Update maart 2025.
Erfrechtelijke blooper van juridisch grootformaat, in dit artikel toegevoegd als #6:
Freek Schols & Bernard Schols & Wouter Burgerhart gebruikten in 2004 een schijncitaat in hun poging kritiek te weerleggen van prof. Pim Huijgen op de modelregeling voor een Nederlandse Testamentsvollstrecker. In ‘Wederom een Leidse schijnaanval op de ‘driesterrenexecuteur” citeren de (kandidaat-)notarissen een ‘heersende leer’ die nooit heeft bestaan, ontdekte een blogmedewerker. Had de vof ScholsBurgerhartSchols de daadwerkelijk heersende leer geciteerd, had ze Huijgen gelijk moeten geven.
Erfrechtelijke bloopers van de professoren Freek Schols & Bernard Schols
In het smeuïg geschreven boekje van Bernard Schols (met Heidi Klijsen), ‘Voorkom ruzie bij de kist‘, alsook in interviews, voordrachten en cursussen, is ruimte voor erfrechtelijke bloopers
Een leuk idee dat we hier in het kader van de leerzaamheid navolging doen vinden. Dit keer met erfrecht-influencers Freek Schols & Bernard Schols in de hoofdrol. Wat ze denken, doceren en schrijven over de modelregelingen ‘quasi wettelijke verdeling’ en ‘verdelende afwikkelingsbewindvoerder’; hun ideeën over rechtsfiguren uit het Duitse erfrecht als de Teilungsanordnung en de Testamentsvollstrecker en hun presentatie van ‘de heersende leer’.
Erfrechtelijke blooper Schols & Schols #1
Parlementaire Geschiedenis Invoeringswet Erfrecht, Van der Burght e.a., p. 2077
(Kamerstukken II, dossier 17 141 nr. 9, p. )
Binnen het notariaat bestaat al meer dan een eeuw discussie over de bevoegdheden die bij testament rechtsgeldig kunnen worden gegeven aan de testamentuitvoerder, ofwel executeur-testamentaire (oud recht) en de executeur en testamentair bewindvoerder (huidig recht). Onder het oude recht oordeelde de Hoge Raad dat een testamentuitvoerder niet mag verdelen.1 Dit standaardarrest wordt echter niet genoemd in de vele artikelen en cursussen die met name Bernard Schols over het onderwerp schreef.
In het handboek Erfrecht, Serie Monografieën Privaatrecht, meent Freek Schols een argument te vinden in de parlementaire geschiedenis voor mogelijke rechtsgeldigheid van testamentaire bepalingen die een testamentair bewindvoerder de bevoegdheid verlenen zelfstandig te verdelen.2 Schols verwijst voor de wetsgeschiedenis naar het boek van (bijzonder) hoogleraar Notarieel recht, privaatrecht en successiebelasting Gregor Van der Burght c.s.: Parlementaire Geschiedenis Invoeringswet, p. 2077. Freek Schols schrijft:
De parlementaire geschiedenis biedt, naast de wettekst, steun voor de opvatting dat de bewindvoerder (in het gemeenschappelijk belang van de deelgenoten) de bevoegdheid tot verdeling kan worden gegeven. Vgl. Parl. Gesch. Invoeringswet Erfrecht (Van der Burght e.a.) p. 2077.
Schols verzuimt het authentieke kamerstuk te noemen, waaruit de context van het citaat snel zou kunnen worden begrepen. Hij kiest – gemakshalve – een werk waar de auteurs citaten uit vijftig jaar wetsgeschiedenis hebben verzameld, losgeknipt uit hun samenhang, en opnieuw naar eigen inzicht hebben geordend per wetsartikel. Een leidraad van kaliber voor de praktijk, omdat het ondoenlijk is om steeds maar weer in de parlementaire stukken te moeten zoeken. Maar niet geschikt als basis voor een wetenschappelijk discours over een stevig omstreden onderwerp. Hier gaat het om een citaat uit het hoofdstuk ‘Algemeen’.3 Het originele kamerstuk waar Parl. Gesch. Invoeringswet Erfrecht (Van der Burght e.a.) p. 2077 uit citeert, is Kamerstukken II, dossier 17.141 nr. 9. Dat is de Nota van Wijziging die nodig was, nadat het ontwerp voor Boek 4 uit het centrale wetsvoorstel voor het nieuw BW was gelicht om verdere vertraging van de invoering van het nieuw BW te voorkomen.
Het Kabinet-Lubbers I, met minister van Justitie Korthals-Altes (VVD), besloot in 1983 het ontwerp Boek 4 los te koppelen van de ‘NBW-trein’, omdat tegenwerking vanuit het zwaar lobbyende notariaat te veel vertraging opleverde. Ook werd besloten de algemene regeling van het bewind in Boek 3 (Titel 6), na twaalf verschillende versies, uit het ontwerp van Boek 3 te schrappen. De vorm waarin Titel 6 in de loop van de tijd was komen te verkeren, werd ingewikkeld bevonden en bleek tot problemen en misverstanden te leiden.4 In de loop der jaren was het oorspronkelijk ‘gesloten stelsel’ van Meijers, onder invloed van rechtsgeleerde standpunten, omgebogen naar een ‘open stelsel’. Er werd echter breed gevreesd dat een open stelsel, hoewel flexibeler dan het ontwerp van Meijers, zou leiden tot onduidelijkheid en conflicten met de specifieke regelingen die in andere wetten zouden blijven bestaan.5 Deze wijzigingen vonden plaats in het kader van de zogenaamde ‘Stofkamoperatie nieuw BW’.6
Wat was de ‘Operatie stofkam’ bij ontwerp en invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW)? 🡻
De ‘stofkamoperatie’ was een wetstechnisch ‘intermezzo’, begin jaren tachtig, dat verband hield met het grootschalige en langdurige traject van de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) in Nederland, een algemene hercodificatie van het in Nederland geldende recht. Het wetsontwerp was in 1947 ingediend. Boek 1, het Personen- en Familierecht, werd in 1970 ingevoerd en Boek 2, het Rechtspersonenrecht, in 1976. Vervolgens nam het voorzienbaar nog zeer veel tijd in beslag om te komen tot wetsontwerpen voor de overige wetboeken die een meerderheid in de Kamers kon goedkeuren en voldoende draagvlak had in de maatschappij en rechtswetenschap. Er waren uitgebreide discussies onder rechtsgeleerden over allerlei leerstukken en rechtsfiguren, die lang niet altijd goed vielen bij de volksvertegenwoordiging en in de maatschappij. In 1982 liet de nieuwe minister van Justitie in het kabinet Lubbers I, Korthals-Altes (VVD), zich in een interview met het Nederlands Juristenblad (NJB) ontvallen, het verdere project af te willen blazen en de uitkomsten van een brede maatschappelijke discussie af te willen wachten.7 Het Parlement wilde doorgaan.
Om de vaart erin te houden, werd besloten om alles wat vertraging kan opleveren te vereenvoudigen, uit de wetsontwerpen te halen en uit te stellen, of te schrappen. Het adagium was ‘afslanken en opschorten’. Wetsontwerp 17 141 werd bij de stofkamoperatie losgekoppeld van de NBW-trein en opgeschort. Wetsontwerp ‘Boeken 3 – 6’ werd omgedoopt in ‘Wetsontwerp Boeken 3, 5, 6’.8
Doel en Context
Het voornaamste doel van de stofkamoperatie was om de invoeringswetgeving voor het nieuw BW te structureren volgens een tijdschema en inhoudelijk te stroomlijnen. Dit hield in dat alles wat niet strikt noodzakelijk was voor de gelijktijdige inwerkingtreding van deze boeken, uit de invoeringswetgeving werd gelicht en in aparte, zelfstandige wetsontwerpen werd ondergebracht, ofwel werd geschrapt.
De operatie werd ingezet om de complexiteit van het invoeringsproces te verminderen en vertraging bij de invoering van de belangrijkste delen van het nieuwe wetboek te voorkomen. De “NBW-trein” moest immers verder.
Wetsontwerp Kamerstukken II 17 141 was een van de ontwerpen die oorspronkelijk deel uitmaakte van de brede invoeringswetgeving, maar hiervan in 1983 door de stofkamoperatie werd losgekoppeld en alleen verderging. Ook wetsvoorstel 17 496 werd afgekoppeld. Dit specifieke wetsvoorstel bevatte regelingen die betrekking hadden op onderwerpen zoals de regeling betreffende lastgeving (nu Titel 7.7 BW) en delen van het erfrecht (Boek 4) en de bewindregeling, die door hun complexiteit of omvang een snelle invoering van de rest van het NBW in de weg stonden.
De algemene regeling voor bewind in Boek 3, dat was Titel 6, werd geschrapt. Tot op heden is er geen algemene regeling voor bewind in de Nederlandse wetgeving opgenomen. Zichtbaar in boek 3, titel 6: [Red: Gereserveerd.]
Resultaat
Als gevolg van de stofkamoperatie werd de invoering van Boek 4 (Erfrecht) en Titel 7.3 ontkoppeld van de ‘NBW-trein’, en gingen de betreffende wetsontwerpen, waaronder 17 496, als zelfstandige ontwerpen verder in het wetgevingsproces. Dit leidde uiteindelijk tot een meer gefaseerde invoering van het NBW. De bewindsregeling uit Boek 3 werd geschrapt. Drie bewindsvormen kregen onderdak bij de passende boeken. De boeken 3, 5 en 6 werden in 1992 ingevoerd
Op 22 juli 2000 werd het wetsvoorstel ingediendvoor een Invoeringswet Boek 4 en titel 3 van Boek 7 van het nieuw Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte.9 Het bevatte de voorstellen tot aanpassing van de bestaande wetgeving aan Boek 4 (Erfrecht) en Titel 7.3 (Schenking). Voor een deel waren ze reeds vervat in de oorspronkelijke ontwerpen van het eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedeelte van de Invoeringswet Boeken 3-6 Nieuw BW. 10
Terzijde
Negatieve houding tegenover ‘de wetgever’ in oratie prof. mr. P.C. van Es, 2023, Universiteit Leiden
In zijn oratie als nieuw benoemd hoogleraar Notarieel recht aan de Universiteit Leiden in 2023, ‘In de aap gelogeerd met de notaris’, trekt Van Es – ongenuanceerd – van leer tegen ‘de wetgever’.11 In de woorden en het frame van Van Es, heeft wetgever in de vorige eeuw door decennialang dralen de langstlevende echtgenoot in de kou laten staan. Anders geformuleerd, was er bij onze volksvertegenwoordiging geen meerderheid te vinden om een geliefd tijdverdrijf van de ‘experimentele notaris’, de testamentaire ouderlijke boedelverdeling, om te zetten in wetgeving. Van Es poneert met grote stelligheid: ‘de algemene maatschappelijke overtuiging was in ieder geval vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw’ dat de langstlevende echtgenoot in het erfrecht beschermd moest worden. Van Es lijkt eraan voorbij te gaan dat dit wellicht alleen de opvatting was binnen het notariaat. En dat onze volksvertegenwoordiging hierover kennelijk een andere mening had.
Vriendelijk willen we bij Van Es het historische wetgevingstraject ‘Nieuw Burgerlijk Wetboek’ in herinnering roepen. Loop bijvoorbeeld concreet bijgaand dossier door, tien minuten tijd, om een Gespür te krijgen voor dat waar onze volksvertegenwoordiging in die jaren op wetgevingsgebied mee bezig was. En hoezeer de maatschappij en het notariaat daarbij betrokken waren: Nationaal Archief, Inventaris van archiefbescheiden betreffende het Nieuw Burgerlijk Wetboek van het ministerie van Justitie, (1919) 1947-2005.12
Tegelijkertijd werden drie bewindsvormen die in de praktijk regelmatig gebruikt werden, of waaraan een maatschappelijke behoefte bestond, ondergebracht bij andere wetboeken:
- meerderjarigenbewind op last van de rechter in Boek 1, Personen- en Familierecht. Ingevoegd bij Wet van 15 mei 1981, Stb. 238;
- het bij rechtshandeling in te stellen testamentair bewind in Boek 4, Erfrecht, overgeheveld uit het wetsvoorstel van Boek 3 bij voorstel in het tweede gedeelte van de Invoeringswet Boeken 3-6 nieuw BW. In zittingsjaar 1982-1983 wordt de naam van dat wetsvoorstel gewijzigd in ‘Invoeringswet Boeken 3, 5, 6.'13
- het op grond van een overeenkomst geldend bewind bij schenking in Boek 7, Bijzondere overeenkomsten.
Wat betreft het testamentair bewind, ingevoegd in Kamerdossier 17 141, is in de toelichting van de minister onder meer het volgende te lezen:
In dit verband valt op te merken dat het testamentaire bewind meer bewindsvormen omvat dan het beschermingsbewind van titel 19 van Boek 1: het omvat immers niet alleen een bewind ingesteld in het belang van de rechthebbende, maar ook een bewind in het belang van een ander (bijv. een bewind over een vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigden) en in een gemeenschappelijk belang (bijv. beheer, verdeling of vereffening van gemeenschappelijke goederen of van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap waarin die nalatenschap is begrepen). In zoverre moet bij de regeling van afdeling 4.4.7 met meer complicaties dan bij die van titel 19 van Boek 1 rekening worden gehouden. (…)
3. De thans voorgestelde regeling wijkt in wezen niet af van de regeling van titel 3.6. Aan de bewindvoerder komt in het algemeen het beheer toe. Voor verdergaande handelingen hebben bewindvoerder en rechthebbende elkaar in beginsel nodig, zij het dat de toestemming van de rechthebbende door een rechterlijke machtiging kan worden vervangen.(vet: redactie) Voor zover het bewind niet uitsluitend in het belang van de rechthebbende is ingesteld, blijft het ook na vervreemding op de goederen rusten. De bewindvoerder kan in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de rechthebbende handelen, maar ook op eigen naam optreden. (…)
4. Het verschil met titel 3.6 is veeleer dat naar verduidelijking is gestreefd. De afdeling wordt thans ingedeeld in vier paragrafen: 1. Algemene bepalingen; 2. De bewindvoerder; 3. Gevolgen van het bewind; 4. Einde van het bewind. Daardoor kan met name worden bereikt dat de bepalingen van paragraaf 3, die zulke belangrijke onderwerpen als de verdeling van bevoegdheden, de aansprakelijkheden en het verhaal op de goederen regelen. Uitwinning van bewindsgoederen is tijdens het bewind slechts voor bepaalde schulden toegelaten. Zie over het karakter van het bewind in het algemeen de nota naar aanleiding van het mondeling overleg met de Vaste Commissie der Tweede Kamer inzake titel 3.6, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 473 e.v. (Red.: Kamerstukken II, 3770, nr. 12.)
Wetgever zegt hier dus dat verdeling van de erfenis een gemeenschappelijk belang kan zijn, maar niets wijst er in dit citaat op dat het de wil van de wetgever was dat bij uiterste wilsbeschikking aan de bewindvoerder de zelfstandige bevoegdheid tot verdeling kan worden gegeven, verdergaand dan te handelen in een gemeenschappelijk belang met toestemming van rechthebbende of vervangende rechterlijke machtiging. Dan wel gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid zelfstandig een vordering tot verdeling bij de rechter in te stellen. Over het Wunschdenken van Freek en Bernard Schols dat het de bedoeling van wetgever was bij testament de bevoegdheid tot zelfstandige verdeling van nalatenschapsgoederen door de bewindvoerder mogelijk te maken, zegt de minister hier niets.
Wel verklaarde de minister in hetzelfde Kamerstuk, dat in het kader van een beschermingsbewind in een testament bepaald zou kunnen worden dat een bewindvoerder zonder toestemming van de rechthebbende, en zonder machtiging van de kantonrechter, kan beschikken. Ook hier geldt echter het algemene kader van de rechtsfiguur bewind.
Gelet op het diepgravende onderzoek van Ter Haar c.s. betreffende de bescherming van minderjarigen bij beheer van hun vermogen door anderen, zouden rechters uiterst terughoudend horen te zijn bij het rechtsgeldig verklaren van beschikkingshandelingen van een bewindvoerder, zonder machtiging kantonrechter. Auteurs zien een belangrijke rol voor het toezicht bij de kantonrechter.14 In zijn dissertatie concludeert Ter Haar op grond van empirisch onderzoek dat toezicht op het beheer van vermogen van minderjarigen op grond van erfrechtelijke verkrijgingen, een weinig rooskleurig beeld oplevert.15
Blooper Schols & Schols #2
Rechtsvergelijking met de Duitse rechtsfiguur Testamentsvollstrecker
Kandidaat-notaris Bernard Schols schrijft in 1999 in notarieel vakblad WPNR het artikel “L’exécuteur-testamentaire est mort, es lebe der Testamentsvollstrecker! – Een eerste aanzet om tot een ‘modelregeling’ te komen voor een synthese tussen executele en testamentair bewind.“, waar door hem nog steeds naar wordt verwezen:16
§ 2204 BGB leert in ieder geval (sic) dat de Testamentsvollstrecker in zijn standaardpakket de bevoegdheid heeft de nalatenschap te verdelen. In het nieuwe erfrecht kunnen we mijns inziens de executeur-afwikkelingsbewindvoerder, net als zijn Duitse collega die deze bevoegdheden reeds op grond van de wet heeft, ook de bevoegdheid geven om de verdeling van de nalatenschap tot stand te brengen.
Als eerste punt van kritiek geldt de enorme luchtsprong die Schols maakt over het juridisch essentiële gegeven dat de Duitse Testamentsvollstrecker en zijn bevoegdheden stevig geworteld zijn in de wet. De Nederlandse uitvoerder van een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind is dat niet. In Nederland is de instelling van het bewind geworteld in de wet. Volgens wetgever moeten de bevoegdheden van de uitvoerder van dat bewind binnen de grenzen van de rechtsfiguur bewind blijven. Het gaat daarbij bovenal am beheer.
Tweede punt van kritiek is dat met het ten grave dragen van de Nederlandse testamentuitvoerder (exécuteur-testamentaire) in het nieuwe Nederlandse erfrecht, de met deze oud-recht-functie vergelijkbare Duitse Testamentsvollstrecker, niet langer als rolmodel kan doen. Onder oud Nederlands erfrecht kon de erflater een uitvoerder van zijn uiterste wilsbeschikkingen benoemen, vergelijkbaar met de letztwillige Verfügung uit het Duitse erfrecht een Testamentsvollstrecker te benoemen. Het Nederlands erfrecht is op dit punt echter per 1 januari 2003 ingrijpend gewijzigd, waar het Duitse erfrecht hetzelfde is gebleven.
Door de wijziging van het Nederlands erfrecht per 2003, is de Nederlandse wet bij de executeur wezenlijk gaan verschillen van de Duitse. In het Nederlands erfrecht gaat het nu om een functionaris aan wie de wet als standaard twee bevoegdheden toekent die door erflater niet kunnen worden uitgebreid: het beheer van de nalatenschap en de afwikkeling van een reeks in de wet genoemde schulden. De Duitse wet heeft in § 2203 BGB voor de Testamentsvollstrecker een hele andere opgave:
“Der Testamentsvollstrecker hat die letztwilligen Verfügungen des Erblassers zur Ausführung zu bringen.”
Op basis van deze algemene functieomschrijving is duidelijk dat de Duitse testamentair functionaris een wezenlijk andere rol heeft dan de huidige Nederlandse executeur en een bewindvoerder die fungeert binnen een testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang. In de door Schols aangehaalde § 2204 bepaalt de Duitse wetgever:
“(1) Der Testamentsvollstrecker hat, wenn mehrere Erben vorhanden sind, die Auseinandersetzung unter ihnen nach Maßgabe der §§ 2042 bis 2057a zu bewirken.“
Kern is hier “nach Maßgabe der §§ 2042 bis 2057a“. Artikel 2048 BGB bevat een uiterste wilsbeschikking die het Nederlandse erfrecht per 1 januari 2003 niet meer kent, de Verdelingsaanwijzingen:
Bürgerliches Gesetzbuch (BGB)
§ 2048 Teilungsanordnungen des ErblassersDer Erblasser kann durch letztwillige Verfügung Anordnungen für die Auseinandersetzung treffen. Er kann insbesondere anordnen, dass die Auseinandersetzung nach dem billigen Ermessen eines Dritten erfolgen soll. Die von dem Dritten auf Grund der Anordnung getroffene Bestimmung ist für die Erben nicht verbindlich, wenn sie offenbar unbillig ist; die Bestimmung erfolgt in diesem Falle durch Urteil.
De Duitse erflater mag het niet aan een ander overlaten te bepalen of een testamentaire bepaling geldig is of niet geldig is en de Duitse erflater mag niet bepalen welke persoon iets krijgt (à contrario welke persoon iets niet krijgt), of welk goed of welke zaak aan een persoon wordt toegedeeld (à contrario welk goed of welke zaak niet aan iemand wordt toegedeeld):
Bürgerliches Gesetzbuch (BGB)
§ 2065 Bestimmung durch Dritte(1) Der Erblasser kann eine letztwillige Verfügung nicht in der Weise treffen, dass ein anderer zu bestimmen hat, ob sie gelten oder nicht gelten soll.
(2) Der Erblasser kann die Bestimmung der Person, die eine Zuwendung erhalten soll, sowie die Bestimmung des Gegenstands der Zuwendung nicht einem anderen überlassen.
Aan de Duitse Testamentsvollstrecker kan dus niet zelfstandig de bevoegdheid worden gegeven de nalatenschap naar eigen inzicht te verdelen. Het is de uiterste wilsbeschikking ‘Teilungsanordnungen’ die bepaalt wat de Testamentsvollstrecker heeft uit te voeren. Omdat het Nederlandse erfrecht geen vergelijkbare uiterste wilsbeschikking kent, kan in Nederland de nalatenschap bij overlijden niet op de erfgenamen overgaan met de beperking op hun eigendomsrecht, te moeten dulden dat een ander de nalatenschap verdeelklaar maakt, of verdeelt.
Blooper Schols & Schols #3
Rechtsvergelijking met de Duitse uiterste wilsbeschikking Teilungsanordnungen
In het handboek erfrecht Van Mourik schrijft een van de auteurs, vermoedelijk Bernard Schols:
Voorts kan er bij een verdeling vanzelfsprekend geen toedeling plaatsvinden aan een derde, doch alleen aan iemand met de kwaliteit erfgenaam. Voor het Duitse recht heeft Halding-Hoppenheit opgemerkt dat § 2048 BGB, waarin erflater wordt toegestaan de verdeling aan een derde over te laten, een voorschrift is ‘welche zwar die Einschaltung eines Dritten in einem bestimmten Fall gestattet, diesem aber nicht direkt die Bestimmung des Bedachten oder des Zuwendungsgegenstandes überlässt’.[10] Deze gedachte is mijns inziens onverkort van toepassing op het bepaalde in art. 4:171 BW. Er is door de aard van afwikkelingsbewind weliswaar sprake van delegatie, maar daarmee is nog niet gezegd dat dit ongeoorloofd is.
Schols veegt hier vijf wezenlijke elementen onder het dikke en geduldige Limburgse tapijt.
- Het juridische element van § 2048 BGB dat notaris Halding-Hoppenheit in haar dissertatie tot de conclusie brengt dat een erflater de verdeling niet aan de vrije hand van een derde overlaat, is dat de Duitse uiterste wilsbeschikking Teilungsanordnungen een norm vastlegt volgens welke de derde moet verdelen, “nach billigem Ermessen”. Een leerstuk dat in Duitsland uitgebreide jurisprudentie kent.
- Voorts, zie hierboven, verbiedt § 2065 BGB het erflater, aan een ander over te laten te bepalen welke persoon iets krijgt (à contrario welke persoon iets niet krijgt), of welk goed of welke zaak aan een persoon wordt toegedeeld (à contrario welk goed of welke zaak aan iemand wordt toegedeeld).
- In de derde plaats schrijft Nikola Halding-Hoppenheit “Es geht um die Frage, ob der Erblasser in seiner Verfügung von Todes wegen auch einer anderen Person die Bestimmung seines Vermögensnachfolgers überlassen darf. Diese Frage ist uralt und eine der Grundfragen des Erbrechts – und bis heute nicht abschließend gelöst.”
- Het Duitse Bundesgerichtshof heeft een andere opvatting dan Halding-Hoppenheit.
- Het Duitse Bundesgerichtshof oordeelde in een Leitsatzurteil, dat bepalingen in een testament die de Testamentsvollstrecker de bevoegdheid geven knopen door te hakken bij meningsverschillen tussen erfgenamen, voor niet geschreven moeten worden gehouden. Het door Schols aangehangen principe Germania docet leert dus iets wezenlijk anders, dan Schols leert dat het leert.
Dus wat leert het geldend Duitse erfrecht: erflater mag het niet aan een derde overlaten te bepalen of een testamentaire bepaling geldig is, of niet.
Een modelregeling met bepalingen voor een testament waarvan niet op grond van een wettelijke regel vaststaat dat de bepaling rechtsgeldig is, die de uitvoer van bevoegdheden waarvan niet vaststaat of ze rechtsgeldig zijn in de handen van een derde legt, door deze op te dragen bevoegdheden uit een testament uit te voeren en zo door feitelijk handelen te bepalen dat de testamentaire bepaling geldig is, is naar Duits recht verboden.
Blooper Schols & Schols #4
Met een afwikkelingsbewind kunnen de bevoegdheden van de executeur uitgebreid worden 17
Bij uiterste wilsbeschikking kan een testamentair bewind worden ingesteld, artikel 4:153 BW.
Deze uiterste wilsbeschikking legt de erfgenamen enige privatieve beperkingen op bij het uitoefenen van de eigendomsrechten die ze na de goederenrechtelijke overgang op de voet van artikel 4:182 BW, van rechtswege aan de nalatenschap hebben verkregen.
De bevoegdheden van een executeur kunnen niet worden uitgebreid. Wetgever is hier klip en klaar. Wil men een executeur meer laten doen dan de wet aan takenpakket biedt, kan de uiterste wilsbeschikking ‘testamentaire lasten‘ worden gebruikt. Dan wel kan er een testamentair bewind worden ingesteld en kan de executeur tevens worden benoemd tot uitvoerder van dit bewind. Dat is een andere uiterste wilsbeschikking met eigen regels.
Een executeur kan niet ‘met een afwikkelingsbewind worden bekleed’. Wie de wet kent, weet dat een testamentair bewind alleen over goederen van de nalatenschap kan worden gelegd.
Is bij uiterste wilsbeschikking een testamentair bewind ingesteld – in een gemeenschappelijk belang voor de duur van de afwikkeling – kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de uitvoerder van dit bewind nader worden geregeld. Het wetsartikel voor deze nadere regeling is geen zelfstandige uiterste wilsbeschikking. Prof. Perrick schrijft in de gerenommeerde Asser-serie dat dit wel zo is, maar geeft geen onderbouwing voor het feit dat dit in artikel 4:171 BW niet zo is beschreven. En uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat wetgever dat ook expliciet niet zo heeft gewild.18 Verdelingsaanwijzingen in een testament zijn – in eerste instantie – niet onder te brengen bij een van de in de wet genoemde uiterste wilsbeschikkingen, zo waarschuwt Schols, en heeft geen goederenrechtelijke werking.19
Blooper Schols & Schols #520
“Als in een testament het woord ‘verdelen’ wordt gebruikt als bevoegdheid voor de executeur, kan dat worden geconverteerd naar een afwikkelingsbewind met alle gevolgen van dien.”21
Deze blooper heeft eenzelfde soort methodiek als blooper #1. Schols & Schols doen het in hun werk regelmatig voorkomen alsof ze parlementaire verslagen citeren of samenvatten, maar bij teruglezen van de originele teksten, in hun originele samenhang, blijkt dat een eigen visie wordt gecommuniceerd met enkele woordjes parlementaire geschiedenis erdoorheen gevlochten. In een later artikel worden eerdere citaten en parafraseringen hergebruikt, ook weer in een naar eigen smaak geparafraseerde vorm. Zo verdwijnen de originele teksten en bedoelingen langzaam uit het zicht. We noemen dit de ‘vlek-op-vlek-methode.’ Want gebeurt dit minstens driemaal, is niets meer te herkennen van het origineel.
De vaste regeringscommissie voor Justitie vroeg de minister in de jaren 60, hoe om te gaan met het gebruik van onjuiste begrippen en bevoegdheden in een testament. De twee notariële broederschappen hadden in 1960 – ongevraagd – een lijvig rapport geschreven met commentaar, vragen en kritiek op het wetsontwerp voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek Boek 4, Erfrecht. Dit was een van de punten. Men vreesde dat veel notarissen het nieuwe erfrecht met de vele begripsveranderingen niet snel genoeg onder de knie zouden krijgen. Wetgever streek over het hart en antwoordde:
Dezelfde leden (redactie: niet Kamerleden, maar leden van de regeringscommissie voor Justitie ) wierpen nog de vraag op, hoe volgens het ontwerp moet worden beoordeeld het geval, waarin een erflater bij testament spreekt van executeur en executele, maar daaraan een regeling toevoegt inzake de duur of de bevoegdheden, welke niet past in de executele-regeling, doch wel in de regeling van het bewind, zoals de laatste er naar nieuw burgerlijk recht uit zal gaan zien. Moet men dan aannemen, dat er executele is, zodat duur en bevoegdheden moeten worden gereduceerd tot wat wettelijk is toegestaan, of mag men uitgaan van bewind, al is dat niet in overeenstemming met de gebezigde titulatuur? De Regering gaf als haar oordeel te kennen, dat men het materiële gezichtspunt moet laten prevaleren. Al is de benaming dan foutief, de wens van de erflater inzake duur en bevoegdheden is decisief. Als deze laatste stroken met de regeling van het bewind, is er wezenlijk ook inderdaad sprake van bewind.
Geanalyseerd vanuit de systematiek van het Nederlands recht, verklaart de minister hier dat het bij bepalingen in een testament die naar de letter niet binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen vallen, niet om een absolute nietigheid gaat. Er kan conversie plaatsvinden als de bevoegdheden die erflater bedoelde “stroken met de regeling van bewind” (dat was in die tijd het ontwerp voor de bewindsregeling in Boek 3, Titel 6).
Ziet iemand in dit citaat uit de originele Kamerstukken het begrip afwikkelingsbewind?
Met alle gevolgen van dien?
Neen.
Want er kan niet gesproken worden van ‘het’ afwikkelingsbewind.22. Het begrip afwikkelingsbewind kwam vrij vroeg in de parlementaire behandeling op en stond voor een bewind over alle goederen van een nalatenschap, voor de duur van de afwikkeling, met het doel een spoedige afwikkeling te bewerkstelligen. Geleend uit het Duits, in het spoor van Van der Ploeg in zijn dissertatie uit 1945. Gebruik van het begrip afwikkelingsbewind betekent niet zonder meer dat de wens bestaat de bewindvoerder zelfstandig te laten verdelen. Afwikkelingsbewind is een paraplubegrip.23
Als in een testament een wens voor een bevoegdheid is opgenomen bij een uiterste wilsbeschikking die daar niet thuishoort, kan worden gekeken of de wens binnen een andere uiterste wilsbeschikking is onder te brengen. Het leerstuk van de conversie, art. 3:42 BW:
Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.
In de dissertatie van B. Schols, en daarna nog eens in het WPNR,24 concludeert Schols dat een aanwijzing om te verdelen in een testament niet onder een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikking valt. Is de aanwijzing gegeven aan een testamentair bewindvoerder op de voet van art. 4:171 BW, zou conversie mogelijk kunnen zijn. Met verwijzing naar F. Schols
Conversie kan alleen plaatsvinden door de partijen die bij de rechtshandeling betrokken waren, of door de rechter. De rechter heeft te toetsen of conversie in rechtsgeldigheid onredelijk is te achten tegenover partijen die niet bij de totstandkoming van de rechtshandeling waren betrokken (normaal gesproken gaat het om een overeenkomst). Als het om testamentaire bepalingen gaat, zijn dat in ieder geval de erfgenamen. Als nieuwe eigenaren van de nalatenschap hebben de erfgenamen het recht samen tot conversie te besluiten. Lukt dat niet, kan de kwestie aan de rechter worden voorgelegd. Die heeft dan – ambtshalve – te toetsen of de instelling van bewind bij rechtshandeling en een daarmee gepaarde verregaande inperking op het eigendomsrecht van erfgenamen een te rechtvaardigen inperking op het ongestoord genot van hun eigendom meebrengt, op basis van een nationale wet, uitgevaardigd in het algemeen belang.25
Om een idee te krijgen hoe de vlek-op-vlek-methode kan functioneren voor zenders van een boodschap, vervolgden we de weg die het originele citaat aflegde van het parlement (1964) via Van der Burght (2002), Freek Schols (2003), via ruim honderd (veelal niet-wetenschappelijke) stukken van B. Schols dat een afwikkelingsbewindvoerder mag verdelen als dat in een testament staat (2004 – heden), het Parket van de Hoge Raad (2023) naar toepassing in een zaak waar een erfgenaam een beroep deed op de nietigheid van verdelingsbepalingen (2025). En met lege handen naar huis ging. Ga weg – toetsen aan het gesloten stelsel? Conversie? Art. 3:42 BW? Daar zei de plv. P-G niets over.
► zie: Niet eens met bepalingen in testament over verdelende afwikkelingsbewindvoerder? Dit zijn enkele mogelijkheden
Blooper van groot formaat – Schols & Schols & Burgerhart #6
Ontdekt februari 2025
Na presentatie van de modelregeling ‘Quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’ door (toen) notaris Bernard Schols in WPNR, leverde prof. Pim Huijgen uitgebreide en gedegen kritiek.
► zie: Verdeling door de executeur-bewindvoerder? Prof. mr. W.G. Huijgen (WPNR 2004/6587) (artikel van Huijgen)
De net opgerichte vof ScholsBurgerhartSchols (Freek Schols, Wouter Burgerhart, Bernard Schols) geeft weerwoord in hun bedrijfsnieuwsbrief ‘Estate Tip’:
Wederom een Leidse schijnaanval op de ‘driesterrenexecuteur’. Verdeling door de executeur-afwikkelingsbewindvoerder? Huijgen, WPNR (2004) 6587.26 (artikel van ScholsBurgerhartSchols.)
Daar is door een bijdrager aan dit erfrechtplatform een blooper ontdekt die met goede wil op werkdruk, onzorgvuldigheid of onoplettendheid terug te voeren is, of net iets te veel bourgondisme. Met slechte zin zou het ook kunnen worden gezien als behendig om de tuin leiden. Hoe dan ook, het stukje tekst is ook opgenomen in de dissertatie van Bernard Schols en blijkbaar is toen niemand erover gestruikeld, Van Mourik? Perrick? Reacties welkom!27
Het gaat om de kernvraag, of aan een executeur-afwikkelingsbewindvoerder bij testament een zelfstandige verdelingsbevoegdheid verleend kan worden. Het antwoord wordt gezocht in de wetsgeschiedenis. ScholsBurgerhartSchols schrijft dat de minister in ‘de’ memorie van antwoord verklaart:28
Dit nieuwe artikel legt uitdrukkelijk vast dat degene die bij rechtshandeling een bewind instelt, in beginsel vrij is de bevoegdheden van de bewindvoerder in afwijking van de desbetreffende bepalingen van deze titel te verruimen als ook te beperken. Dit is in overeenstemming met hetgeen voor het geldende recht wordt geleerd.
Schrijvers leiden daaruit – ons inziens terecht – af dat voor uitleg van deze ministeriële verklaring, de sleutel gevonden kan worden in de toendertijd heersende leer. Een van de algemene doelstellingen van het Nieuw BW was, het geldend recht te codificeren. De minister verwijst in Kamerstuk 3770, nr. 5, p. 182 naar Van der Ploeg in zijn dissertatie ‘Testamentair Bewind ‘ uit 1945. ScholsBurgerhartSchols citeert in ‘Wederom Leidse schijnaanval’ uit de dissertatie van Van der Ploeg als de toen geldende heersende leer:
Uit het doel van het bewind vloeit een beperking tot daden van beheer evenmin voort. Aan de bedoeling van den erflater is een beperking bijna altijd vreemd; [cursivering van ons, SBS] de bedoeling van den erflater is, dat de bewindvoerder, in wiens beleid de erflater zijn vertrouwen stelde, de goederen onder bewind zal kunnen vervreemden of bezwaren, in het algemeen daarover kan beschikken, wanneer deze dat noodig of nuttig oordeelt. […]29
Wat B. Schols en/of ScholsBurgerhartSchols in het artikel in Estate Tip als ‘heersende leer’ weergeven, is echter de (afwijkende) mening van Van der Ploeg, niet de toendertijd heersende leer.
Van der Ploeg schreef zelf over de toendertijd heersende leer:30

Volgens art. 1066 stelt de erflater den bewindvoerder aan, ten einde de nagelaten goederen te beheeren. Gewoonlijk leidt men uit het bezigen door de wet van het woord “beheeren” af, dat de bewindvoerder enkel bevoegd is tot daden van beheer, dus daden van beschikking hem niet zijn toegestaan. In beginsel mag volgens de heerschende leer de bewindvoerder derhalve niet vervreemden en bezwaren. Slechts voor zoover vervreemden, gelet op bijzondere omstandigheden, als een daad van beheer valt aan te merken, acht men haar geoorloofd.”
Anders dan B. Schols / ScholsBurgehartSchols het doen voorkomen in Estate Tip 2004, was de heersende leer in Nederland in 1945 de lijn die wetgever in de Kamerstukken herhaald heeft benoemd: bevoegdheden kunnen verruimd en beperkt, de bewindvoerder kan via testamentaire bepalingen beschikkingsbevoegd worden gemaakt, maar moet in zijn handelen binnen de grenzen van de rechtsfiguur beheer blijven.31 Een kleiner bloopertje is nog dat art. 4:171 BW niet de nieuwe versie is van artikel 1066 Oud BW.32 Zie de beide wetteksten.
Iedereen die te maken heeft met een quasi-Testamentsvollstrecker hoort zich hiervan terdege bewust te zijn.
Bernard Schols blinkt niet bepaald uit in wetenschappelijk schrijven, zo kan een ieder vaststellen die zijn officiële publicatielijst doorneemt op de website van de Radboud Universiteit. Nagenoeg alle daar opgevoerde titels zijn gepubliceerd in een van de eigen bedrijfsnieuwsbrieven en deze voldoen – bij lange na – niet aan de normen voor een wetenschappelijk tijdschrift. Daar blijkt nu dus bij te komen dat lezers op het verkeerde been zijn gezet door ongegeneerd onjuist citeren. Iedere notaris die meent objectieve, wetenschappelijke kennis te hebben opgedaan uit dit stuk, zal diepgravend moeten omdenken.
Bloopertje werknemer Schols & Schols #7
“Zo’n stickersysteem is niet rechtsgeldig”
In de groep rond prof. Van Mourik is er altijd wel iemand die met grote regelmaat in de media komt. Van Mourik begon ermee. Bernard Schols nam over en de laatste jaren horen, lezen en zien we mr. Lucienne van der Geld. Een multi-deeltijd-talent, net als haar chefs. Universitair docent, directeur van de commerciële franchise ‘Netwerk Notarissen B.V.’, notaris, plaatsvervangend raadsheer bij het Gerechtshof Den Haag en marketeer. Bijna maandelijks is ze met een verkoopbevorderend praatje voor producten en diensten van de notaris in de krant, een tijdschrift, op radio en tv.
In februari 2025 gaf Van der Geld een interview in weekblad Margriet over het onderwerp ‘Codicil’. Van der Geld noemt het een aanvullend document naast het testament. Waarvoor je naar de notaris moet. Je kunt er spullen met emotionele waarde mee nalaten. Een magere omschrijving, want je kunt er ook alle foto’s in de cloud mee nalaten. Maar daarvoor wil Van der Geld je naar de notaris hebben. En dan komt het. Een stukje dat wemelt van de verwarring, slordig woordgebruik en juridische fouten.
Stickerysteem vs. codicil
Het codicil is een tegenhanger van de stickertjes die mensen soms plakken op spullen: de vaas en het koekblik met de groene sticker zijn voor de oudste dochter, zoon krijgt de schilderijtjes met de blauwe sticker en spullen bedoeld voor de jongste dochter hebben een gele sticker. Zo’n stickersysteem is niet rechtsgeldig: nabestaanden moeten samen uit de verdeling van spullen komen.
Commentaar – Het gebruik om stickertjes te plakken om inboedelspullen te verdelen is in heel Nederland bekend, tot aan het Koninklijk Huis. Na overlijden plakken de erfgenamen stickertjes op spullen van de inboedel die ze zouden willen hebben. Eventueel samen met mensen die de erfgenamen hebben uitgekozen.
Erfgenamen zijn de enige rechthebbenden op de nalatenschap. Ze zijn door overlijden van rechtswege eigenaar geworden (saisine-regel). Nabestaanden zijn in de regel niet gerechtigd dit te doen, behalve wanneer ze efgenaam zijn. Daarna beslissen de erfgenamen wie wat krijgt. Als iemand in waarde beduidend meer krijgt dan de anderen, is het gebruikelijk een bedrag ter compensatie af te spreken. Men noemt dat ‘wegens overbedeling’.
Stickertjes plakken kan ook vóór overlijden, onder leiding van de erflater of erflaatster. Hij of zij weet dan wie wat wil en kan dat in een codicil of testament opnemem (legaten).
Het is onduidelijk waarom Van der Geld meent dat dit, met een deftige woord, ‘niet rechtsgeldig’ zou zijn. Als erfgenamen willen dat er stickertjes worden geplakt als methode om tot verdeling te komen, is dat 100% rechtsgeldig.
Dit artikel is een ‘work on progress‘. De tekst wordt verbeterd en de lijst wordt aangevuld. Lezers en geïnteresseerden kunnen gevonden bloopers, vragen, ervaringen insturen. Geen ongefundeerde kritiek.
Andere berichten en artikelen die lezers interessant vonden:
Naar erfrechtblog ‘Lang leve de nalatenschap‘
De inhoud van dit werk staat ter beschikking voor gebruik onder de voorwaarde: Creative Commons Attribution 4.0 International License.
Voetnoten, commentaar
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar- 1905, Hendrikse-Geensen. [↩]
- Prof. mr. M.J.A. van Mourik & prof. mr. F.W.J.M. Schols, Erfrecht (2021), Monografieën Privaatrecht, Deventer, Wolters Kluwer. [↩]
- Daar is indertijd nog over te doen geweest. Het met jongemannenallure volgepompte kandidaat-notaris-trio dat zich oorspronkelijk BSS noemde, nu SBS, werpt Van der Burght voor de voeten dit citaat niet te hebben opgenomen in zijn boek, waarop VdB nuchter reageert dat dit wel is gebeurd, en wel op de juiste plaats. Niet bij 4:171 BW, waar Burgerhart, Schols en Schols menen dat het thuishoort, maar onder ‘algemeen’. Van der Burght ziet het dus wezenlijk anders dan BSS. [↩]
- Aldus de Minister in de Toelichting op het nieuwe ontwerp van een bewindsregeling in het wetboek erfrecht, 17.141 nr. 9, p. 7. [↩]
- zoals de Faillissementswet. [↩]
- Wetstechnisch gebeurde dit bij de Nota van wijziging van 3 oktober 1983, die de strekking had om alles buiten de invoeringswetgeving betreffende de Boeken 3-6 te houden, wat met het oog op de invoering niet strikt nodig was of te vertraging opleverde. [↩]
- Tweede Kamer, Bezemwet NBW, 14 maart 1990 TK49, verslag Kamerlid Van den Burg namens de vaste Kamercommissie voor Justitie. [↩]
- TK II, 83-84, Nota van Wijziging 17 496, nr. 6. [↩]
- TK1999 – 2000 – 27 245, nrs 1-3. Bericht in NJB afl. 29, 25 augustus 2000, p. 1461. [↩]
- Wetsvoorstellen 16 593, 17 496, 17 541, 17 725 en 17 896[↩]
- P.C. van Es, In de aap gelogeerd met de notaris, 2023, Universiteit Leiden. [↩]
- Bij voorbaat dank. In de hoop dat weldenkende mensen, met een openbare functie, in deze cruciale tijden de focus kunnen leggen op verbinden en een zekere beroepshang naar afzetten tegen de overheid, (tijdelijk) in de ijskast te zetten. [↩]
- Nota van Wijzigingen 17 496. [↩]
- J.H.M. ter Haar, W.M. Schrama, Toezicht op het bewind van ouders en voogden over het vermogen van minderjarigen. Onderzoek naar toezicht op vermogensbeheer bij minderjarigen en vier overige, aanverwante onderwerpen. WODC, Ministerie van Veiligheid en Justitie / Universiteit van Groningen, 2017. [↩]
- Minderjarigen en (de zorg voor) hun vermogen, diss. 2013. [↩]
- WPNR 99/6374 p. 749. [↩]
- BMEM in WPNR 99/6374, p. 746. [↩]
- Staatsblad 2002 nr 82, artikel DDD: na een aanwijzing uit het notariaat wordt het begrip ‘uiterste wil’ in enkele ontwerp-artikelen gewijzigd in ‘uiterste wilsbeschikking’, maar niet bij art. 4:171 BW. [↩]
- BMEM, Quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’, WPNR 2004/6571 (I) en WPNR 2004/6572 (II, slot). [↩]
- en overigens ook van spilfiguur in vereniging NOVEX executeurs die belangen behartigt van beroepsexecuteurs; lid Onderwijscommissie mr. Knoppers. [↩]
- Freek Schols in Handboek nieuw erfrecht Van Mourik (2003), geciteerd door BMEM in WPNR 2004/6572, BMEM wordt weer aangehaald in GGB Boelens TE jan 2023: “B.M.E.M. Schols brengt naar voren dat indien de testateur de bevoegdheden van een executeur buiten zijn standaardpakket uitbreidt met een testamentaire last, de testateur – nu het gaat om het zogeheten materiële gezichtspunt in het licht van het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen – automatisch een afwikkelingsbewind instelt, met alle gevolgen van dien.21”. En zo slalomt dit stukje powercommunicatie door naar het Parket bij de Hoge Raad. [↩]
- Burgerhart, Verstappen, Afwikkelingsbewind of afwikkelingsstichting, WPNR 2015. In 2004 ook F. Schols in pre-advies KNB 2004. [↩]
- Zo ook plv PG Wissink in conclusie 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:691. [↩]
- 2009, herpublicatie ‘De quasi-wettelijke verdeling als Teilungsanordnung’ deel II (slot) [↩]
- De norm uit bestendige jurisprudentie van het EHRM bij art. 1 Eerste Protocol EVRM. Op dit terrein zijn B. Schols en F. Schols natuurlijk niet geleerd, want ze volgden een uitgeklede opleiding Nederlands recht waar vakken als staatsrecht, burgerlijk procesrecht en internationaal verdragsrecht ontbreken. [↩]
- Estate Tip 2004-26 oktober 2004. [↩]
- In commentaarveld hieronder. Bericht komt binnen bij de redactie. Persoonsgegevens worden niet gepubliceerd. Er kan desgewenst een ongeldig e-mailadres worden ingevuld. Teksten worden alleen gepubliceerd als er geen personen, families of bedrijven te herkennen zijn. Contact ook mogelijk per e-mail: post voor de apenstaart, naam website zoals in de url, met punt nl erachter. [↩]
- SBS noemt niet de vindplaats van het originele kamerstuk, slechts ‘Parl. Gesch. Boek 3, p. 540.’ In de vijftig jaar die de parlementaire behandeling in beslag nam, waren er meerdere aanlopen en daarom zijn er meerdere memories van antwoord. In de Memorie van Antwoord Kamerstukken II 1962/63, 3771 nr. 6, is deze frase niet te vinden, het moet dus om een andere ‘de’ memorie van antwoord gaan. Met dank aan een oplettend en zorgvuldig lezende, ter zake kundige lezer: Kamerstukken II 1970/1971, 3770 nr. 5, p. 182. [↩]
- vof ScholsBurgerhartSchols, Wederom een Leidse schijnaanval op de ‘driesterrenexecuteur’. Verdeling door de executeur-afwikkelingsbewindvoerder? Huijgen, WPNR (2004) 6587 ongepagineerd, p. 5, 6. [↩]
- P.W. van der Ploeg, Testamentair Bewind, dissertatie Leiden 1945, Bezige Bij, p. 163. [↩]
- Het kost moeite dit onjuist citeren van SBS als foutje-sorry-bedankt te zien. De gedrevenheid om het prachtige estate-planningsinstrument leven in te blazen is overdimensionaal. Mensen beginnen normaal gesproken bovenaan een pagina te lezen en komen dan als eerste langs de heersende leer. Maar we willen sterk afstand houden tot populistische communicatiemethoden en zien het als een slip of the pen. Het is wel van groot belang dat de erfrechtelijke misser van formaat bekend wordt. [↩]
- Kopje 6. [↩]