid 2 BW. Het hof heeft miskend dat in dit geval bij de uitleg van het testament daden of verklaringen van de erflater mochten worden gebruikt die niet in dat testament zijn vervat, zoals de door erflater aan de notaris verklaarde wil om artikelen 4:21 en 4:22 BW uit te sluiten. Het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvattng; de Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest

Zie ook: Hoge Raad, 10-11-2023, 22/02144

HR 28-06-2013, ECLI:NL:HR:2013:38 en ECLI:NL:HR:2013:39 | Einde taak executeur; boedelberedderaar in testament onder oud recht is geen afwikkelingsbewindvoerder

AA 20130677 met noot A.J.M. Nuytinck
In twee nagenoeg gelijkluidende arresten beantwoordt de Hoge Raad twee rechtsvragen:

  1. Is de executeur-boedelberedderaar onder het oude recht te vergelijken met de executeur-afwikkelingsbewindvoerder onder het huidige recht (art. 4:171 BW) dan wel met de beheersexecuteur onder het huidige recht (art. 4:144 lid 1 BW)?
  2. Valt het einde van de taak van de executeur samen met het einde van het beheer van de executeur (art. 4:149 en 150 BW)?

De zogenaamde ‘testamentuitvoerder-boedelberedderaar‘ is een notariële constructie die onder het ode erfrecht (tot 2003) vaak werd gebruikt in testamenten en beoogde de bevoegdheden van de oud-recht executeur-testamentaire (testamentuitvoerder) die de wet kende, buitenwettelijk op te rekken. Dat functioneerde in de praktijk vaak goed omdat erfgenamen na overlijden dachten: het staat in een testament, dat is door de notaris opgemaakt, dus het klopt. De oude wet erfrecht kende de testamentuitvoerder, die bij testament of codicil de opdracht kon worden aangesteld om de uiterste wil uit te voeren. Als extra wettelijke bevoegdheid kon aan de testamentuitvoerder bij testament of codicil het ‘recht van bezit’ worden gegeven. Daarbij werd vaak de (buitenwettelijke) opdracht gegeven de boedel te beredderen (opruimen sterfhuis betreffende niet waardevolle goederen) en de schulden te vereffenen, soms ook om de erfenis verdelingsrijp te maken en zelfstandig te verdelen. Men noemde dit de ‘executeur-boedelberedderaar’. Het begrip ‘boedelberedderaar’ was al eeuwen bekend in verschillende regio’s van wat nu Nederland is.

De functie van testamentuitvoerder, ook ‘exécuteur testamentaire’ genoemd, is in de huidige wet erfrecht afgeschaft.

► zie: Executeur testamentaire is afgeschaft in nieuw Nederlands erfrecht

Verdelingsrijp maken en zelfstandig verdelen mocht niet onder het oude recht, aldus de Hoge Raad onder oud recht. Wel mocht de testamentuitvoerder de erfgenamen adviseren, op hun verzoek.58 De Hoge Raad gaf als rechtsregel in dit arrest, dat de oud-recht testamentuitvoerder-boedelberedderaar niet gelijk te stellen is met de voor het nieuwe recht ontwikkelde testamentaire modelregeling ‘driesterrenexecuteur‘ / executeur-afwikkelingsbewindvoerder met de bevoegdheid te verdelen (zoals behandeld in de dissertatie van Bernard Schols). De exécuteur testamentaire-boedelberedderaar in een testament opgesteld onder oud recht, mag ook onder het nieuwe recht niet verdelingsrijp maken en verdelen, maar moet gelijk worden gesteld met de beheersexecuteur uit de huidige wet erfrecht. De Hoge Raad blijft hier op de lijn van het arrest HR 21-11-2008 en van het historische arrest Hendrikse/Geensen.

Dit is de derde en vierde keer dat de in de testamentenpraktijk gebruikte modelregeling executeur-afwikkelingsbewindvoerder, dat als denkmodel is behandeld in de dissertatie van Bernard Schols, op het hoogste rechterlijk niveau in Nederland ‘onder de hamer komt’ en wordt afgehamerd. Schols is teleurgesteld: “Vooraf merk ik reeds op dat met het arrest HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY:5241, NJ 2014/58 over de ‘executeur en afwikkelingsbewindvoerder’, anders dan verwacht, geen grote stap gezet is in het denken over de synthese met afwikkelingsbewind.” Vanuit een ander perspectief dan dat van de wegbereider en promotor van de driesterrenexecuteur, kan in het arrest gelezen worden dat de Hoge Raad met deze drie arresten – impliciet – kan hebben aangeduid, een uitbreiding als voorgestaan door de estateplanningsbranche niet voor rechtsgeldig te houden.

Ook in 2023 verwachtten veel erfrechtprofessionals dat de Hoge Raad zich positief zou uitspreken over de grensoverschrijdende modelregeling. Een advocatenkantoor dat de leer van Schols aanhangt en deze in cursussen als vaststaand uitdraagt, kondigde monter aan ‘De Hoge Raad gaat spreken’.59 De zaak wordt afgedaan op grond van art. 81 RO (ECLI:NL:HR:2023:1166), mogelijk omdat er geen rechtsvragen waren voorgedragen die de Raad relevant achtte. Het hofarrest steunde niet op de al dan niet rechtsgeldige testamentaire bepalingen. Ook bevatte de conclusie van plv. PG Wissink enkele korte maar essentiële kritische kanttekeningen (ECLI:NL:PHR:2023:691).

HR 06-09-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241 | Bevoegdheden ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’

Testament opgemaakt in 2002, rechtskeuze voor Nederlands recht, erflater kende de testamentuitvoerder “bij de uitoefening van die functies alle rechten toe welke daaraan kunnen worden verbonden en wel in het bijzonder het recht van bezit van mijn gehele nalatenschap totdat hij zijn werkzaamheden als zodanig zal hebben beëindigd en deswege zal zijn gedéchargeerd.” | NJ 2014/58 met annotatie van S. Perrick

Ten tijde van het opmaken van zijn testament had de erflater zijn gewone verblijfplaats in Zwitserland. Blijkens de verklaring van erfrecht en executele had de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats eveneens in Zwitserland.

De executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft met zijn positie voldoende belang tot voeging in verband met het antwoord op de vraag welk recht op die afwikkeling van toepassing is (r.o. 3.6.2).

Het hof verklaart Nederlands recht van toepassing op de verdeling en op de taken en bevoegdheden van de executeur en de afwikkelingsbewindvoerder.

De HR overwoog: ‘Het middel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat de verdeling van de nalatenschap onder de afwikkeling daarvan zou vallen, en betoogt dat de taken van [verweerder 2] zich uitsluitend mogen uitstrekken tot de afwikkeling van de nalatenschap en niet tot de verdeling daarvan. Deze klachten falen. Het woord “afwikkeling” heeft geen specifieke juridische betekenis, doch dient ertoe de feitelijke afhandeling van een nalatenschap aan te duiden. Het hof kon in dit geval (curs. red.) zonder schending van enige rechtsregel de verdeling daaronder begrijpen.’ (r.o. 3.7)

HR 11-10-2013, ECLI:NL:HR:2013:911 | Uitleg uiterste wil II

Uitleg testament. Art. 4:46 BW, feitelijk oordeel | Erfstelling duidelijk in het licht van verhoudingen die uiterste wil kennelijk wil regelen? Toekomstige omstandigheden in aanmerking genomen?

Casus: Vrouw kon het niet goed vinden met ouders, dus wilde dat nalatenschap niet naar ouders ging. Ze was alleengaand, daarom broer als erfgenaam. Vrouw is later alsnog getrouwd, testament niet gewijzigd, meende dat dit niet nodig was. Vrouw overleden. Hof: alles volgens testament naar broer. HR: ook man erfgenaam, kijken naar het doel erfstelling: ouders geen erfgenaam. R.o. 3.3.2. Een considerans bij het testament had hier sneller duidelijkheid kunnen verschaffen.

HR 18-10-2013, ECLI:NL:HR:2013:983 | Ouderlijk vruchtgenot vader van onder testamentair bewind gesteld vermogen zoon

Erfdeel onder testamentair bewind totdat erfgenaam 22 jaar is. Zijn renteopbrensten van onder bewind gesteld vermogen een burgerlijke vrucht? Art. 3:9 lid 2 BW. Ouderlijk vruchtgenot over renteopbrengsten? Art. 1:253l BW. Renteopbrengsten opeisbaar? Art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW. Bevoegdheid bewindvoerder. Art. 4:162 en 4:171 lid 1 BW. Belang bij beroep op niet-ontvankelijkheid?

Gerechtshof Den Haag 25-03-2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1822 | Loon executeur i.v.m. rechtszaken

Simpele regel: was een door de executeur begonnen rechtszaak terecht, ofwel kreeg de executeur gelijk, mogen kosten voor rechtsbijstand in rekening worden gebracht bij de erfgenamen (dat heet altijd mooi eufemistisch ‘de nalatenschap). Anders niet.

Het hof – Erflater heeft in zijn testament appellant benoemd tot executeur. De executeur kan in beginsel loon in rekening brengen voor de tijd die hij moet aanwenden voor zijn verdediging in rechte van zijn positie als executeur. Hij heeft tot taak de nalatenschap overeenkomstig zijn door de erflater aan hem toegekende bevoegdheden af te wikkelen. In dat kader kan het tot zijn taak behoren zich te verdedigen tegen erfgenamen die een hen onwelgevallige executeur kwijt willen. Hij moet dan zijn benoeming door de erflater staande houden tegenover die erfgenamen. In dat kader komt hem uurloon toe, indien zijn beloning is gebaseerd op te maken uren. Dat kan anders zijn indien de executeur tekort is geschoten in zijn taakvervulling en/of onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de erfgenamen. Vaststaat dat de primaire oorzaak van het ontslagverzoek van de erfgenamen is gelegen in het feit dat de executeur heeft gehandeld zoals hiervoor onder 8 beschreven. Dit gedrag heeft het vertrouwen in appellant terecht geschaad. De ontslagverzoeken zijn derhalve niet zonder grond gedaan. Onder die omstandigheden komt de executeur naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen loon toe voor de uren die hij heeft besteed aan de onderhavige procedures. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellant geen aanspraak kan maken op betaling van de door hem gestelde uren.

HR 20-06-2014, ECLI:NL:HR:2014:1492 | Vliegramp Tenerife

Onrechtmatig beheer nalatenschap en nabestaandenuitkering door voogd, beroep op verjaring in strijd met redelijkheid en billijkheid, toezicht Kantonrechter heeft gefaald.

HR 22-05-2015, ECLI:NL:HR:2015:1284 | Koperen Pan

Zuivere aanvaarding nalatenschap door gedrag? Art. 4:192 lid 1 BW. Individuele beoordeling erfgenamen (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, NJ 2014/508). Redelijke kosten gericht op passende uitvaart erflater, art. 1095 (oud) BW en art. 4:192 lid 1 BW. Grenzen van de rechtsstrijd. HR doet zelf de zaak af. | NJ 2015/379 met annotatie van S. Perrick, AA20150813 met annotatie van A.J.M. Nuytinck. Bespreking arrest hof door W.D. Kolkman, ‘Rouwkost‘ in Tijdschrift Erfrecht.

Casus – Op de dag van overlijden, 9 maart 2008, eten de twee erfgenamen met hun partners in restaurant ‘De Koperen Pan’ te Delft. De nacht ervoor hebben ze bij hun (schoon)moeder gewaakt en ze zijn in het sterfhuis gebleven om de uitvaart te organiseren. De twee erfgenamen zijn geïntimeerden in het hoger beroep. De nota voor het etentje à € 119 is voldaan met de pinpas die op naam van overledene en een erfgenaam stond. Op de dag van de begrafenis is een koffietafel gehouden. De erfgenaam/executeur heeft de kosten daarvan betaald en ten laste van de boedel gebracht. Een maand later hebben de erfgenamen de nalatenschap beneficiair aanvaard. Niet alle schulden van art. 4:7 BW blijken uit de nalatenschap te kunnen worden voldaan.

De echtgenote van de vooroverleden broer van de erfgenamen – appellante –, heeft een vordering op de nalatenschap. Omdat de nalatenschap negatief is, wil ze de mogelijkheid hebben de vordering te verhalen op het eigen vermogen van de erfgenamen. Zij betoogt dat uit de betaling van etentje en koffietafel ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat de twee erfgenamen de nalatenschap van erflaatster zuiver hebben aanvaard. De erfgenamen verweren zich met de stelling dat zij slechts een eenvoudige maaltijd hebben genuttigd op de dag van het overlijden, op welke dag zij regelwerk voor de uitvaart hebben uitgevoerd, zoals het verzamelen van adressen, het schrijven van enveloppen, het uitzoeken van een kist en het uitzoeken en bestellen van bloemen.

In eerste aanleg worden de erfgenamen in het gelijk gesteld: hun handelen brengt geen zuivere aanvaarding met zich. De rechtbank volgt het betoog van de erfgenamen. In hoger beroep oordeelt het hof dat erfgenaam 1 als executeur niet had kunnen besluiten de kosten voor de uitvaart te voldoen vóór de vordering van appellante. Verder viel het etentje niet onder ‘beheer’ van de nalatenschap. Nu de andere erfgenaam ermee had ingestemd, deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen, en ze zich, zo handelende, als heer en meester over de nalatenschap hadden gedragen, moeten deze handelingen voor hen beide als aanvaardingshandeling worden gezien. Aldus het Hof. In cassatie is alleen nog betaling van de lunch ter discussie gesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat betaling van de lunch met de pinpas van overledene niet als daad van zuivere aanvaarding van de nalatenschap kan worden gezien (een zogenaamde ‘aanvaardingshandeling‘). Gelet op de redelijkheid van de kosten, gericht op het organiseren van een passende uitvaart erflater, art. 1095 (oud) BW en art. 4:192 lid 1 BW:

rov. 3.4.2. Art. 4:192 lid 1 BW bepaalt dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, tenzij hij zijn keuze (voor beneficiaire aanvaarding of verwerping) reeds eerder heeft gedaan. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval. Wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, NJ 2014/508)

rov. 3.4.3 Art. 1095 (oud) BW rekende tot de handelingen waaruit geen stilzwijgende (zuivere) aanvaarding van de nalatenschap mag worden afgeleid “al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft”. Het oordeel van het hof dat deze regel onder het huidige art. 4:192 lid 1 BW zijn gelding heeft behouden, is juist. Immers, handelingen die erop zijn gericht de erflater een passende uitvaart te bezorgen, strekken naar hun aard niet ertoe ten eigen bate over nalatenschapsgoederen te beschikken. Uit de omstandigheid dat een erfgenaam tot dat doel in redelijkheid gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap laat komen, kan dan ook niet diens bedoeling worden afgeleid de nalatenschap zuiver te aanvaarden.

Uitgaande van het voorgaande klaagt onderdeel 1.1 terecht over het oordeel van het hof. Tot de handelingen die erop zijn gericht de erflater een passende uitvaart te bezorgen, kan een overleg op de sterfdag als hier aan de orde worden gerekend. Het maken van redelijke kosten daarvoor ten laste van de nalatenschap kan dan niet worden aangemerkt als een daad van aanvaarding. De kosten van een maaltijd als de onderhavige kunnen onder omstandigheden tot zodanige kosten worden gerekend. De hiervoor in 3.3 onder (ii)-(iv) genoemde omstandigheden – van de juistheid waarvan in cassatie moet worden uitgegaan – rechtvaardigen zonder meer dat die kosten van de onderhavige eenvoudige maaltijd worden gerekend tot de kosten voor de uitvaart. In het licht van die omstandigheden is het oordeel van het hof dan ook onjuist.”

Nadien is wetgeving veranderd; zuivere aanvaarding door gedrag nog slechts onder bijzondere omstandigheden mogelijk. Zie ook: Hoge Raad 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1600 waar de lat voor het aannemen van daden van zuivere aanvaarding hoog wordt gelegd.

Het hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:11168, is streng bij erfgenamen die twee relatief kleine bedragen overmaakten en zich lieten bijstaan door een ‘erfrechtjurist’.60
Lezenswaardige annotatie van notaris en universitair medewerker RUG Joe van Anken: Erfgenamen hebben nalatenschap zuiver aanvaard door het verrichten van twee betalingen, Jurisprudentie Erfrecht. 2023, 3, p. 232-236 (JERF 2023/43).

Wat betreft onverwachte schulden en alsnog beneficiair mogen aanvaarden na zuivere aanvaarding: Vereffeningskosten zijn geen onverwachte schulden ex art. 4:194a BW, aldus Rb Rotterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2773, noot Joe van Anken, JERF 2022/103, p. 608-613. Erfgenamen die zuiver hebben aanvaard moeten de kosten van de vereffening alsnog uit het eigen vermogen voldoen.

Hoge Raad 26-06-2015, ECLI:NL:HR:2015:1748 | Toestemming verkoop pand

Personen- en familierecht. Machtiging curatele (art. 1:386 BW). Verkoop van een pand (art. 1:345 lid 1 BW). Belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv. | NJ 2015/336 met annotatie van S.F.M. Wortmann

Verzoeker kan niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv (r.o. 3.4). De huurder kan wel als rechthebbende worden aangemerkt indien aannemelijk is dat toewijzing van het verzoek leidt tot een dreiging van inbreuk op zijn rechten als huurder, art. 798 lid 1 Rv (r.o. 3.5)

Hoge Raad 20-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3329 | Rechtsgeldigheid testamentaire bepaling (in casu een ‘Cautio Socini’)

Uitoefening van een aan erfgenaam krachtens Boek 4 BW toekomende bevoegdheid. Misbruik van bevoegdheid.

De zaak ging over de rechtsgeldigheid van een bepaling in een testament waarmee erflater de wens had uitgesproken dat het erfdeel van een erfgenaam wordt beperkt, indien een erfgenaam zich na overlijden tegen het testament of de uitvoering daarvan zal verzetten (“cautio Socini”). Uitoefening van een aan erfgenaam krachtens Boek 4 BW toekomende bevoegdheid. Misbruik van bevoegdheid. Wetsgeschiedenis: niet-ingevoerd art. 4.3.3.14b lid 1 BW. (NJ 2016/168 met annotatie van S. Perrick)
Op grond van art. 4:4 BW mogen bepalingen in een testament er niet toe leiden dat erfgenamen bevoegdheden worden ontnomen die ze op grond van het erfrecht hebben. Eisers stelden dat de anderen zich tegen het testament en de uitvoering daarvan hadden verzet. Verweerders betoogden dat zij zich niet hebben verzet tegen het testament of de uitvoering daarvan, maar dat zij slechts gebruik hebben gemaakt van de door de wet aan hen toegekende bevoegdheden.
De Hoge Raad:

3.3.1 Onderdeel 1 bevat klachten tegen de aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een bepaling als die welke in art. VI onder 4 is opgenomen (zie hiervoor onder 3.1 (iii)) in een testament weliswaar rechtsgeldig is, maar dat art. 4:4 lid 1 BW meebrengt dat de erfgenaam daarmee niet de vrijheid wordt ontnomen een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid (zoals het indienen van een verzoek tot ontslag van de executeur of het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap) uit te oefenen, behoudens in die gevallen waarin de erfgenaam zo een bevoegdheid uitoefent op een wijze die als misbruik van die bevoegdheid moet worden aangemerkt.

3.3.2 De rechtsopvatting van het hof is juist. Voor zover het middel een beroep doet op art. 4.3.3.14b lid 1 van het Gewijzigd Ontwerp voor Boek 4 BW is dat tevergeefs. In deze (niet ingevoerde) ontwerpbepaling was voor de cautio Socini een expliciete uitzondering gemaakt op de nietigheidsregel van art. 4:4 lid 1 BW (art. 4.1.3b). Deze uitzondering luidde: “Een erflater kan een uiterste wilsbeschikking ervan afhankelijk stellen, dat een legitimaris van een hem als zodanig toekomende bevoegdheid afstand doet.” Blijkens de parlementaire geschiedenis had de wetgever daarbij uitsluitend het oog op de clausule waarbij de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-generaal onder 12 en 13). De voorgestelde wetsbepaling zag dus niet op clausules als de onderhavige, waarin een sanctie wordt gesteld op verzet tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan. Voor zover bedoeld verzet berust op de uitoefening van erfrechtelijke bevoegdheden, stuit het inroepen van de sanctie dan ook af op het bepaalde in art. 4:4 lid 1 BW. Ook het oordeel van het hof dat dit slechts anders is indien dergelijke bevoegdheden worden misbruikt, is juist.

Zie ook: Dr. mr. J.B. Vegter, Beschouwingen over het bewind in een gemeenschappelijk belang (In het bijzonder het afwikkelingsbewind), WPNR 2021/344.

In deze samenhang: Een erflater die bij testament wettelijke regels van dwingend recht opzij zet, wordt geacht misbruik te maken van de testeervrijheid.61 Testamentaire bepalingen, of beweegredenen daartoe die in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde, zijn nietig (art. 4:44 BW).

In 2024 is in notariaatsliteratuur de vraag gesteld, of de cautio mogelijk in strijd kan komen met het EVRM, bescherming eigendom.62

Noot redactie. De Hoge Raad bevestigt het arrest van het Gerechtshof Den Haag. Bij nadere bestudering valt op dat daar twee raadsheren aan deelnamen die een bijzonder sterke band met het notariaat en de estate planning hebben, de bijzonder hoogleraren Guus Stille en Fons Stollenwerck.63 Op de achtergrond lijken belangen uit die beroepsgroepen invloed te nemen op de rechtsvorming. Vanuit de doelstelling: nisi cautio Socini (redt de cautio Socini). Voor het notariaat, de estate planning en executeursbranche is het belangrijk dat hen instrumenten ter beschikking staan waarmee erfgenamen na overlijden in een bepaalde vóór overlijden door (adviseurs van) erflater gewenste richting.64 Onder het oude recht hield de Hoge Raad de cautio Socini voor mogelijk. In een arrest uit 1986 nam de Raad volgens Asser bewerker Van der Grinten een voorschot op de nieuwe wetgeving en serveerde de cautio af. Dat vinden testamentadviseurs en estate planners die na overlijden als executeur-bewindvoerder willen optreden, dan wel een almachtige bewindvoerder nodig hebben om de estate plannen uit te voeren, niet fijn. Want een rechtsgeldige cautio is een mooie stok achter de deur om erfgenamen mee te krijgen in buitenwettelijk werk.

De voor de nieuwe wet erfrecht ontwikkelde constructie ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder met verdelingsbevoegdheid’ staat erfrechtelijk op drijfzand. De rechtsfiguur berust op een denkmodel, niet op geldend recht. Er wordt daarom ook naar andere mogelijkheden gezocht om na overlijden druk op de ketel te zetten. De erfovereenkomst en de goede oude cautio Socini uit het Romeinse recht, een maatschappij met slavernij en Pater familias. Twee befaamde en gerenommeerde figuren binnen het notarieel recht en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, Guus Stille en Fons Stollenwerck, wijzen samen met een andere raadsheer bij het Gerechtshof Den Haag een arrest met uitzonderlijk uitvoerige citaten uit de parlementaire geschiedenis en een conclusie die vervolgens als donderslag bij heldere hemel komt: bij de cautio Socini onder het huidige recht gaat het om een geheel voorwaardelijke erfstelling. Geen aandacht voor de prangende rechtsvraag, of een geheel voorwaardelijke erfstelling is onder te brengen bij een in Boek 4 of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking.65

Hof Den Haag 15-12-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3922 | Uitlegging uiterste wil, art. 4:46 BW

Erflater heeft in een testament opgemaakt onder oud recht en gebruikmakend van de in artikel 4:1167 e.v. BW gegeven bevoegdheid de nalatenschap als volgt onder de erfgenamen te verdelen: iedere erfgenaam is voor een gelijk deel erfgenaam, behalve zoon X aan wie een geldvordering is toegewezen ter waarde van de andere erfdelen. Dit heeft de erflater gedaan om alle kinderen gelijk te behandelen. Aan de vier kinderen kwam het eigendom van de goederen toe met de verplichting aan zoon X een vordering wegens overbedeling te voldoen. Na overlijden doet de economische crisis de waarde van het onroerend goed in de nalatenschap dalen. De vier kinderen zijn van mening dat de vordering van zoon X ook in waarde moet dalen. De erflater heeft daarover niets in zijn uiterste wil over opgenomen. De rechtbank gaf als opdracht te bewijzen dat het de bedoeling van erflater is geweest dat niet alleen de meerwaarde, maar ook de onderwaarde van de tot de nalatenschap behorende bestanddelen gelijkelijk over de erfgenamen dient te worden verdeeld. De notaris verklaart: “De problematiek is wel aan de orde geweest. Toen steeg het onroerend goed in waarde.”.66 Het hof, met twee notarissen als raadsheer, concludeert op basis daarvan dat erflater niets over de waardedaling heeft opgenomen en het hof zonder verdere informatie het testament niet mag aanvullen, dat zou in strijd zijn met de rechtszekerheid. “Een testament kan niet door de rechter worden aangevuld. De erflater moet erop kunnen vertrouwen dat zijn laatste wil ook daadwerkelijk wordt geëffectueerd. In het testament van erflater is geen bepaling opgenomen voor het geval na zijn overlijden de boedelbestanddelen in waarde zouden dalen, en hoe daarmee in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap zou moeten worden omgegaan. Nu erflater hierover niets heeft bepaald dan wel verklaard, zal het hof hierover ook niet speculeren. Dit is naar het oordeel van het hof in strijd met de rechtszekerheid.

Het hof overweegt dat door de keuze van erflater in zijn testament voor een ouderlijke boedelverdeling hij zijn nalatenschap verticaal tussen zijn erfgenamen (“afkomelingen”) heeft verdeeld. Het aandeel van kind X van erflater bestaat door deze verdeling uit een vordering wegens onderbedeling ter grootte van zijn erfdeel op de overige erfgenamen. Alle erfgenamen hebben op het tijdstip van overlijden van erflater op grond van diens testament in waarde een gelijk aandeel gekregen in zijn nalatenschap: kind X in de vorm van een onderbedelingsvordering, de andere vier in de vorm van aan hen gezamenlijk toegedeelde nalatenschapsgoederen. Daarmee is gegeven dat ieder van partijen op het tijdstip van het openvallen van de nalatenschap van erflater een gelijk aandeel heeft verkregen in die nalatenschap.

Dat aan appellanten toegedeelde nalatenschapsgoederen nadien in waarde zijn gedaald, doet daar niet aan af. Ieders erfdeel was bij overlijden in waarde gelijk. Door de ouderlijke boedelverdeling was de nalatenschap van erflater op het tijdstip van zijn overlijden verdeeld en had ieder het hare of het zijne verkregen. De vier eigenaren van de goederen hadden direct na overlijden kunnen verkopen. Dat ze dit niet hebben gedaan, komt voor hun rekening en risico.

Volgens het hof zijn de bewoordingen van de uiterste wil, gelet op de verhoudingen die erflater wilde regelen en de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, duidelijk.

HR 22-01-2016, ECLI:NL:HR:2016:99 | Rechten en plichten executeur gaan bij diens overlijden niet over op zijn erfgenamen

Afwikkeling nalatenschap door executeur. Overgangsrecht nieuw erfrecht. Gaat verplichting tot afleggen van rekening en verantwoording (art. 4:151 BW) bij overlijden van de executeur over op zijn erfgenamen? Art. 4:149 BW. | NJ 2016/235 met annotatie van S. Perrick.
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2210, in cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2014:800

De verplichting van een executeur om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer van een nalatenschap, heeft uitsluitend betrekking op het beheer van de nalatenschap van de erflater door wie hij als executeur is benoemd (r.o. 3.5). Taak van de executeur eindigt door zijn dood, indien de executeur echter zijn werkzaamheden nog niet heeft voltooid op het tijdstip van zijn overlijden, bestaat geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (r.o. 3.6.2).

Doordat de rechten en verplichtingen van de executeur zijn verbonden aan zijn hoedanigheid en die hoedanigheid niet overgaat op zijn erfgenamen, gaan evenmin die rechten en verplichtingen, waaronder de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen, bij het overlijden van de executeur over op zijn erfgenamen. Art. 4:149 lid 4 BW bepaalt dat de erfgenamen van de overleden executeur, indien zij kennis dragen van de executele, verplicht zijn het overlijden van de executeur mede te delen aan de erfgenamen van degene die hem als executeur heeft benoemd (r.o. 3.6.3).

Dus de verplichting tot afleggen van rekening en verantwoording gaat niet over op de erfgenamen door het overlijden van de executeur. R.o. 3.6.3.

De Hoge Raad, r.o. 3.5:

De verplichting van een executeur om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer van een nalatenschap, heeft uitsluitend betrekking op het beheer van de nalatenschap van de erflater door wie hij als executeur is benoemd. Daarom faalt het onderdeel voor zover het ertoe strekt te betogen dat [verweerster 1] verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording op de grond dat zij executeur is in de nalatenschap van notaris [betrokkene 2] en notaris [betrokkene 2] bij leven executeur was in de nalatenschap van [betrokkene 1]

HR 26-02-2016, ECLI:NL:HR:2016:319 | Sucessiewet, schenkbelasting, samenstel van rechtshandelingen c.q. samenloop?

Verkoop woning tegen WEV € 250.000 met kwijtschelding deel van de koopsom (€ 40.000). WOZ-waarde € 258.000 speelt geen rol bij bepaling hoogte schenking. Vermindering van schenkbelasting met overdrachtsbelasting. Annotaties van J.W. Zwemmer, J.C. van Straaten en B.M.E.M. Schols

Casus – A levert woning aan dochter en haar echtgenoot, belanghebbende X. De koopsom bedraagt € 250.000. Aan overdrachtsbelasting is € 15.000 (6% van € 250.000) betaald. In de leveringsakte staat dat € 40.000 van de koopsom wordt kwijtgescholden. Volgens de inspecteur is de schenking hoger, € 48.000 omdat de De WOZ-waarde € 258.000 is. In geschil is de aan X opgelegde aanslag schenkbelasting. Deze is als volgt berekend: belaste verkrijging € 43.000 (€ 48.000 minus vrijstelling € 5000). De verschuldigde schenkbelasting bedraagt € 4300 (10%) minus de te verrekenen overdrachtsbelasting (€ 2149) is € 2151. Per persoon is dat € 1075. Hof Amsterdam handhaaft de aanslag schenkbelasting: er is sprake van een samenstel van rechtshandelingen, aangezien tegelijkertijd met de koop van de woning een deel van de koopsom is kwijtgescholden. De omvang van de schenking voor de schenkbelasting bedraagt € 48.000.

X komt in cassatie en stelt dat de omvang van de door de echtgenoten) ontvangen gift € 40.000 is.

De Hoge Raad – De koopprijs van € 250.000, waartegen de woning aan de echtgenoten is overgedragen, is gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de woning op het moment van de overdracht. Er is geen sprake van een schenking. De omstandigheid dat in de akte van levering van de koopsom een bedrag van € 40.000 is kwijtgescholden, hetgeen wel een schenking in de zin van de SW 1956 inhoudt, brengt niet mee dat het object van deze schenking de woning is. Dit, ondanks dat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen. Het bij de schenking verkregene moet in aanmerking worden genomen naar de waarde van de kwijtschelding van € 40.000. Civielrechtelijk is de kwijtschelding van een deel van de koopsom de schenking en niet het object, in casu de woning, dat tegen de koopsom is overgedragen. Het samenstel van rechtshandelingen zorgt er wel voor dat de samenloopregeling van art. 24 lid 2 SW 1956 van toepassing is. Met inachtneming van deze samenloopregeling wordt de aanslag schenkbelasting verminderd. Het beroep in cassatie is gegrond.

HR 25-03-2016, ECLI:NL:HR:2016:504 | Eis volledige voorlezing testament door notaris

R.o. 3.6.3 Het gaat te ver om een uiterste wilsbeschikking te vernietigen puur vanwege het feit dat de akte niet is voorgelezen voor de getuigen. Voor vernietigbaarheid is plaats als degene die dit inroept, stellen indien twijfel aannemelijk maakt dat door niet naleving van het vormvoorschrift enig belang is geschonden dat met dat vormvoorschrift wordt gediend.

HR 03-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1046 | Reuser q.q. Rabobank

Van belang voor fidei-commis makingen in testament (’tweetrapsmaking’). Er kan een pandrecht worden gevestigd op een voorwaardelijk eigendomsrecht. Als de voorwaarde wordt vervuld, wordt dit van rechtswege een pandrecht op de volledige eigendom.

Casus – Een kwekerij had voor € 600.000,- een teeltsysteem gekocht dat werd geleverd op financiering met een eigendomsvoorbehoud. Verkopende partij blijft eigenaar totdat de hele koopsom betaald zou zijn. De bank gaf een lening en bedong daarvoor een pandrecht op de inventaris van de kwekerij en op het voorwaardelijke eigendomsrecht van het teeltsysteem. De kwekerij werd failliet verklaard op het moment dat er € 480.000 op het teeltsysteem was afbetaald. De bank ging akkoord met afbetaling van de laatste € 120.000,-. De faillissementscurator maakte aanspraak op de waarde van het teeltsysteem, omdat het pandrecht van de bank volgens hem ongeldig was.

Rechtsvraag – Kan een pandrecht worden gevestigd op een voorwaardelijk eigendomsrecht?

Hoge Raad – Een koper van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken verkrijgt een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Dit voorwaardelijke eigendomsrecht kan overgedragen worden, of bezwaard worden met een beperkt recht, zoals het pandrecht. Dit pandrecht wordt in dit geval niet geraakt door het faillissement, omdat bij betaling van het resterende bedrag de zaak (het teeltsysteem) van rechtswege als volle eigendom in de boedel valt. Hierdoor verkrijgt de bank een pandrecht op het volledige eigendomsrecht: de bank heeft een geldig pandrecht en de curator wordt in het ongelijk gesteld.

HR 24-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1271 | Aanspraak legitieme portie; conservatoir beslag ter verzekering niet opeisbare erfrechtelijke vordering

NJ 2016/400 met annotatie van S. Perrick, JIN 2016/175 met annotatie van A.W. Jongbloed

Het is niet uitgesloten dat een conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is. Dit geldt ongeacht de ontstaansgrond van die vordering, dus ook voor vorderingen op grond van het erfrecht. Uitleg overgangsrecht met betrekking tot verval aanspraak legitieme portie (art. 128 Ow BW jo. 4:85 BW).

Casus – Erflater heeft zijn echtgenote benoemd tot enig erfgenaam. Op grond van het onder oud erfrecht opgemaakte testament, waar is gekozen voor een zogenaamde ‘ouderlijke boedelverdeling’, komen alle goederen van de nalatenschap aan de echtgenote van erflater toe, eiseres in cassatie. Legitimaire aanspraken zijn volgens het testament pas opeisbaar bij overlijden van eiseres. Verweerders in cassatie zijn legitimarissen. Zij lieten conservatoir derdenbeslag leggen op het vermogen van eiseres in cassatie, ter verzekering van hun aanspraken uit de legitieme portie. Centraal in cassatie staat de vraag of dit beslag dient te worden opgeheven. In spoedappel oordeelt het hof dat het beslag mag worden gehandhaafd.

Het gaat hier om het leggen van beslag onder vermogen van een (rechts)persoon, om te verzekeren dat niet-opeisbare vorderingen van anderen kunnen worden voldaan. Prof. Mellema-Kranenburg schreef dat het ging om conservatoir beslag op een niet-opeisbare vordering, dat is onjuist, het gaat om beslag ter bewaring van een niet-opeisbare vordering.67 Voor een goed begrip van de rechtsvraag moet men dit onderscheid in het oog te houden, omdat anders procedures in het zand kunnen worden gezet.

Eiseres tot cassatie heeft tegen dit oordeel aangevoerd dat het hof de in dezen toepasselijke maatstaf van art. 705 lid 2 Rv heeft miskend, althans dat zijn onderzoek naar het summierlijk blijken van de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd niet navolgbaar is.

In dit verband is (onder meer) gewezen op de niet-opeisbaarheid van de legitimaire aanspraken van één van verweerders in cassatie. In cassatie is aan de orde gesteld, of conservatoir beslag kan worden gelegd wegens een niet-opeisbare vordering. Deze vraag was door de Hoge Raad nog niet expliciet beantwoord. Wel kan uit HR 3 mei 1996, ECLI:NL:1996:ZC2063, NJ 1996/473 worden afgeleid dat conservatoir beslag voor een toekomstige vordering in beginsel toelaatbaar moet worden geacht.

De Hoge Raad stelt nu dat “niet is uitgesloten dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is”. De Hoge Raad verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis zoals aangehaald in § 15 van de conclusie van Plv.-P-G De Vries Lentsch-Kostense en – vergelijkenderwijs – naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 3 mei 1996.

In de feitelijke instanties had eiseres tot cassatie zich voorts op het standpunt gesteld dat één van de legitimarissen geen vordering meer heeft, omdat toepassing van art. 128 Overgangswet ertoe leidt dat de legitieme portie van deze legitimaris moet worden geacht te zijn vervallen, nu hij deze niet voor 16 november 2006 (5 jaar na datum overlijden erflater) daadwerkelijk heeft opgeëist. Het hof verwierp dit betoog met de redenering dat toepassing van deze overgangsrechtelijke bepaling er alleen toe kan leiden dat de bevoegdheid om de legitieme portie naar oud recht in te roepen vervalt, maar niet dat de vordering ter grootte van de legitieme portie uit het huidige recht vervalt.

De daartegen gerichte cassatieklachten acht de Hoge Raad ongegrond, om andere redenen dan het hof. De Hoge Raad stelt voorop (i) dat een legitimaire aanspraak onder het voor 1 januari 2003 geldende erfrecht – welke (anders dan onder het thans geldende erfrecht) bestond uit een aandeel in de nalatenschap – niet kon vervallen of verjaren, (ii) dat in het huidige erfrecht (wel) een vervalregeling is opgenomen in art. 4:85 lid 1 BW, welke inhoudt dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn en uiterlijk 5 jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen, met het oog waarop (iii) art. 128 Overgangswet een overgangsregeling bevat voor nalatenschappen die zijn opengevallen voor 1 januari 2003, welke bepaling inhoudt dat de legitimaris zijn bevoegdheden uitsluitend volgens het oude recht kan uitoefenen en dat, indien een erflater voor de inwerkingtreding van het huidige erfrecht maar na 1 januari 1999 is overleden, degene die volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als legitimaris kon uitoefenen , die bevoegdheden behoudt totdat sedert het overlijden van de erflater vijf jaren zijn verstreken (in casu: 16 november 2006).

De Hoge Raad neemt voorts in aanmerking dat de wetgever met de in art. 128 lid 2 Overgangswet BW genoemde termijn aansluiting heeft gezocht bij de termijn van vijf jaar in de hiervoor genoemde vervalregeling van art. 4:85 lid 1 BW.

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van art. 128 Overgangswet BW meebrengt dat de legitimaris wiens aanspraak in deze zaak ter discussie stond, zijn bevoegdheid kon uitoefenen door binnen de in art. 4:85 lid 1 BW genoemde termijn van 5 jaren een verklaring af te leggen dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Niet vereist is dat de desbetreffende legitimaris zijn legitieme portie ook daadwerkelijk opeiste. Een en ander leidt ertoe dat van verval van de legitieme portie in dit geval geen sprake is, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de desbetreffende legitimaris een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie binnen de 5-jaarstermijn van art. 4:85 lid 1 BW.

Discussie Notarieel recht – Naar aanleiding van dit arrest zijn door hoogleraren en wetenschappelijk medewerkers Notarieel recht twee rechtsvragen opgeworpen:

  • kan conservatoir beslag worden gelegd ten laste van vermogen van de langstlevende echtgenoot ter verzekering van een niet-opeisbare vordering uit de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) of voor een niet-opeisbare vordering uit de legitieme portie (art. 4:82 tot en met 4:84 BW).
  • als de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet een verzoek van de schuldenaar tot opheffing van een dergelijk beslag zonder meer worden ingewilligd of is er ruimte voor een afweging van de belangen van schuldeiser en schuldenaar en zo ja, hoeveel ruimte er voor zodanige belangenafweging is.

Belangrijkste uitspraken:
○ Hof ’s-Hertogenbosch 26 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:192, JERF 2021/55 m.n. J.H. Lieber
Conservatoir beslag mogelijk geacht.

○ Hof Den Haag 19 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3380, RN 2020/17, verlof tot leggen conservatoir beslag op vermogen van vader tot zekerheid van verhaal niet-opeisbare geldvordering op vader uit hoofde van de nalatenschap van moeder? ‘Quasi-wettelijke verdeling’ in testament, partijen sloten vaststellingsovereenkomst.

Conservatoir beslag in beginsel mogelijk geacht, ruimte voor belangenafweging. Vader voert aan dat erflaatster in haar testament heeft vastgehouden te willen dat hij ongestoord kan voortleven; ze heeft niet gesproken over een verzorgingsbehoefte. Hof: erflaatster wilde dat langstlevende echtgenoot vrij over de nalatenschap mag beschikken. Uit het testament blijkt dat ze de erfrechtelijke positie van de kinderen ondergeschikt wil maken aan die van de langstlevende echtgenoot. Langstlevende is bevoegd vrij over de nalatenschap te beschikken, tenzij hij misbruik van bevoegdheid maakt, dat wil zeggen dat de vader over de nalatenschap beschikt met geen ander doel dan (een van) de kinderen in (zijn respectievelijk) hun verhaalsmogelijkheden te benadelen.

De belangrijke voorvraag, of vader rechtsgeldig zelfstandig had mogen verdelen, is niet aan de orde gesteld. De dochter heeft de rechtsgeldigheid niet bestreden van de testamentaire bepalingen die aan een van de erfgenamen de bevoegdheid geeft de erfgemeenschap te verdelen, met uitsluiting van de andere erfgenamen. Terwijl in de enige dissertatie over het onderwerp promovendus Bernard Schols tot de slotsom komt dat dergelijke bepalingen onder nieuw recht in eerste instantie nietig zijn en slechts door conversie tot rechtsgeldigheid kunnen worden verholpen.68 De advocaat had er goed aan gedaan, de dochter te adviseren een beroep te doen op de nietigheid van de betreffende bepalingen en dat mede ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.

○ Hof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9414, JERF 2024/45 m.nt. I. Visser. Verzoek opheffing van op 4 januari 2023 gelegd conservatoir beslag op onverdeelde helft van de tot de nalatenschap behorende woning. Gedaagden hebben in kort geding gevorderd dat dit beslag wordt opgeheven. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft deze vordering op 6 februari 2023 afgewezen. Op 7 november 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het beslag alsnog opgeheven en het eisers verboden om opnieuw beslag te leggen.69
Conservatoir beslag mogelijk geacht, met enige ruimte voor beoordeling van de wederzijdse belangen in geval van een verzoek tot opheffing van een gelegd conservatoir beslag.

Opmerking redactie. De Rechtbank Midden-Nederland overwoog in 2024 dat ondanks beneficiaire aanvaarding door de langstlevende, bij overlijden van de langstlevende door de legitimarissen niet alleen verhaal kan worden genomen op dat wat over is van de nalatenschap van eerstoverledene, maar ook op het eigen vermogen van de overleden langstlevende.70

► zie ook: prof. mr. W. Breemhaar, Conservatoir beslag voor een niet-opeisbare erfrechtelijke vordering (JBN 2020/48) en zijn overzicht met dezelfde titel online bij ‘InView’.

HR 31-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:565 | Opzettelijk verzwijgen goed erfgemeenschap – gevolgen

Aandeel in goed van de nalatenschap verbeurd wegens opzettelijke verzwijging van dat goed? Art. 3:194 lid 2 BW, vereisten. Vervalt de sanctie na inkeer? Vergelijking met art. 1:135 lid 3 BW, huwelijksvermogensrecht (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15). Stelplicht en bewijslast. Grenzen rechtsstrijd. Zie ook hierna: HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3262.

Casus – Een erfgenaam verzwijgt het bestaan van een Zwitserse bankrekening tegenover andere erfgenamen. De rekening wordt op twee andere namen overgezet. Het gaat om vermogen dat tot de erfenis behoort. De wet erfrecht kent een sanctie als een van de erfgenamen opzettelijk een goed dat tot de erfenis behoort verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Hij of zij ‘verbeurt’ dan zijn aandeel in dat goed. De andere erfgenamen krijgen daardoor een groter aandeel in dat goed. De erfgenaam die vermoedt dat sprake is van het verzwijgen van vermogen, draagt de bewijslast en zal als eerste moeten bewijzen dat de ander weet dat het verzwegen goed tot de erfenis behoort. Het opzettelijk (en dus willen) benadelen van de andere erfgenamen is geen vereiste. Een vordering tot verdeling verjaart niet. Een erfgenaam kan dus op elk moment in de toekomst nog verdeling vorderen van een goed, als blijkt dat er vermogen is verzwegen.

Hoge Raad – Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde (r.o. 3.3.2). Wordt opzet bewezen, ofwel dat de erfgenaam wist dat hij*zij verzweeg, is een aandeel in dat goed van de nalatenschap ‘verbeurd’. Dit kan niet hersteld worden door spijt te betuigen onder teruggave van het goed. Als een eenmaal plaatsgevonden verzwijging in de zin van deze bepaling naderhand zou kunnen worden hersteld met het daaraan door het onderdeel verbonden rechtsgevolg, zou immers niet of nauwelijks meer sprake zijn van een ontmoediging van oneerlijk gedrag waarvan afschrikwekkende werking uitgaat. Het vorenstaande neemt niet weg dat onder bijzondere, door de partij die haar aandeel in het desbetreffende goed in beginsel heeft verbeurd te stellen en zo nodig te bewijzen, omstandigheden een beroep op deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (art. 6:2 lid 2 BW) (r.o. 3.6.2).

HR 19-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:939 | Eerst vereffenen dan verdelen?

Erfrecht. Procesrecht. Vordering tot verdeling van beneficiair aanvaarde nalatenschap waarvan de vereffening niet is voltooid. Art. 4:202 lid 1, onder a, BW. Stelplicht. Regie van de rechter. Art. 22 Rv. NJ 2017/408 met annotatie van S. Perrick.

De Hoge Raad slaat met enkele mooie klappen een pad voor de feitenrechter om tot een oplossing te komen bij een vereffening door de erfgenamen zelf, die al tien jaar duurt, en alsnog tot verdeling door de rechter te komen. Uiterst degelijk voorbereidend werk van A-G De Bock, die uit het feitencomplex het grote praktische destilleert en benoemt en vervolgens juridische handvaten geeft om een typisch erfrechtboedel afwikkelingsprobleem (meningsverschillen erfgenamen) door de rechter op te laten lossen (met 71 noten: ECLI:NL:PHR:2017:180). Leestip: ‘Verlos de rechter uit haar lijdelijkheid‘ van haar hand.71

Casus – Een grote nalatenschap met goederen in Nederland, Zwitserland en Italië. Een erfgenaam heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, twee erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dit betekent dat de nalatenschap op grond van art. 4:195 lid 1 BW volgens afdeling 3 van titel 6 van boek 4 BW moet worden vereffend en dat alle erfgenamen vereffenaar zijn. Gesteld noch gebleken is dat de vereffening is voltooid. Er zijn in elk geval nog niet betaalde schulden van de nalatenschap. Het hof overweegt ambtshalve dat art. 4:222 BW bepaalt dat gedurende de vereffening van titel 7 van boek 3 BW slechts van toepassing zijn de art. 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194 lid 2. Daaruit vloeit voort dat het gedurende de vereffening niet mogelijk is dat een deelgenoot op grond van art. 3:185 BW vordert dat de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt. Dat betekent dat de rechter partijen, zolang de vereffening niet is voltooid, ambtshalve niet-ontvankelijk moet verklaren in hun vorderingen voor zover die strekken tot verdeling en de bij die verdeling nodige toerekening van schulden op het aandeel van de deelgenoot-schuldenaar.

Voor voltooiing van de (lichte) vereffening is nodig dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt, per brief de bekende schuldeisers worden opgeroepen en de vorderingen worden voldaan. Vast staat dat niet, althans niet geheel aan al deze verplichtingen is voldaan. In elk geval heeft geen voldoening van alle vorderingen plaatsgehad. Dat de schuldeiser tevens erfgenaam is doet niet af aan de verplichting van de erfgenamen de nalatenschap overeenkomstig de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW te vereffenen. De vereffening is niet voltooid.

De erfgenamen hebben niet verklaard dat zij op korte termijn de vereffening zullen voltooien, ondanks de geschillen. Het hof zag daarom geen aanleiding de zaak in afwachting van de voltooiing van de vereffening aan te houden of te beslissen op de vorderingen onder opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening.

De Hoge Raad: Op de erfgenaam die de verdeling vordert van een nalatenschap die door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, rust in beginsel de plicht om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Het hof heeft ten onrechte nagelaten in overleg met partijen te onderzoeken of over de vorderingen tot verdeling van de nalatenschap kan worden beslist op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

► Als grondslag voor deze overweging noemde de Hoge Raad het volgende: >> klikken om te openen

4.3.1 Art. 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt, voor zover in cassatie van belang, dat een nalatenschap moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen. Volgens art. 4:195 lid 1 BW zijn alle erfgenamen vereffenaar als een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard. Is een nalatenschap door een van de erfgenamen beneficiair aanvaard, dan rust dus op alle erfgenamen van die nalatenschap de verplichting tot vereffening en zijn zij allen vereffenaar.

4.3.2 De vereffenaar heeft tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen (HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643, NJ 2013/488). De verplichting tot vereffening van de nalatenschap in geval van beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen, strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap (MvA I, Parl. Gesch. Boek 4, p. 945). Daarbij is van belang dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen in geval van beneficiaire aanvaarding in beginsel slechts op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen (art. 4:184 lid 1 BW), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verhaal op het vermogen van een erfgenaam mogelijk is (bijv. art. 4:184 leden 2 en 3 BW, en art. 4:220 lid 2 BW).

4.3.3 Uitgangspunt is dat de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren te voltooien alvorens de nalatenschap te verdelen (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 979), teneinde te waarborgen dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan.

“De rechter kan een partij die niet voldoet aan die stelplicht bevelen haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid (art. 22 Rv). Is de vereffening naar het oordeel van de rechter niet voltooid of is over de voltooiing onvoldoende uitsluitsel verkregen, dan dient de rechter in overleg met partijen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij kan worden gedacht aan het aanhouden van de zaak totdat alsnog vereffening heeft plaatsgevonden, aan een verdeling onder voorwaarden die de positie van schuldeisers waarborgt, of aan een gedeeltelijke verdeling die de rechten van schuldeisers van de nalatenschap onverlet laat. Voor zover deelgenoten in de nalatenschap schuldeisers van de nalatenschap zijn, bestaat eventueel de mogelijkheid dat hun aanspraken worden betrokken in de verdeling.
4.4 Het hof heeft ten onrechte nagelaten in overleg met partijen te onderzoeken of over de vorderingen tot verdeling van de nalatenschap kan worden beslist op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

72

HR 08-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2274 | Verkrijging bij verdeling

Noot Nuytinck
Op de grens van huwelijksvermogensrecht en erfrecht. Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap en hiervan deel uitmakende nalatenschap. Woning verkregen door man deels uit nalatenschap van zijn vader (zonder uitsluitingsclausule) en deels uit verdeling met zijn moeder (met kwijtschelding onder uitsluitingsclausule van de schuld aan moeder uit overbedeling). Behoort de woning tot huwelijksgemeenschap van de man? Betekenis van artikel 3:186 lid 2 BW.

HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3262 | Maatstaf opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden (art. 3:194 lid 2 BW) – Afleggen rekening en verantwoording bij overlijden onder bewind gestelde meerderjarige

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1089
Afleggen van rekening en verantwoording door bewindvoerder bij overlijden van onder bewind gestelde meerderjarige (art. 1:445 lid 1 BW in verbinding met art. 1:373-374 BW). Gezag van gewijsde van beschikking houdende afkeuring van eindrekening van bewindvoerder (art. 236 lid 1 Rv)? Maatstaf van opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van tot een gemeenschap behorend goed (art. 3:194 lid 2 BW).Zie ook hiervoor: HR 31-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:565.

Erflaatster staat onder bewind. Ze heeft een ‘geheime’ bankrekening in Luxemburg die ze aan haar zus wil laten toekomen. Art. 1:445 BW ziet op de verplichting van de bewindvoerder tot het afleggen van rekening en verantwoording (leden 1, 2 en 5). Uit art. 1:373 BW blijkt dat de voogd van een minderjarige de rekening en verantwoording doet hetzij aan de meerderjarig gewordene hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige wanneer deze is overleden, hetzij aan de opvolger in het bewind (r.o. 3.3.3).

Ten slotte is van belang dat, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op art. 3:194 lid 2 BW, rusten op degene die zich op deze bepaling beroept, en dat aan het bewijs van het daarin bedoelde opzet hoge eisen moeten worden gesteld (r.o. 3.4.3).

Op grond van het vorenstaande kan niet worden aanvaard dat het begrip ‘opzettelijk’ als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW aldus moet worden verstaan dat is vereist dat de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort (r.o. 3.4.3).

HR 12-07-2019, 18/02230, ECLI:NL:HR:2019:1169 | Volgen erfgenamen op als partij bij samenlevingsovereenkomst?

Geldt een voor overlijden op grond van een samenlevingsovereenkomst maandelijks betaald bedrag aan onderhoud als schuld der nalatenschap en dienen de erfgenamen deze betalingen voort te zetten?

Casus – De zaak gaat over de uitleg van een door verweerster en erflater in een in 1999 notarieel verleden samenlevingsovereenkomst opgenomen bepaling. In deze bepaling heeft erflater zich tegenover verweerster verplicht om haar na beëindiging van de samenleving, anders dan door overlijden van een der partijen, tot aan haar 65e levensjaar of eerder overlijden, maandelijks een bedrag uit te keren gelijk aan het bedrag dat haar zou toekomen in het kader van de Algemene Nabestaandenwet. Verweerster genoot namelijk sinds 1984 een uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (thans: de Algemene nabestaandenwet) die door het samenwonen met erflater is komen te vervallen. De bepaling luidt:

“Artikel 5:
De comparante sub 2. genoot tot aan het moment van samenwonen een uitkering krachtens Algemene Nabestaandenwet (voorheen de Algemene Weduwen- en Wezenwet) welke uitkering is gestopt op het moment van samenwonen. Bij beëindiging van de samenleving, anders dan door overlijden van een der partijen, verplicht de comparant sub 1. zich nu voor alsdan tegenover de comparante sub 2. om aan de comparante sub 2., tot aan haar vijf en zestig jarige leeftijd of eerder overlijden, maandelijks uit te keren een bedrag gelijk aan het bedrag hetwelk zij op dat moment zou ontvangen uit de Algemene Nabestaandenwet, en zulks onder de volgende voorwaarden:

  • a) de uitkering vervalt op het moment dat de comparante sub 2 trouwt of gaat samenwonen als ware zij getrouwd.
  • b) op de uitkering wordt in mindering gebracht eventuele eigen inkomsten uit sociale voorzieningen zoals de Bijstandswet.”

In januari 2006 hebben verweerster en erflater hun samenwoning beëindigd. Erflater heeft tot aan zijn overlijden op 29 oktober 2011 maandelijks aan verweerster een bedrag betaald gelijk aan het bedrag dat zij zou hebben ontvangen uit de Algemene Nabestaandenwet. Na overlijden van erflater ontstaat tussen de erfgenamen van erflater (eisers) en verweerster een geschil over de vraag of de verplichting ook na het overlijden van erflater is blijven bestaan en daardoor als schuld van de nalatenschap van erflater aangemerkt dient te worden.

  • Noot redactie: ter sprake had ook kunnen komen of sprake is van een overeenkomst waar erfgenamen op de voet van art.6:249 BW opvolgend partij zijn geworden. Erven Gaasbeek

De rechtbank heeft geoordeeld dat de verplichting uit hoofde van artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst niet gekwalificeerd kan worden als een schadevergoeding of lijfrente, zodat deze als onderhoudsverplichting gezien moet worden. Op de grond dat een onderhoudsverplichting niet vererft, is de vordering afgewezen.

In hoger beroep ziet de (nieuwe?) advocaat het licht, de grondslag van de vordering wordt aangepast. samengevat:

primair op een verbintenis uit de samenlevingsovereenkomst tot betaling van een periodieke uitkering totdat zij 65 jaar is, althans dat volgens de bedoeling van partijen de uitkering niet eindigt bij overlijden van [erflater] ,

subsidiair op een verbintenis die voortvloeit uit redelijkheid en billijkheid,

meer subsidiair op een lijfrenteverbintenis (eventueel naar analogie) totdat zij 65 jaar is,

uiterst subsidiair op een verplichting tot schadevergoeding wegens het onrechtmatig niet voldoen aan de ongeschreven rechtsplicht tot betaling van een periodieke uitkering totdat [verweerster] 65 jaar is.

Tegen deze aanvulling van de grondslag van de eis hebben eisers geen bezwaar gemaakt. Het hof heeft op 2 mei 2017 tussenarrest3 gewezen. Als tussenarrest stelt het hof vast dat tussen partijen niet in discussie dat erflater zich met artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst tegenover verweerster heeft verplicht om haar na het beëindigen van de samenleving de daarin bepaalde uitkering te verstrekken en dat hij zich tot aan zijn overlijden ook aan die verplichting heeft gehouden. De vraag die hen verdeeld houdt, is of die verplichting ook na het overlijden van erflater is blijven bestaan en daardoor als schuld van de nalatenschap aangemerkt dient te worden. De strekking van de vordering van verweerster is te doen vaststellen dat dit laatste het geval is, zoals verweerster stelt en eisers betwisten. Volgens het hof is beslissend voor het antwoord op de vraag of de verplichting met het overlijden van erflater is geëindigd dan wel is blijven bestaan tot de 65e verjaardag van appellante dan wel eerder overlijden, de bedoeling van partijen bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst.

Aangezien de overeenkomst zelf onvoldoende uitsluitsel biedt, terwijl andere bescheiden van partijen over het aangaan van de overeenkomst ontbreken, heeft het hof die vraag aan de hand van de bedoeling van partijen bevestigend beantwoord op basis van verklaringen van de notaris, van verweerster en van de zuster van verweerster. De vordering van is door het hof toegewezen en het hof heeft voor recht verklaard dat de vordering tot betaling van een maandelijks bedrag gelijk aan de uitkering die verweerster zou ontvangen in het kader van de Algemene Nabestaandenwet behoort tot de schulden van de nalatenschap van erflater en dat zijn dochters als vereffenaars van de nalatenschap gehouden zijn de vordering van verweerster te erkennen en in het kader van de vereffening van de nalatenschap met inachtneming van de wettelijke bepalingen en rangorde te betalen.

De Advocaat-Generaal zet het erfrechtelijk durcheinander in een goed leesbare, uitgebreide en degelijk gedocumenteerde conclusie op een rij. Wie zich in het erfrecht wil specialiseren moet deze conclusie op de boekenplank hebben staan voor het onderwerp: overgang van rechten en plichten bij overlijden.

Hof Arnhem-Leeuwarden, 13-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6398 | Instelling bewind ondanks gemachtigde op grond van levenstestament

HR 09-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1589 | Berekening legitimaire massa

Erflaatster heeft bedrag ingebracht in een stichting naar het recht van Liechtenstein, waarvan zij zelf en na haar overlijden twee van haar zonen begunstigden zijn. Moet met deze begunstiging bij de berekening van de legitimaire massa en legitieme portie krachtens art. 4:65 BW rekening worden gehouden? Is het hof buiten de rechtsstrijd getreden door de begunstiging als een legaat te behandelen? Motiveringsklachten.

GH Amsterdam (notariskamer) 12-01-2021 ECLI:NL:GHAMS:2021:3 | Schorsing notaris wegens zware schendingen bij opmaken testament

HR 23-04-2021, ECLI:NL:HR:2021:1272 | Verjaring vordering uit legaat

Instellen van vordering uit legaat verjaart na twintig jaar. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan termijn buiten toepassing worden gelaten

Hoge Raad: ‘De rechtsvorderingen tot uitkering van een legaat die verweersters tegen eisers hebben ingesteld, verjaren ingevolge art. 3:306 BW in verbinding met art. 3:313 BW door verloop van twintig jaren na de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.’

HR 17-09-2021, ECLI:NL:HR:2021:1272 (Prejudiciële beslissing) | Rente over schulden na overlijden is schuld der nalatenschap

Vereffening. Rente over schulden lopend na overlijden moet gerekend worden tot schuld der nalatenschap.

GH ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3013 | Zuivere aanvaarding door gedrag erfgenaam

Erfgenaam heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, doordat hij goederen (gelden) aan het verhaal van schuldeisers heeft onttrokken. De erfgenaam heeft advocaatkosten van een rekening van de nalatenschap betaald. Deze advocaatkosten hadden niet alleen betrekking op werkzaamheden van de executeur, maar ook op werk voor de erfgenaam persoonlijk. Het betrof advies aan de erfgenaam om de nalatenschap (al dan niet beneficiair) te aanvaarden of te verwerpen. De opdracht hiertoe is geen opdracht ten behoeve van de nalatenschap. Door de kosten vanaf moeders bankrekening te betalen, heeft de zoon een privéschuld van hemzelf voldaan en daardoor gelden aan het verhaal van schuldeisers van de nalatenschap onttrokken. Het hof overwoog dat de erfgenaam dit had kunnen weten, omdat hij een erfrechtspecialist had geraadpleegd. Noot redactie: weer een stuitend voorbeeld van de parate kennis van de ‘erfrechtspecialist’ …

HR 29-10-2021, ECLI:NL:HR:2021:1600 | Zuivere aanvaarding door gedrag erfgenaam?

Casus – Erflater is overleden in 2014. In haar testament heeft ze twee van haar drie kinderen (A en B) tot haar erfgenamen benoemd, het derde kind (C) is niet in het testament opgenomen. A heeft kort na het overlijden van zijn moeder de kamer in het verzorgingstehuis ontruimd en de inboedel afgevoerd. Verder heeft hij in opdracht van moeder kort na haar overlijden een doos gebak gekocht à € 31,15 en aangeboden aan de werknemers van het verzorgingstehuis, en cadeaubonnen ter waarde van € 150 voor de alfahulp die moeder verzorgde. De bedragen zijn voldaan vanaf de bankrekening van overledene. Daarna hebben beide erfgenamen de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dochter C heeft een beroep gedaan op de legitieme portie. Ze vordert de rechter voor recht te verklaren dat A de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Hoge Raad – Uit gedragingen van een erfgenaam mag niet te snel worden afgeleid dat deze de bedoeling heeft de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Dat volgt niet alleen uit de tekst van art. 4:192 lid 1 (oud) BW (‘ondubbelzinnig en zonder voorbehoud’) en de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, maar houdt ook verband met de potentieel verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding voor de desbetreffende erfgenaam en de omstandigheid dat erfgenamen die belast zijn met het regelen van de praktische gevolgen van het overlijden van een naaste op die verstrekkende gevolgen niet steeds bedacht zullen zijn. Terughoudende toepassing van art. 4:192 lid 1 (oud) BW strookt voorts met het motief dat ten grondslag ligt aan de wijziging van deze bepaling per 1 september 2016. Uit de parlementaire geschiedenis van die wetswijziging blijkt dat de wetgever het problematisch achtte dat veel onduidelijkheid bestond over de vraag welke handelingen leiden tot zuivere aanvaarding, dat soms te snel werd aangenomen dat sprake is van zuivere aanvaarding door een erfgenaam die daarop niet bedacht is en dat handelingen die erfgenamen kort na het overlijden soms noodgedwongen moeten verrichten (zoals het ontruimen van de woning van de erflater) in de rechtspraak soms zijn aangemerkt als zuivere aanvaarding, terwijl juist van belang is dat erfgenamen een bewuste keuze maken om een nalatenschap al dan niet (zuiver) te aanvaarden.

De Hoge Raad is het eens met het hof dat de aankoop van gebak en cadeaubonnen in opdracht van moeder niet meebrengt dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen. Hetzelfde geldt voor het aanbieden van de inboedel zonder reële waarde aan de kringloopwinkel. Maar het hof had niet voorbij mogen gaan aan het bewijsaanbod van C dat A bij het leeghalen van de woning de zo goed als nieuwe televisie heeft aangeboden aan de zoon van B. In de boedelbeschrijving is de televisie niet opgenomen en ook de sieraden van X staan hier niet in. De zaak wordt verwezen naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Zie eerder: HR 22-05-2015, ECLI:NL:HR:2015:1284 | Koperen Pan

HR 05-11-2021, ECLI:NL:HR:2021:1646 | Ontslag executeur die ook als bewindvoerder is aangewezen

Ontslag executeur wegens gewichtige reden, art. 4:149 lid 2 BW. Omvat ontslag mede de bevoegdheden uit benoeming tot ‘afwikkelingsbewindvoerder’? Uitleg gerechtelijke uitspraken.
Noot red.: de annotatie van BMEM Schols in JERF wordt twee keer genoemd bij publicatie op rechtspraak.nl, die van P.C. van Es niet: Executeur of bewindvoerder? Zelfs de goede Homerus slaapt wel eens.

Centraal staat de vraag of het ontslag van een executeur op grond van art. 4:149 lid 2 BW, bij een benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder, ook tot gevolg heeft dat zijn bevoegdheden als afwikkelingsbewindvoerder eindigen. De kantonrechter ontsloeg alleen als executeur, het Hof ontsloeg in de rol als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Volgens de ontslagen executeur zou het ontslag niet zijn rol als bewindvoerder omvatten. Hoewel niet expliciet was verzocht om ontslag van de broer als executeur én de afwikkelingsbewindvoerder, werd dit door het hof wel zo begrepen. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad overweegt in zijn beschikking, rov. 3.2.1 dat het hof “onmiskenbaar de bevoegdheden die de broer in het testament kreeg als ‘afwikkelingsbewindvoerder’ onlosmakelijk verbonden [heeft] geacht met de benoeming tot executeur.” En in rov. 3.2.2: “In de aangehaalde overwegingen [rov. 3.7.5 en 3.7.6 van de beschikking van het hof] ligt besloten dat volgens hof het ontslag ‘als executeur’ in het inleidend verzoek en in de beschikking van de kantonrechter mede betrekking had op de bevoegdheden die de broer verkreeg doordat hij in art. IX van het testament niet slechts tot executeur, maar tot ‘executeur afwikkelingsbewindvoerder’ was benoemd. De broer heeft na zijn ontslag daarom ook geen bevoegdheden meer als afwikkelingsbewindvoerder. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Hierop stuiten de klachten van het tweede middel af.”

Rechtbank Amsterdam (Kort Geding) 01-12-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7090
Rechtbank Midden-Nederland 15-12-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6151 | Digitale nalatenschap

Erfgenamen volgen overledene onder algemene titel op in al diens bezittingen en eigendommen, op grond daarvan worden ze opvolgend partij bij de door erflater afgesloten overeenkomsten. Digitale dienstenverleners moeten de erfgenamen als opvolgend contractspartij accepteren. Bespreking met kritiek: Mireille van Eechoud & Luna Schumacher, “Data na de dood Zwevend tussen contract en gegevensbescherming“, Nederlands Juristenblad, 11-02-2022, afl. 6.
Zie ook het Urteil Bundesgerichtshof Duitsland van 27 augustus 2020: naar persbericht BGH >>>
een vervolg op het Urteil van 12 Juli 2018 – III ZR 183/17 – Pressemitteilung 115/18.

In België is de wet goederenrecht in 2018 veranderd en zijn immateriële goederen in de wet opgenomen.

HR 24-12-2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 | Box-3 vermogensrendementsheffing, verdragsschending eigendomsrecht, rechtsherstel

(NTFR 2022/37)
De Hoge Raad concludeert tot verdragsschending op stelselniveau: strijd met het verdragsrechtelijk beschermd eigendomsrecht in samenhang met het verdragsrechtelijke discriminatieverbod. De Hoge Raad stelt in lijn met zijn Arbeidskostenforfait-arrest van HR 12-05-1999, zaaknr 33320, ECLI:NL:HR:1999:AA2756 voorop, zie hiervoor, dat aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel kan vaststellen hoe de verdragsschending kan worden opgeheven niet voorhanden zijn. Het formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de daarvoor te maken keuzes dienen daarom in beginsel aan de wetgever te worden gelaten. Toch ziet de Hoge Raad zich ‘thans’ genoodzaakt om de belastingplichtige rechtsherstel te bieden. Daarbij zoekt hij impliciet aansluiting bij een belangrijk voorbehoud dat de Hoge Raad ook in het Arbeidskostenforfait-arrest maakte: de rechter kan in een voorkomend geval wel rechtsherstel bieden als de wetgever op de hoogte is van de verdragsschending, maar de kwestie te lang op zijn beloop laat. Volgens de Hoge Raad kan ‘niet langer’ worden volstaan met de constatering van een verdragsschending. Bepalend daarvoor acht hij het discriminerende karakter van de verdragsschending, dat de thans geldende regeling ‘nog steeds’ dezelfde tekortkomingen bevat als die de Hoge Raad op 14 juni 2019 heeft vastgesteld en dat, hoewel de wetgever sinds 2015 werkt aan invoering van een heffing op basis van daadwerkelijk behaalde rendementen, de invoering daarvan op dit moment niet eerder dan in 2025 is voorzien. De Hoge Raad acht dit kennelijk te laat en gaat over tot daadwerkelijk rechtsherstel.73

België | Hof van beroep Antwerpen, 22-03-2022 | Testamentaire bewindsclausule nietig verklaard

Verboden contractuele handelingsonbekwaamheid | In België nam het notariaat de voor erfgenamen nadelige gewoonte van de Nederlandse notaris over, bij testament een regeling met buitenwettelijke bevoegdheden voor een bewindvoerder te adviseren en toe te passen. In de Belgische rechtsleer is veel gediscussieerd over de rechtsgeldigheid van een bewindsclausule als last in een testament. Een meerderheid van de praktijkmensen ziet geen beletsel in de toepassing van het testamentair meerderjarigenbewind. Het hof van beroep te Antwerpen zet een ferme streep door de rekening.

Casus – Erflater, overleden op 19 oktober 2018, laat een echtgenote en een zoon na en een dochter uit een vorig huwelijk. In zijn testament stelde hij zijn beide kinderen elk voor een gelijk deel aan als algemene legataris. Voor zijn zoon werd echter tot de leeftijd van 25 jaar in een regeling van bewind door zijn dochter voorzien. De rechtsgeldigheid van dit testamentair meerderjarigenbewind werd ter beoordeling voorgelegd aan het Hof van beroep te Antwerpen. Het Hof heeft geoordeeld dat het opleggen van een bewind als last op het legaat aan een meerderjarige, een verboden contractuele handelingsonbekwaamheid via een extralegale voogdij invoert. De zaak is ook voor Nederland van belang omdat het om het Europese grondrecht voor de bescherming van eigendom gaat. Zie het artikel: Testamentair beding met meerderjarigenbewind op de schop

HR 01-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:495 | Voor legitieme portie (en andere vorderingen ex art. 4:7 BW) moet executeur worden aangesproken, niet de erfgenamen: ‘privatief vertegenwoordiger’

Burgerlijk procesrecht. Executeur roept erfgenamen als partij in het geding op grond van art. 118 Rv. Art. 4:145 BW. Erfgenamen kunnen niet in rechte optreden, ook niet naast de executeur alleen de executeur, zie Van der Burght, Parl. Gesch. Nieuw BW Boek 4, p. 961. Niet ontvankelijk.

Eiser in cassatie procedeert in zijn hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder en testamentair executeur, verweerder*sters in cassatie zijn de drie kinderen (een zoon, onterfd, twee dochters) van erflater, veehouder. Er heeft enige tijd een maatschap bestaan tussen erflater en dochter 1, bij uittreding door erflater zijn afspraken gemaakt over verdeling van het maatschapsvermogen. Eiser is de echtgenoot van dochter 2. Erflater heeft in 2011 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarbij dochter 2 benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder en executeur. Het testament vermeldt het volgende over haar taken en bevoegdheden:

  • “AFWIKKELINGSBEWIND/EXECUTEURSBENOEMING
    Indien ik overlijd stel ik een (afwikkelings) bewind in over de erfdelen van mijn erfgenamen en benoem mijn jongste dochter [verweerster 3] tot bewindvoerder. Dit bewind wordt ingesteld in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van mijn nalatenschap. De bewindvoerder komen alle bevoegdheden toe, en uitsluitend die bevoegdheden, die nodig zijn om de bovenstaande verdeling tot stand te brengen, zonder medewerking of toestemming van de erfgenamen.
    (…)
    Taak executeur/bevoegdheid
    De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de successierechten die ten laste komen van erfgenamen of legatarissen.
    (…)
    Vertegenwoordiging
    De executeur vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak mijn erfgenamen in en buiten rechte. (…)

Beoordeeld diende te worden of eiser ontvankelijk is in zijn beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen de dochters. Vast staat dat erflater bij zijn testament de zoon heeft onterfd. Daarom is hij geen erfgenaam van erflater (art. 4:1 lid 2 BW). Wel is hij legitimaris (art. 4:63 lid 2 BW). Art. 4:80 BW houdt in dat de legitimaris die aanspraak op de legitieme portie maakt, ter zake daarvan een vordering heeft op de gezamenlijke erfgenamen. De schuld ter zake van een legitieme portie waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt, is een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1, onder g, BW). Op grond van art. 4:144 lid 1 BW heeft de executeur tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen. De executeur vertegenwoordigt gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:145 lid 2 BW). De executeur treedt daarbij op als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen.3 Dat betekent dat de erfgenamen niet zelf als zodanig voor de nalatenschap kunnen optreden.

In het in 2.1 vermelde testament is overeenkomstig art. 4:145 lid 2 BW bepaald dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Aangezien de executeur tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen, heeft de zoon terecht de executeur aangesproken tot voldoening van de legitieme portie. De dochters worden als erfgenamen in dit geding vertegenwoordigd door eiser als executeur. Eiser is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen de dochters.

GH ’s-Hertogenbosch 14-07-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2410 | Beroep onverwachte schuld niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding

In deze beschikking komt het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet toe aan de vraag of gokschulden van erflaatster zijn aan te merken als onverwacht, zoals bedoeld in artikel 4:194a BW. Uit artikel 4:194a BW volgt dat de erfgenaam die na zuivere aanvaarding alsnog beneficiair wil aanvaarden, de kantonrechter binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld moet verzoeken hem daartoe te machtigen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de erfgenaam bevestigd dat hij in de eerste twee maanden na het overlijden van erflaatster bekend werd met de schulden doordat hij en zijn zoon zakken met onbetaalde rekeningen in onder meer de garage aantroffen. Het verzoekschrift is later dan drie maanden na overlijden ingediend, zodat de erfgenaam niet-ontvankelijk is.

  • Ook de rechtbank Midden-Nederland verklaart verzoekers in de beschikking van 3 mei 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:1787) niet-ontvankelijk, omdat het verzoek om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden te laat is ingediend. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat een legaat dat kenbaar is opgenomen in een testament niet kan gelden als een onbekende schuld als bedoeld in artikel 4:194a BW. Verzoekers zijn in de gelegenheid geweest om voorafgaand aan de zuivere aanvaarding kennis te nemen van het testament. Voor zover zij daarbij onvoldoende, onvolledig of onjuist zijn voorgelicht door deskundigen kan dat niet tot gevolg hebben dat een zuivere aanvaarding alsnog kan worden geconverteerd in een beneficiaire aanvaarding.

HR 30-09-2022, ECLI:NL:HR:2022:1339 | Quasi-legaat? Omzetting natuurlijke verbintenis

De rechtsvraag in dit arrest is of de vordering op de nalatenschap uit hoofde van huwelijkse voorwaarden moet worden aangemerkt als een zogenoemd quasi-legaat.

Hoge Raad: Omzetting van natuurlijke verbintenis in rechtens afdwingbare verbintenis. Er is sprake van een quasi-legaat, omdat de verbintenis de strekking heeft na het overlijden van erflater te worden nagekomen.

Casus – Erflater en eiseres in cassatie (hierna ook te noemen: “eiseres”) zijn in 2010 met elkaar gehuwd, onder het maken van huwelijkse voorwaarden. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden stond opgenomen dat erflater bij het einde van het huwelijk door zowel overlijden als anders dan overlijden, verplicht was een bedrag ter hoogte van € 500.000, – uit te keren, mede ter nakoming van zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud aan eiseres. Het bedrag zou vermeerderd worden met € 100.000, – voor elk jaar dat zijn huwelijk met eiseres voortduurde, oplopend tot een maximum van € 1.000.000, -.

Eiseres heeft op 22 januari 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Erflater heeft, onder herroeping van eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, bij testament van 5 september 2016 de wettelijke verdeling uitgesloten, eiseres onterfd en verweerders als erfgenamen aangewezen. Erflater is in 2017 overleden. Verweerders hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

Vanwege het overlijden van de erflater is het verzoek tot echtscheiding van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres vorderde een bedrag ter hoogte van € 1.115.000, – op grond van voornoemd artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden en stelde dat deze vordering een schuld was als bedoeld in art. 4:7 lid 1 sub a BW. Verweerders vorderden dat voor recht werd verklaard dat voornoemde vordering van eiseres moet worden gekwalificeerd als een schuld als bedoeld in art. 4:7 lid 1 sub i BW.

De rechtbank stelde eiseres in het gelijk en wees de vordering van verweerders af. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde verweerders in hun gelijk.

De Hoge Raad is van oordeel dat het hof juist heeft geoordeeld en dat er sprake is van een quasi-legaat, omdat de verbintenis de strekking heeft na het overlijden van erflater te worden nagekomen. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat de woorden ‘voor zover’ in art. 4:126 lid 2 sub c BW uitdrukkelijk rekening houden met de mogelijkheid dat uit een overeenkomst van omzetting zowel aanspraken op prestaties voortvloeien die pas na overlijden opeisbaar zijn, als aanspraken op prestaties die reeds bij leven opeisbaar zijn.

Conclusie A-G Vlas, Parket Hoge Raad, 26 mei 2023, ECLI:PHR:2023:544 | Perceeltje appelboomgaard

Vernietiging onterving, betekenis ‘uiterste wil’ in art. 4:43 lid 2 BW. Een erflaatster heeft haar dochter benoemd tot enig erfgename, op deze manier is haar zoon is onterfd. “Ter toelichting van deze erfstelling verwijs ik naar de aan dit testament gehechte bijlage.” Volgens de niet ondertekende bijlage heeft de zoon haar benadeeld en haar vermogen deels toegeëigend. Het hof is van oordeel dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als ‘in de uiterste wil aangeduid’ heeft te gelden. De bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel. In het testament zelf staat de uiterste wilsbeschikking waar het moeder om gaat; in de bijlage is de toelichting daarop verwoord. De uiterste wilsbeschikkingen van moeder zijn vervat in een notariële akte en voldoen daardoor aan de vormeis die daaraan wordt gesteld. Dat de bijlage niet door moeder is ondertekend maakt dat niet anders. Door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit haar toelichting is.
Het Hof is van oordeel dat de erflaatster de erfstelling van de dochter en de impliciete onterving van de zoon heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. Volgens het Hof is niet gebleken van onrechtmatig handelen van de zoon zodat de veronderstellingen van de erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament onjuist zijn geweest. Tot slot moet nog de vraag worden beantwoord of de erflaatster haar zoon niet zou hebben onterfd als zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis had gedragen. De zoon stelt dat als de erflaatster zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals de dochter voor 50% in de nalatenschap van de erflaatster zou delen. Die stelling is door de dochter niet althans onvoldoende betwist. Omdat voldaan is aan de vereisten van art. 4:43 lid 2 BW, dient volgens het hof het testament voor zover het de erfstelling betreft te worden vernietigd. Voor het overige blijft het testament in stand. De dochter gaat in appel.

De A-G meent dat wetgever in art. 4:43 lid 2 BW met ‘uiterste wil’ niet gedoeld op een aan vormvoorschriften gebonden akte, maar op ‘het geheel van uiterste wilsbeschikkingen welke de erflater in een of meer akten heeft getroffen’. De term heeft in dit artikel dus een materiële betekenis, in tegenstelling tot de meeste andere bepalingen van Boek 4 waarin ‘uiterste wil’ een formele betekenis heeft.
In cassatie is onbestreden de vaststelling van het hof dat de bijlage is gehecht aan de uiterste wil en daarmee één geheel vormt. Door uitdrukkelijk te verwijzen naar de toelichting in de erfstelling zelf, moet de wil van moeder worden geacht erop te zijn gericht de in de toelichting vervatte beweegreden(en) in de uiterste wilsbeschikking zelf aan te duiden. Het zou anders liggen wanneer in de uiterste wilsbeschikking niet zou zijn verwezen naar de bijlage bij de uiterste wil, terwijl deze bijlage wél aan de uiterste wil zou zijn gehecht. De conclusie strekt tot verwerping.

Gerechtshof Den Haag 02-05-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:848 | Schijnconstructie met stichting om legitimaire massa te verkleinen en belasting te besparen

JERF 2023/118 met annotatie prof. mr. J.W.A. Biemans

Terechtwijzing aan de estate planning en de adviseurs van testamentmakers om estateplanning constructies te bedenken waarmee erfbelasting zou kunnen worden bespaard / vermeden.

Erflaatster heeft tijdens haar leven een stichting opgericht met een culturele doelstelling. In de stichting wordt door erflaatster ingebracht onroerende zaken voor vele honderdduizenden euro`s. Uit de correspondentie tussen erflaatster en haar zoon – die zij tot enig erfgenaam had benoemd- volgde dat zij door de oprichting van de stichting en de inbreng van het onroerend goed trachtte te voorkomen, dat de onroerende zaken meegenomen moesten worden bij de berekening van de legitieme rechten van de legitimarissen. Een van de legitimarissen beroept zich erop dat er sprake van een schijnconstructie. Hof kijkt door de stichting heen en gaat er bij de berekening van de legitieme rechten vanuit dat het onroerend goed tot de nalatenschap behoort van erflaatster. De fiscale kamer van het hof heeft bij de berekening van het inkomen van erflaatster eveneens door de stichting heen gekeken en wel op basis van art 2.14 a wet Inkomstenbelasting.

HR 8-09-2023 ECLI:NL:HR:2023:1166 | Verdeling vakantiehuisje
Conclusie plv. PG Parket Hoge Raad juni 2023

Van belang om te weten wat de Hoge Raad hier niet heeft beslist. De Hoge Raad heeft zich niet over de figuur van de executeur-afwikkelingsbewindvoerder uitgelaten en hoefde dat ook niet. Hier werd een hofarrest ter cassatie aan de Raad voorgelegd met overwegingen waaruit de visie klinkt dat een executeur-afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid kan krijgen zelfstandig te verdelen, maar deze overwegingen maakten geen onderdeel uit van het cassatieberoep. Het hof had zijn oordeel hier namelijk niet op gebaseerd.

HR 10-11-2023, ECLI:NL:HR:2023:1531 | Uitleg uiterste wilsbeschikking, vaststelling verhoudingen die erflater met uiterste wil kennelijk wenst te regelen

Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in art. 4:46 BW, kunnen ook relevant zijn omstandig­heden waaraan de erflater niet heeft gedacht toen hij het testament liet opmaken.

Is een erflater gehuwd of is er een geregistreerd partnerschap en is er geen testament gemaakt, gaat bij overlijden de hele erfenis naar de partner. De kinderen van overledene ‘krijgen’ een vordering ter hoogte van hun theoretisch erfdeel dat pas opeisbaar is bij overlijden en alleen voor wat er dan nog van over is. De langstlevende mag de hele erfenis namelijk gebruiken om na overlijden ongestoord verder te leven.

zie: Wettelijke verdeling in Nederlands erfrecht is geen verdeling van de erfenis

Is er een testament gemaakt, gelden andere regels. Nu bepaalt de inhoud van het testament wie de erfenis krijgt en voor welke deel. Maar de inhoud van een testament is niet altijd duidelijk. Of (rechts)personen die minder bedeeld kregen dan ze hadden verwacht, menen dat het testament anders dient te worden gelezen dan er letterlijk staat. De erfgenamen kunnen dan in onderling overleg beslissen om het testament anders uit te leggen. Wordt er geen unanimiteit bereikt, kan de vraag aan de rechter worden voorgelegd. Het testament moet dan worden uitgelegd volgens de regels van de wet erfrecht, art. 4:46 BW. De toepassing van dit artikel is
echter niet onproblematisch. Met name de verhouding tussen de eerste twee leden van dit artikel
is moeizaam, zo stelt advocaat-generaal bij het parket van de Hoge raad W.L. Valk in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:444).74

In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat bij uitleg van de uiterste wil niet alleen verwachtingen van de erflater tijdens het opmaken van de uiterste wil kunnen worden meegewogen, maar er kunnen ook feiten en omstandigheden bij worden betrokken die zich daarna hebben voorgedaan. Het feit dat een erflater in zijn uiterste wil geen rekening heeft gehouden met een bepaalde toekomstige situatie, kan betekenen dat de uiterste wil zo moet worden uitgelegd dat de beschikking niet geldt als die situatie zich voordoet. Nu erflater een concept-testament had opgemaakt, maar dat niet heeft laten omzetten naar een rechtsgeldig testament, nam de Hoge Raad aan dat erflater zich ervan bewust was dat er een nieuw testament nodig was om zijn echtgenote het recht van erfopvolging te verlenen, maar heeft dat niet gedaan. Deze beslissing moet worden gerespecteerd.

Casus – Een in 2017 overleden bistrohouder benoemt in een testament uit 2006 zijn toenmalige huwelijkspartner tot erfgename en executeur, onder de voorwaarde dat hun huwelijk nog bestaat op zijn sterfdag. Subsidiair benoemt hij zijn broer tot erfgenaam, voor het geval de erfstelling van zijn toenmalige echtgenote geen doorgang zou vinden.

De bistrohouder is na het opmaken van zijn testament gescheiden en hertrouwd, de tweede echtgenote heeft kinderen gekregen. Uit dit huwelijk zijn kinderen geboren Tijdens dit tweede huwelijk heeft de bistrohouder een concept voor een nieuw testament laten opstellen, maar dat is nooit definitief gemaakt. Het testament uit 2006 is daarom geldend. De weduwe heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de broer geen rechten kan ontlenen aan het testament uit 2006. Volgens haar is het testament alleen bedoeld voor het geval dat haar man ongehuwd en kinderloos zou overlijden. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof wees deze af.

Rechtbank en hof volgen de weg van uitleg van de uiterste wilsbeschikking, art. 4:46 BW. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking gelet dient te worden op (i) de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op (ii) de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Het hof heeft overwogen dat feiten en omstandigheden van na het maken van het testament alleen kunnen meewegen bij de uitleg, als de erflater daarop is vooruitgelopen bij het maken van het testament (en bijvoorbeeld al heeft voorzien in de mogelijkheid dat zijn huwelijkssituatie zou wijzigen). Nu de bistrohouder geen aandacht heeft besteed aan de mogelijke wijziging in zijn huwelijks- en gezinssituatie op de wijze zoals die zich heeft voorgedaan (hertrouwen en kinderen krijgen), kan die wijziging niet betrokken worden bij de uitleg van zijn testament. In cassatie betoogt de weduwe dat die maatstaf onjuist is.

Hoge Raad – De Raad overweegt – onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis – dat bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang kunnen zijn. Aan die latere feiten en omstandigheden kan namelijk bewijs worden ontleend voor de omstandigheden waaronder de uiterste wil is opgemaakt. Bij de erflater bestaande verwachtingen over de toekomst kunnen op die manier worden betrokken bij de uitleg.

Dergelijke toekomstverwachtingen kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. De Hoge Raad verwijst in dat verband naar een arrest uit 2013 waaruit volgt dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht kan worden geslagen op verklaringen van getuigen over wat de erflater beoogd heeft. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:75

“Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een dergelijke uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.”

De Hoge Raad bepaalt dus dat voor de in art. 4:46 lid 1 BW genoemde verhoudingen zowel verwachtingen van de erflater tijdens het opmaken van de uiterste wil, als feiten en omstandigheden van daarna betrokken kunnen worden. Het oordeel van het hof dat het niet vooruit lopen van de bistrohouder op de latere wijziging in zijn huwelijks- en gezinssituatie die zich feitelijk heeft voorgedaan meebrengt dat die wijziging geen rol mag spelen bij de uitleg van het testament, is daarmee onjuist.

Omdat de bistrohouder in zijn uiterste wil geen rekening heeft gehouden met een dergelijke wijziging, moet gevraagd worden of hij ook deze huwelijks- en gezinssituatie kennelijk wilde regelen. Volgens de Hoge Raad kon het hof aan die vraag niet voorbijgaan door slechts uit het testament af te leiden welke verhoudingen de erflater met de uiterste wil kennelijk wel wilde regelen en te constateren dat in het testament niet is verwoord dat de erfstelling van de broer niet geldt als de erflater hertrouwt en kinderen achterlaat.

Afdoening – De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Daarmee wordt de conclusie van A-G Valk gevolgd.

Over de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (’testamenten’) zie verder:
° Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2023 (ECLI:​NL:​GHARL:​2023:10832), waarin het hof oordeelt dat de erflaatster ten tijde van het opstellen van haar testament geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij later in haar leven is getrouwd en naast appellant nog twee kinderen heeft gekregen. Aan haar eerdere testament komt geen betekenis toe voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflaatster en daarop is nu het wettelijk versterferfrecht van toepassing.
° Gerechtshof Amsterdam van 20 augustus 2024 (ECLI:​NL:​GHAMS:​2024:2469). Ook in deze zaak wordt de erfstelling in het testament van de erflater vervallen verklaard.
° Rechtbank Noord-Holland 14 februari 2024 (ECLI:​NL:​RBNHO:​2024:1597), hier wordt het testament gevolgd
° Rechtbank Limburg 29 april 2024 (ECLI:​NL:​RBLIM:​2024:2192) waarin de rechtbank na uitlegging van het testament van erflater oordeelt dat de erflater de wettelijke verdeling impliciet heeft uitgesloten.
° Hof Den Haag 6 augustus 2019 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2019:2800). Als er volstrekte zekerheid is dat hetgeen is vastgelegd in een concepttestament overeenstemt met de uiterste wil van de erflater, kan dit concepttestament gevolgd worden. Twee voorbeelden van zaken waarin de rechtbank oordeelde dat er geen volstrekte zekerheid was:
° Rechtbank Gelderland 6 maart 2024 (ECLI:​NL:​RBGEL:​2024:1299)
° Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2024 (ECLI:​NL:​RBOBR:​2024:3870).

Verder lezen: (open access)

Mr. dr. E.M.J.M.C. van Wijk-Verhagen (2021), Uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen en
de redelijkheid en billijkheid
, Tijdschrift Erfrecht (TE) 2021 nr. 6

Prof. mr. P.C. van Es (2024), Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen: de sluizen open?, Juridische Berichten voor het Notariaat (JBN), januari 2024, Sdu

Mr. C.J.L. Boissevain (2024), Uitlegging en aanvulling van uiterste wilsbeschikkingen, Tijdschrift Erfrecht (TE) 2024 nr. 3

HR 24-11-2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:1632 | Uitkering levensverzekering hoort niet tot nalatenschap

Wettelijke verdeling, art. 4:13 lid 3 BW. Vaststelling omvang geldvorderingen (stief)kinderen ten laste van echtgenote van erflater. Moet uitkering uit levensverzekering die aan echtgenote in privé toekomt bij de vaststelling worden betrokken? Deze is aangewend ter aflossing van hypothecaire schuld die tot ontbonden huwelijksgemeenschap behoort.

De Hoge Raad beantwoordt de vraag negatief, omdat de uitkering uit levensverzekering niet in de nalatenschap van de erflater valt.

HR 16-02-2024, ECLI:NL:HR:2024:239 | Breukdelengemeenschap

Schenking bij aangaan van huwelijkse voorwaarden? Fraus legis. Artikel 11 SW; verblijvensbeding. Een recent belangrijk arrest in een fiscale zaak over de zogenaamde breukdelengemeenschap met gevolgen voor de civielrechtelijke praktijk en dan met name voor de crediteuren van de nalatenschap, waaronder de legitimaris. Met maar liefst acht annotaties in verschillende tijdschriften; van B.M.E.M. Schols, Theo Hoogwout, I.J.F.A. van Vijfeijken, L.C.A. Verstappen, mr. S. Ballah, A.E. de Leeuw en mr. E.J.M. Cornelissen.

Casus: Een man en vrouw zijn op 2 september 2015 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hadden toen al 33 jaar een relatie. Op 19 oktober 2017 hebben de echtgenoten huwelijkse voorwaarden opgesteld waarin zij hebben bepaald dat de man voor 10% gerechtigd zal zijn in de goederen en schulden van de gemeenschap en de vrouw voor 90%. Kort daarna is de man, die al jaren ernstig ziek was, overleden. De vrouw was de enig erfgename. De Inspecteur legde -in afwijking van de breukdelen- een aanslag erfbelasting op uitgaande van 50% van de huwelijksgemeenschap. Volgens de weduwe moest bij de omvang van de nalatenschap rekening worden gehouden met 10% van de huwelijksgemeenschap, gelet op de gemaakte huwelijksvoorwaarden. De Hoge Raad moest beoordelen of sprake was van fraus legis – een overeenkomst bedoeld om de wet te ontduiken. Het oordeel viel uit in het voordeel van de erfgename, de staat (en dus alle burgers samen) had het nakijken.

Groot aanzwengelaar van belastingdrukvermindering door vermogenden via ingewikkelde clausules, ten nadele van het algemeen belang, Bernard Schols, jubelt.
Update januari 2025 – B.Schols gooit het over een nieuwe boeg – hij ‘bespeurt’ een verandering in de maatschappij (zonder enig onderzoek), mensen willen niet meer alleen belasting besparen en wetgever (consequent bestempeld als ‘de overheid’ terwijl het om onze volksvertegenwoordiging gaat) moet de wet aanpassen.

HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1797 | Beuningse martelmoord
Onwaardig om te erven bij ontslag van rechtsvervolging

Dit arrest kan op voorhand al wel als mijlpaalarrest worden bestempeld. Juridisch moedig, gebruik makend van een mooie voorzet door de advocaat.

Casus Eiser in de zaak is één van twee kinderen van [vader van eiser] (hierna: vader) en [moeder van eiser] (hierna: moeder), die in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren. Op 20 oktober 2003 is moeder overleden. Bij testament heeft zij haar nalatenschap nagelaten aan haar echtgenoot, haar zoon (eiser) en dochter hebben een vordering op de vader bij diens overlijden. Op 28 november 2011 is vader overleden. Op grond van zijn testament zijn eiser en zijn zus beiden (enig) erfgenamen voor gelijke delen. In het testament is een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat hetgeen uit de nalatenschap zal worden verkregen niet in enige gemeenschap van goederen zal vallen.

Op 20 maart 2013 is de zus van eiser in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde]. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. Op 31 maart 2015 is de zus van eiser door gedaagde om het leven gebracht. De zus van eiser heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.

Bij vonnis van 10 februari 2016 van de rechtbank Gelderland (strafzaken) is bewezen verklaard dat gedaagde de zus van eiser opzettelijk van het leven heeft beroofd, doodslag (art. 287 Sr)

Gedaagde mishandelde zijn echtgenote gedurende een langere periode op een gruwelijke manier, ze overleed uiteindelijk aan het toegebrachte letsel. De strafrechter oordeelde dat doodslag (artikel 287 Sr) bewezen was, maar gedaagde werd niet toerekenbaar verklaard vanwege een psychische stoornis. Ontslag van alle rechtsvervolging en ‘tbs’ (ter beschikking stelling aan de regering).

  • Waarschuwing: de rechterlijke uitspraken bevatten details uit de strafzaken waar gruwelijke mishandeling van een bejaarde vrouw worden beschreven – hieronder zijn de juridische argumenten voor de conclusie van het hof zonder dergelijke feiten beschreven.

Rechtsvraag: is de man onder de gegeven omstandigheden onwaardig om voordeel te trekken uit de nalatenschap van zijn echtgenote, artikel 4:3 BW.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde bij arrest van 30 mei 2023 tot onwaardigheid, ECLI:NL:GHARL:2023:4522. Niet door ruime uitleg van Nederlandse wetgeving (art. 4:3 BW), maar via jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie over het recht op familieleven. Een door de advocaat van appellant aangereikte mogelijkheid. De Hoge Raad bevestigt.

naar bespreking arrest

► verder lezen: Promotieonderzoek ‘Onwaardigheid’ van Marije de Vries, Rijksuniversiteit Groningen (2023) Open Access


Nuttige jurisprudentie erfrecht, lagere rechtspraak, standpunt wetgever

Rechtbank Midden-Nederland 06-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:408 | Conservatoir beslag nalatenschapsgoed ten behoeve van legataris met (nog) niet-opeisbaar legaat

Gevorderde opheffing beslag op woning erflater afgewezen. Uit testament valt af te leiden dat gewenst is dat echtgenote ongestoord moet kunnen doorleven. Aannemelijk is dat de niet-opeisbare legaten niet kunnen worden voldaan. Ook onduidelijkheden in testament. Dit moet in een bodemprocedure worden uitgezocht. Niet summierlijk gebleken van ondeugdelijke vordering en belangenafweging in voordeel beslagleggers.76

Rechtbank Midden-Nederland (Kort Geding) 23-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:709 | Onbevoegdheid testamentair bewindvoerder in rechte op te treden na beëindiging van het bewind.

Rechtbank Midden-Nederland (Kort Geding) 23-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:709 | Rachel Hazes geen erfgenaam, wel recht op nalatenschap door afspraken bij boedelverdeling

Nuttig om te zien hoe het (mis) kan lopen als een testamentair beschermingsbewindvoerder definitieve afspraken maakt over erfdelen van minderjarig kinderen en deze door de kinderen bij meerderjarigheid moeilijk kunnen worden geaccepteerd. En hoe het mis kan lopen in de communicatie. Niemand begrijpt de juridische verschillen. (Erfenis André Hazes)

Kamerstuk 05-07-2023 Antwoorden op Kamervragen petitie uiterste wil | Concepttestament is geen geldige uiterste wil

In de Tweede Kamer stelde D66 (Van Ginneken) eind 2022 vragen aan minister Weerwind (Rechtsbescherming) over de rechtsgeldigheid van testamenten die niet door de overledene zijn ondertekend. Daarover was een petitie ingediend. De wet geeft voorschriften voor de geldigheid van een uiterste wil, een daarvan is dat de akte ondertekendmoet zijn door de testateur. De minister gaf als antwoord geen aanleiding te zien, initiatief te nemen de wet te veranderen, integendeel. De minister geeft aan dat het voor de rechtszekerheid en voor de bescherming van de erflater van groot belang is dat een testament ten overstaan van een notaris wordt ondertekend. De tussenkomst van de notaris waarborgt vrije wilsvorming. Alleen dan bestaat er zekerheid dat de uiterste wil van de erflater overeenkomt met het concept op het moment van overlijden.

De minister stelt dat het aan de rechter is om in individuele gevallen te beslissen of er onder bijzondere omstandigheden voorbij kan worden gegaan aan de verplichte ondertekening van een testament. Tot op heden is dat in de rechtspraak echter nog niet gebeurd. In vergelijkbare zaken, waarin de erflater overleed voordat hij het testament kon ondertekenen, oordeelden rechtbanken steeds dat dit concepttestament niet geldig was.

Casus. De kamervragen werden gesteld naar aanleiding van het overlijden van de Amsterdamse straatfotograaf Theo Niekus. Hij overleed plotseling aan een hartstilstand, terwijl bij bezig was een testament op te laten stellen, er was een concepttestament, maar er was nog niet getekend. In het concepttestament was de samenwoonpartner opgenomen als erfgenaam. Het paar was niet getouwd en niet geregistreerd. Omdat er geen testament was, vererfde de nalatenschap volgens het versterfererfrecht: de erfenis kwam toe aan familieleden. Zij verkochten het huis van de heer Niekus, de partner moest verhuizen. Ze hebben geen plannen voor het openstellen van het fotografisch werk. De partner stelde dat het huis zou moeten worden opengesteld voor artistieke doeleinden en de fotocollectie voor het publiek zou moeten worden geopend. Zo stond het in het concepttestament. De partner kreeg van de rechter geen gelijk omdat de uiterste wilsbeschikkingen niet waren vastgehouden in een rechtsgeldige uiterste wil (testament, onderhandse akte bij de notaris in bewaring gegeven, codicil).

Noot: Omdat de erfgenamen gezamenlijk eigenaar van de nalatenschap zijn, kunnen ze in unanimiteit beslissen de erfenis af te wikkelen volgens een concepttestament of andere niet rechtsgeldige uiterste wil.


Voetnoten
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar
  1. Naast arresten natuurlijk ook beschikkingen van de Hoge Raad[]
  2. Prof. mr. H.R. Hoetink, Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 461, online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  3. Prof. mr. H.R. Hoetink, Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 461, 462, online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  4. Is de bepaling in een testament, dat de executeur de onroerende goederen zoowel als de roerende moet te gelde maken, en de opbrengst verdeelen, geldig, wanneer er alleen meerderjarige erfgenamen in de zijlinie zijn?, Weekblad voor het Notaris-ambt en Registratie, eerste jaargang (1870) nr. 12, p. 94, 95 met verwijzing naar Voorduin IV, blz. 214. Tijdschrift ter beschikking gesteld door Google, via Delpher, “Onder de vraagpunten van stellige wetgeving die aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal werden voorgesteld ten einde met hare zienswijze bekend te worden voordat tot eene definitieve redactie werd overgegaan, behoorde ook de vraag of de erflaters aan de executeurs eene uitgebreider magt zouden mogen geven dan de wet hun toekent. De vraag werd door de Tweede Kamer ontkennend beantwoord. (Zie Voorduin IV , bl. 214 en volgg. ).[]
  5. Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder: zijn ware aard, civiel en fiscaal. Een onderzoek naar de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis, Nijmegen 2007 – originele versie, online ter beschikking gesteld met vermelding ‘open access’. []
  6. H´Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 14 november 1904. []
  7. Advocaten: voor eiser: mr. C. J. de Vries, voor verweerder mr. I. B. Cohen. []
  8. Arresten over burgerlijk recht, verzameld en uitg. door H.R. Hoetink, met een voorwoord van E.M. Meijers. 7e herziene druk 1949, Tjeenk Willink, nr. 44, en opgenomen in Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 461, beide boeken online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  9. Arresten over burgerlijk recht, verzameld en uitg. door prof. H.R. (what’s in a name) Hoetink, met een voorwoord van E.M. Meijers, 7e herziene druk 1949, Tjeenk Willink, Haarlem, nr. 44, en opgenomen in ‘Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten’ (1948), p. 461, beide boeken online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  10. Bernard Schols, dissertatie, p. 391. []
  11. Cremers, Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 462, online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  12. Vergelijk ook Handboek Erfrecht (2006), F. Schols, p. 121 en p. 195 e.v. []
  13. W.A.M. Cremers, Burgerlijk wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), Gouda Quint, p. 461, online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  14. Zie bijvoorbeeld ‘Gouden tijden voor de executeur!’ WPNR 1998/6327: De executeur-testamentair’ kan zich weliswaar sieren met zijn mooie Franse titel, maar verder stelt het ‘métier’ niet veel voor, zeker niet als legitimarissen in de boedel gerechtigd zijn, aldus geparafraseerd de Hoge Raad in zijn klassieker van 24 februari 1933, NJ
    1933, 645 (EMM; Bünker-Amsterdamsche Bank)
    .” []
  15. Ander voorbeeld: B.M.E.M. Schols, Een erfrechtelijke “star is born’. Hij kan niet alleen uw testament uitvoeren, vollstrecken of executeren, maar ook eigenhandig uw nalatenschap verdelen!, Tijdschrift Estate Planning 2005/2, Larcier, Gent, p. 102 : “Anders gezegd het “bezit” van een executeur was in strijd met de regel dat een legitimaris recht had op een legitieme portie vrij en onbezwaard oftewel “legitima non recipit anus neque gravamen”. Men kon met een (vormvrij) beroep op de legitieme portie eenvoudig dit bezwarend bezit van het “gegarandeerde erfdeel” afschuiven.” en meer actueel: Handboek erfrecht van Mourik, 2020, p. 12/52. []
  16. WPNR 1951, artikel … []
  17. Besproken in Het wilsgebrek: misbruik van omstandigheden (diss), Lebens-De Mug (1981), bij Van der Grinten, KUN, p. 99 e.v. []
  18. Van der Ploeg WPNR 18-02-1950, overzicht rechtspraak erfrecht. https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB14:003105008:00006 []
  19. Met lof aan de Raad voor de rechtspraak, die het project ‘Mijlpaalarresten’ opzette om historische jurisprudentie toegankelijk te maken. []
  20. Prof. mr. A.J.M. Nuytinck, prof. mr. A.H.N. Stollenwerck, In memoriam: prof. mr. E.A.A. Luijten. []
  21. Het ging bijna altijd om een man met tweede of latere jonge vrouw. []
  22. Eerste Kamer bij behandeling gewijzigd ontwerp Boek 4 BW (Wet erfrecht), Kamerstuk 3771 nr 17, p. 27. []
  23. In Limburg waren in de mijnstreken de umsonst werkende echtgenotes nog eens te meer onmisbaar om de mijnwerkers op de been te houden die de kolenindustrie draaiende hielden, extreem zwaar werk, onder extreem zware omstandigheden, waar heel Nederland baat bij had. []
  24. man werkt en verdient daarmee geld, zijn kinderen worden opgevoed en verzorgd, zijn eten wordt ingekocht en gekookt, kleding gewassen en gestreken []
  25. Na decennialange besprekingen die werden getraineerd door de twee Broederschappen van het notariaat op punten waar de notaris niet kreeg wat hij wilde, ging het notariaat in 1993, kort voor het eindverslag, over tot buitenparlementair verzet tegen de door de volksvertegenwoordiging gekozen tekst van het wetsvoorstel ten aanzien van de langstlevende echtgenoot. Onder leiding van drie (emeriti) professoren Notarieel recht van de Katholieke Universiteit Nijmegen; Martin Jan van Mourik, Wim van der Grinten en Emile Luijten, publiceerde het notariaat een eigen wetsvoorstel, gebaseerd op een notariële modelregeling uit 1958 van Luijten, waarbij de langstlevende echtgenoot erft en de kinderen een vordering op de echtgenoot krijgen (WPNR 1993/6096). De KNB stuurde de regering 24 mei 1993 een brief, dat het notariaat de nieuwe wet erfrecht niet zou uitvoeren als daar niet de notariële modelregeling ‘obv’ in zou worden opgenomen. Als bijzondere griffier bij de regering was door het notariaat André Nuytinck embedded, universitair medewerker bij de afdeling Notarieel recht onder Van Mourik. Zie ondertekening BRIEF VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE, Kamerstuk Tweede Kamer 1993-1994 kamerstuknummer 17141 ondernummer 15) []
  26. Prof. dr. mr. G. van den Burght, Enige opmerkingen over het (nieuwe) erfrecht en nalatenschapsmediation, Caribisch Juristenblad, 2018 afl. 3. []
  27. WODC, Kwaliteit in zware tijd, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011. []
  28. Cremers, Burgerlijk Wetboek met vermelding van de belangrijkste arresten (1948), p. 462, online beschikbaar gemaakt door Delpher. []
  29. L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (dissertatie Katholieke Universiteit Nijmegen (Promotor Van Mourik), p. 175 e.v. []
  30. Memorie van Toelichting zitting 1954-1955, 3771, no. 3. []
  31. Memorie van Antwoord zitting 1962-1963, 3771 no. 6 en 7. []
  32. []
  33. AA, docentbegeleider Daniëlle Smulders, Uitleg van Uiterste Wilsbeschikkingen, Masterscriptie 13 mei 2024, Universiteit van Tilburg, 2025. []
  34. Mr. B.M.E.M. Schols, Quasi-wettelijke verdeling als Teilungsanordnung, II (slot), WPNR 2004/ . []
  35. Van Dijken, Erfrecht en EVRM. Een tour d’horizon, WPNR 2024/7463. []
  36. Wolffensperger, NRC 28.09.1974. []
  37. Diephuis, Land en Opzoomer leverden kritiek: toedeling van alle goederen aan één erfgenaam was geen verdeling in de zin van art. 1167 BW (oud) en ook Hof ’s-Gravenhage kwam in 1958 tot dit oordeel.((Hof ’s-Gravenhage 2 mei 1958, NJ 1959/305. []
  38. P.C. Van Es, In de aap gelogeerd met de notaris, oratie 2023. []
  39. G.J.H. Kuijk, ‘Beschikkingen in testamenten met het oog op de legitieme portie’, in: E.M. Meijers & J. Eggens, Het testament, Arnhem: S. Gouda Quint/D. Brouwer & zoon 1951, p. 126., p.127. []
  40. B.M.E.M. Schols, De ‘obv-plus’ als het beste van twee erfrechtelijke werelden, Tijdschrift Erfrecht december 2007 nr. 6. []
  41. Artikel 79 en 127 Overgangswet, zie ook art. 129 lid 3. []
  42. Lof aan de Raad voor de rechtspraak, voor publicatie in 2025 van dit historische mijlpaalarrest. []
  43. ‘De ouderlijke boedelverdeling volgens de artt. 1167 e.v. BW’, preadvies uitgebracht voor de toenmalige Broederschap der Candidaat-Notarissen. []
  44. Mr. A.J.H. Pleysier, De wettelijke verdeling van de nalatenschap naar komend erfrecht op enige punten vergeleken met de ‘gewone’ verdeling en de ouderlijke boedelverdeling, ? p. 121-133. []
  45. B.M.E.M. Schols in WPNR 2001/6436, themanummer Nieuw Erfrecht in de praktijk, Het ‘legatum per vindicationem’ in de gedaante van executeur-testamentair als ‘Vermächtnisvollstrecker’, p. 231. []
  46. Blijkend uit de voorafgaande strafrechtelijke procedure, besloten door HR 24 juni 1986, NJ 1987, 177. Daar was komen vast te staan, dat het criminele plan van L een aantal vooraf uitgewerkte handelingen omvatte met als einddoel het vermogen van mevrouw Van Wylick in handen te krijgen, waarbij de sluiting van het huwelijk daarvan het essentiële onderdeel en de noodzakelijke voorwaarde vormde. Het oogmerk tot ombrenging van zijn slachtoffer was daarin mede reeds voorwaardelijk aanwezig indien haar natuurlijke dood niet zeer spoedig zou intreden. []
  47. Een civielrechtelijk beslag is een maatregel om een rechterlijk vonnis uitgevoerd te krijgen wanneer er niet vrijwillig aan wordt voldaan. Het kan worden gelegd door een particulier persoon of bedrijf, maar ook door een bestuursorgaan. Het beslag wordt gelegd op goederen van de (rechts)persoon die aan het vonnis moet voldoen. Het executoriaal beslag is vooral geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), Tweede boek, ‘Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten’, art. 430-584r Rv. []
  48. Het conservatoir beslag is vooral geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), Derde boek, en wel in de Vierde titel, ‘Van middelen tot bewaring van zijn recht’, art. 700-770c Rv. []
  49. Compendium erfrecht, ed. 2022 nr 172, Reinhartz []
  50. Boerenplaatsje revisited: de openheid van ons recht” van notaris / universitair docent notarieel recht RUG , raadsheer-plaatsvervanger Hof Arnhem-Leeuwarden dr. Ronald E. Brinkman, gepromoveerd op de fidei, Tijdschrift Erfrecht 2019, nr 2. Brinkman ziet in de testamentaire bepaling een algemeen vindicatielegaat. (Opm. redactie: een rechtsfiguur die het Belgische recht wel, het Nederlandse recht niet kent. []
  51. Samenvatting met dank aan Dr. mr. J.B. Vegter, Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de ettelijke verdeling, WPNR 7335, 31 juli 2021. []
  52. Kamerstukken II 1981/82, 17 213, nr. 3, p. 8-9. []
  53. p. 115 dissertatie: niet toegelaten door fiduciaverbod []
  54. Zie bijv. p. 23 of 538 dissertatie. []
  55. In arrest Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2014:1822. []
  56. De zoon was in 1973 als wettig kind erkend door een andere man, met wie zijn moeder getrouwd is. Deze erkenning wordt in 1974 door de rechtbank Amsterdam vernietigd. []
  57. NJCM-Bulletin, jrg. 33 (2008), nr. 4 []
  58. Pitlo-Van der Burght []
  59. Advocaat mr. E. Snackers van het kantoor van NOVEX-voorzitter Joost Diks. Diks draagt uit dat NOVEX voor kwaliteit staat maar kan dat inhoudelijk niet waarmaken. Een gelieerde stichting gaf jarenlang ‘certificaten’ uit, waaronder geen certificeringsstelsel lag. []
  60. Gaat het hier om iemand die daadwerkelijk een studie Nederlands recht met goed gevolg heeft afgerond en over voldoende ervaring in het erfrecht beschikt, of om een luchtfietser? Helaas wordt de werkvloer van het erfrecht in toenemende mate bevolkt door personen die na enkele dagen cursus menen erfrechtspecialist te zijn. De Nederlandse organisatie voor executeurs NOVEX, belooft daadwerkelijk na een dag cursus, dat deelnemers in staat zijn een adviesgesprek te voeren. Ook Taxence (Sdu) geeft deze belofte af aan belastingadviseurs. []
  61. Bauduin, Nathalie, Het legaat met keuzemogelijkheid en ’het verbod van willekeur’, Familie & Recht, januari 2014 (op recht.nl) []
  62. Mr. drs. Ruben van Dijken, Erfrechtr en EVRM. Un tour d’horizon WPNR 2024/7463, p. 385. []
  63. Stille was jarenlang directeur wetenschappelijk bureau KNB en bijzonder griffier bij de Tweede Kamer voor de invoer van het nieuwe wetboek van erfrecht, Stollenwerck is bijzonder hoogleraar (emeritus) Estate planning, gefinancierd door de Stichting ter Bevordering van de Notariële Wetenschap. []
  64. Zie onder meer opmerking van Stollenwerck in artikel 2004: Alleen de guide Michelin geeft drie sterren. []
  65. En geen reflectie op het rechtshistorische gegeven dat de Rooms-Katholieke Kerk dit als drukmiddel gebruikte om erfgenamen op de knieën te dwingen handelingen van de executeur testamentaire toe te laten zodat er geld naar de Kerk kon stromen. Bewust afgeschaft na de Franse revolutie. []
  66. Noot redactie: het heeft er alles van dat de notaris niet aan de mogelijkheid heeft gedacht dat na overlijden ook sprake zou kunnen zijn van een waardedaling en dat niet heeft opgenomen. Typisch voorbeeld van slordig notarieel advieswerk, waarbij de notaris dan achteraf niet gewoon ruiterlijk voor de rechter verklaart dat hij dit over het hoofd heeft gezien. []
  67. T.J. Mellema-Kranenburg, Is conservatoir beslag mogelijk op een niet-opeisbare vordering legitimaire vordering?, ​​REP​ 2017/2003​ []
  68. B.M.E.M. Schols, Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder. Zijn ware aard, civiel en fiscaal; een onderzoek naar de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis. (diss). p. 425. Handelseditie uitgegeven vanwege het ‘Centrum voor Notarieel recht’ onder de verwarrende titel ‘Executele’, []
  69. Zaak nalatenschap Jan des Bouvrie. []
  70. Tussenuitspraak 31 januari 2024, zaak nalatenschap Jan des Bouvrie, ECLI:NL:RBMNE:2024:354, JERF 2024/66 met annotatie van Prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg. Advocaat (erfrechtspecialist) van dochter lijkt overigens een beroepsfout te hebben gemaakt, op basis van wat uit gepubliceerde feiten blijkt: niet weten of testamentair bewind een inferieure making is en als hij erachter komt dat het zo is, te laat zijn om legaat te verwerpen en aanspraak te maken op de legitieme (zonder ‘strafkorting’) die wel moet worden uitgekeerd, zie rov 3.24. Tussen dochter en bonusmoeder is later schikking getroffen. []
  71. Heren en dames ‘erfrechtadvocaat’ en ‘driesterrennotaris’ – dit is waar erfgenamen behoefte aan hebben. Het praktische probleem onderkennen en daar juridische oplossingen voor aandragen. Niet met veel dédain afstempelen als ‘ruzieboedel’ en wegsturen of in de kast laten liggen. Hoe kan het zijn dat het Compendium erfrechtprocesrecht onder hoofdredactie van een doorsnee grotestadsnotaris staat? Die nog nooit een dagvaarding heeft geschreven of een conclusie. Die geen flauw benul heeft van stellen en bewijzen, meer in het algemeen van BPR. Hoe kan het erfrecht worden bevrijd uit de tentakels van het notariaat ..? []
  72. Juiste arrest bij conversie zoeken. In een zaak oordeelde de Hoge Raad dat conversie van een ongeldige bepaling in een testament naar een geldige bepaling mogelijk was, mits de geconverteerde bepaling de bedoeling van de erflater zo dicht mogelijk benadert.

    Het arrest van de Hoge Raad over conversie van testamentaire bepalingen betreft een belangrijk juridisch principe in het erfrecht. Conversie houdt volgens art. 3:42 BW in, dat een ongeldige rechtshandeling door partijen of door de rechter kan worden omgezet in een geldige rechtshandeling die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke bedoeling van partijen komt, in geval van een testament, bij de oorspronkelijke bedoeling van erflater komt.

    De feiten van de zaak zijn als volgt:

    • De erflater heeft een testament opgesteld waarin bepaalde bepalingen zijn opgenomen.
    • Na het overlijden van de erflater blijken sommige van deze bepalingen ongeldig te zijn volgens de wet.
    • De vraag is nu of deze ongeldige bepalingen kunnen worden geconverteerd naar geldige bepalingen.

    Oordeel Hoge Raad

    De Hoge Raad oordeelde dat conversie van testamentaire bepalingen mogelijk is onder bepaalde voorwaarden:

    1. De ongeldige bepaling moet kunnen worden omgezet in een geldige bepaling die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke bedoeling van de erflater komt.
    2. De belangen van de erfgenamen mogen niet onevenredig worden geschaad door de conversie.
    3. De conversie mag niet in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden.

    Dit arrest van de Hoge Raad heeft belangrijke implicaties voor het erfrecht. Het maakt duidelijk dat ongeldige testamentaire bepalingen kunnen worden geconverteerd naar geldige bepalingen, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dit kan helpen om de laatste wil van de erflater zo goed mogelijk te respecteren, zelfs als sommige bepalingen in het testament ongeldig zijn volgens de wet. []

  73. NTFR 2022/657 – Een revolutionair arrest van de Hoge Raad: over de vermogensrendementsheffing, rechterlijk ingrijpen en een te trage wetgever. Wetgever komt hierop met regelgeving maar ook die vindt geen genade – zie helder en evenwichtig commentaar hoogleraar ….[]
  74. rov. 3.2. []
  75. rov. 3.2.1 en 3.2.2 []
  76. De zaak kreeg veel media-aandacht omdat het om de nalatenschap van Jan des Bouvrie gaat. []
____________________________________________

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *