Onafhankelijke informatie over recht en rechtsonzekerheid rond de nalatenschap, voor en na overlijden | Testament of codicil maken? Erfenis of legaat gekregen? Onterfd? Nalatenschap beheren, afwikkelen en verdelen? Dit kennisplatform werkt aan vrij toegankelijke, goed onderbouwde informatie over het Nederlands erfrecht.
Europese Erfrechtverordening – uitleg en jurisprudentie
Europese Erfrechtverordening – uitleg en jurisprudentie

Europese Erfrechtverordening – uitleg en jurisprudentie

A. Informatie en uitleg over de Europese Erfrechtverordening (ErfVo)

1. Wat regelt de Europese Erfrechtverordening?

Op 17 augustus 2015 is de Europese Erfrechtverordening (ErfVo) van de Europese Unie in werking getreden met nummer 650/2012.1

► Officiële tekst

Het wetgevingsproces startte in 2005 met samenstelling van een Groenboek waarin de in de lidstaten levende ideeën waren samengevat.2 De Erfrechtverordening heeft in verschillende landen een uitvoeringswet gekregen, daaronder Nederland.3

Met de Europese Erfrechtverordening worden gelijkluidende regels ingevoerd met betrekking tot het internationaal privaatrecht voor zaken rond erfopvolging en erfrecht. Het internationaal privaatrecht, afgekort met ‘IPR’, geeft regels aan de hand waarvan kan worden bepaald, welk materieel recht van toepassing is bij internationale rechtsverhoudingen. Daarmee wordt bedoeld dat uit de regels is af te leiden, van welk land het recht van toepassing is. IPR geeft geen antwoord op de vraag, hoe een een bepaalde rechtsvraag kan worden opgelost, alleen welk rechtsstelsel moet worden gebruikt.

Het IPR valt in drie deelterreinen uiteen:

  • rechterlijke bevoegdheid,
  • toepasselijk recht en
  • erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke en bestuursrechtelijke beslissingen.

De Erfrechtverordening geeft regels voor alle drie de terreinen.4 De algemene regeling met betrekking tot het toepasselijk recht is in Nederland opgenomen het Burgerlijk Wetboek, Boek 10. Deze Nederlandse regels gelden alleen als er geen internationaal verdrag of verordening van toepassing is.5 De Erfrechtverordening heeft tot aanpassingen in Boek 10 geleid. Niet alle landen hebben hun IPR-regels vastgelegd in een wet in formele zin.

Het directe voordeel voor de Nederlandse burger bij de Erfrechtverordening is, dat de Nederlandse notaris nu een zogenaamde Europese Verklaring van erfrecht kan afgeven bij nalatenschappen van Nederlanders met bijvoorbeeld een – tweede – huis in Frankrijk of Spanje; een spaarrekening in Oostenrijk of een bedrijf in Polen.

De Erfrechtverordening geldt in alle lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken en Ierland. Het Verenigd Koninkrijk valt er vanaf 1 februari 2021 niet meer onder omdat het VK toen uit de EU trad (‘Brexit’). Deze landen blijven hun nationale regels toepassen bij bepaling welk recht materieel van toepassing is bij internationale erfopvolgingen, maar er geldt op veel andere gebieden wel EU-recht. De overige EU-landen passen hun nationale regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging toe op beslissingen die in deze drie landen zijn gegeven. Lidstaten waar de Europese Erfrechtverordening geldt zijn: België, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Finland en Zweden.

De Europese Erfrechtverordening regelt niet de inhoud van het erfrecht in de lidstaten, maar bepaalt welk nationaal materieel recht van toepassing is. Dat wil zeggen, dat als er in een nalatenschap van een EU-burger goederen zijn die zich in verschillende landen bevinden, of als de erflater in een andere EU-lidstaat woont dan dat van zijn/haar nationaliteit, er gekozen moet worden van welk land het erfrecht moet worden toegepast, of het recht dat van toepassing is op de erfopvolging of afwikkeling van de nalatenschap. In niet elk Europees land staan deze regels in één wet, zoals in Nederland. Aan de hand van de regels die zijn opgenomen in de Europese Erfrechtverordening, kan worden bepaald wat het toepasselijke materiële recht is, dus bijvoorbeeld het Belgische of het Spaanse erfrecht. Bij goederen kan het gaan om onroerende zaken zoals grond of een registergoed als een groot schip, maar ook om roerende zaken als kunst, sieraden of een auto; rechtspersonen als stichting of B.V. en digitale zaken. Dat wordt een ‘grensoverschrijdende nalatenschap‘ genoemd. Het uit de ErfVo voortvloeiende toepasselijk erfrecht geldt ten aanzien van alle vermogensbestanddelen die zich in de betreffende nalatenschap bevinden, waar ter wereld ook gelegen.6 Daarbij moet men zich er voortdurend van bewust zijn dat andere landen niet alleen andere regels kennen voor wat betreft levering of inschrijving in registers, maar ook voor wat mogelijk is als regeling van erfopvolging in de wet of in een testament. De Nederlandse ‘wettelijke verdeling’ is bijvoorbeeld uniek in Europa en wordt in geen ander land juridisch begrepen. Een afwikkelingsbewindvoerder die testamentair de bevoegdheid kreeg zelfstandig te verdelen zal in andere landen niet worden geaccepteerd, behalve in Duitsland, waar de wet de rechtsfiguur ‘Testamentsvollstrecker’ kent.

De Europese Erfrechtverordening is geldig voor erfopvolging en nalatenschappen met een internationaal aspect.
De Erfrechtverordening is niet van toepassing op elke nalatenschap of erfopvolging, maar op zogenaamde ‘internationale nalatenschappen’. Dit is een nalatenschap die aanknopingspunten heeft met verschillende landen. Die aanknopingspunten kunnen divers zijn: de nationaliteit of woonplaats van erflater, een erfgenaam, onterfde of legataris; de ligging van onroerende goederen of roerende goederen in de nalatenschap, het land waar een testament is opgemaakt. Op een nalatenschap waarbij geen grensoverschrijdende aspecten zijn, is de Erfrechtverordening niet van toepassing.

De Europese Erfrechtverordening geldt voor de erfopvolging en nalatenschappen van personen die zijn overleden in een EU-lidstaat op of na 17 augustus 2015. Elk overlijden tot en met 16 augustus 2015 wordt nog beheerst door de nationale regels voor internationaal privaatrecht (IPR).

De Europese Erfrechtverordening geldt niet als er een testament is gemaakt dat een geldige ‘rechtskeuze’ bevat. De regeling is wel van kracht, wanneer de overledene een testament heeft gemaakt, maar er geen regeling is opgenomen over het toepasselijk recht, of wanneer de regeling voor het toepasselijke recht ongeldig is.7

Wat betreft het materiële toepassingsgebied van de Europese Erfrechtverordening: deze is van toepassing op “de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen” (art. 1 lid 1, eerste volzin ErfVo). Het begrip ‘erfopvolging’ is als volgt gedefinieerd (art.3, lid 1 onder a): “de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf”.

Ook de internationale rechterlijke bevoegdheid is geregeld, in de artikelen 4-19 van de Erfrechtverordening. Als uitgangspunt voor de internationale rechterlijke bevoegdheid geldt de volgende hoofdregel (artikel 4): “De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.”

Zijn er ter zake van één nalatenschap in meerdere landen rechtszaken aanhangig gemaakt (litispendentie), bepaalt artikel 17: “Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart elk gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zich onbevoegd.” Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen, houdt het gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat. De Europese wetgever heeft zo een eind gemaakt aan de praktijk dat de gekozen rechter een zaak moet aanhouden als een van de partijen die zaak eerder heeft aangebracht bij een andere – buitenlandse – rechter.8

Verder stelt de verordening EU-breed regels vast, inzake erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die in een EU-land zijn gegeven en de acceptatie en tenuitvoerlegging van officiële juridische documenten die in een EU-land zijn afgegeven.

Europese erfrechtverklaring. In de verordening wordt tevens een Europese erfrechtverklaring geïntroduceerd die moet worden gebruikt door erfgenamen, legatarissen, executeurs-testamentair en beheerders van de nalatenschap om hun hoedanigheid aan te tonen en/of hun rechten of bevoegdheden in een ander EU-land uit te oefenen. Het Haags Erfrechtverdrag van 1989, dat niet erg populair was en niet door veel staten was geratificeerd, regelde niet de bevoegdheid van de rechterlijke autoriteiten.

De verordening is niet van toepassing op rechten en verplichtingen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging.

De Erfrechtverordening ziet alleen op het erfrecht, niet ook op het toepasselijke huwelijksvermogensrecht, belastingrecht of bestuursrecht. De Europese Erfrechtverordening heeft geen gevolgen voor het fiscaal recht. Dat geldt ook voor de rechtskeuze. Het blijft nog steeds mogelijk dat meerdere landen heffen volgens hun nationale belastingwetten.Erfgenamen die in Nederland wonen, betalen volgens de Nederlandse wet in Nederland erfbelasting. Dat wordt pas anders wanneer een Nederlander langer dan tien jaar in het buitenland woont.

De regels voor het maken van een geldige rechtskeuze bij huwelijk, of bij huwelijkse voorwaarden, wijken af van de regels voor rechtskeuze in de Europese Erfrechtverordening. Bij overlijden van een van de twee partners die gehuwd waren (of een geregistreerd partnerschap hadden), kan het daarom zijn dat voor afwikkeling van de huwelijkse goederengemeenschap andere rechtsregels gelden dan voor afwikkeling van de erfgemeenschap.

2. Rechtskeuze

Een rechtskeuze in een overeenkomst, testament of codicil, bepaalt, welk recht van toepassing is op de overeenkomst of akte in geval van een (toekomstig) geschil. Een veelgebruikte standaardformulering in Nederland is: “op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.”.

De Europese Erfrechtverordening geeft erflaters die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie hebben, de mogelijkheid bij testament een rechtskeuze te maken voor het recht van zijn of haar nationaliteit. De rechtskeuze moet expliciet zijn gedaan. De mogelijkheden om voor Nederlands recht te kiezen zijn hiermee afgenomen. Rechtskeuzes uitgebracht voor 17 augustus 2015 ten aanzien van de gehele erfopvolging, blijven geldig.9

2.1 Jurisprudentie rechtskeuze Erfrechtverordening

In de zaak van een in 2017 overleden Nederlandse ondernemer die vanaf 2012 in Londen woonde en daar een testament had laten opstellen met een keuze voor Engels recht, hield de rechter de rechtskeuze voor ongeldig op grond van de ErfVo, omdat de zakenman bij overlijden de Nederlandse nationaliteit had. De Nederlandse advocate van de Engelse executor droeg voor dat de erfkeuze geldig was. De rechter oordeelde op grond van de wettekst dat dit niet het geval was, overledenen bezat de Nederlandse nationaliteit en dan kan alleen een rechtskeuze voor Nederland worden gemaakt. Dat het Verenigd Koninkrijk niet meer tot de EU hoort, speelde in deze zaak geen rol. De ErfVo werd zowel door de advocaten van beide partijen, als door de rechter in twee instanties van toepassing geacht op grond van art. 10. Overledene bezat goederen die zich in Nederland bevonden en had bij overlijden de Nederlandse nationaliteit.10

In een andere zaak was een erfkeuze gemaakt in een testament uit 1999, dus lang voordat de Erfrechtverordening er was. In de Erfrechtverordening staat dat deze regeling geldt vanaf 17 augustus 2015. De rechtbank Zeeland bepaalde desalniettemin dat met deze rechtskeuze rekening moest worden gehouden. In artikel 83, tweede lid van de Erfrechtverordening is namelijk bepaald dat een rechtskeuze die is gedaan voor 17 augustus 2015 ook dan rechtsgeldig is in de zin van artikel 22 van de Erfrechtverordening, mits de keuze is gemaakt in een testament.11

3. Geen rechtskeuze – IPR-criterium ‘laatste gewone verblijfplaats’

Indien er in een testament geen geldige rechtskeuze is opgenomen, is op grond van de Erfrechtverordening in principe op de hele nalatenschap het recht van de EU-lidstaat van toepassing, waar de overledene zijn of haar ‘laatste gewone verblijfplaats‘ had. Dit criterium heeft in het Internationaal Privaatrecht een andere invulling dan in het Nederlands recht. In IPR en de ErfVo is het land van de laatste gewone woonplaats het land waarmee de erflater op het moment van overlijden de meeste binding had. Om te bepalen welk land dat is, kunnen meerdere aspecten een rol spelen. Het begrip “gewone verblijfplaats” in de zin van de Erfrechtverordening heeft een autonome betekenis in het Unierecht en moet worden vastgesteld op basis van het gehele samenstel van feitelijke omstandigheden. Dit houdt onder meer in dat men rekening moet houden met:

  • De duur en regelmaat van het verblijf van de overledene in de betreffende lidstaat, bijvoorbeeld hoe lang en hoe vaak de overledene in een land verbleef.
  • In welk land het sociale leven en gezinsleven van overledene zich afspeelde.
  • De omstandigheden van de professionele levenssfeer van de overledene.
  • De intentie van de overledene om in dat land een duurzame verblijfplaats te hebben.

De gewone verblijfplaats hoeft niet noodzakelijkerwijs het land te zijn waar de overledene op het moment van overlijden verbleef. In plaats daarvan moet een holistische beoordeling plaatsvinden van waar de overledene het middelpunt van zijn of haar leven had gedurende een langere periode voorafgaand aan het overlijden.

Voor een Nederlander die vóór zijn of haar overlijden tien jaar lang in Duitsland woonde en daar overlijdt, zal bij geschil vermoedelijk het Duitse recht van toepassing worden verklaard op zijn of haar nalatenschap. In het Haags Erfrechtverdrag 1989, dat niet door veel landen is geratificeerd, maar wel in Nederland toepasselijk is, gold een periode van vijf jaar.

Staat in het testament als rechtskeuze dat Nederlands recht van toepassing is, en heeft erflater bij overlijden de Nederlandse nationaliteit, dan maakt het niet uit wat de feitelijke omstandigheden zijn, dan geldt Nederlands recht.

De Hoge Raad beschikte op 25 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:440) in een zaak die buiten het bereik van de Europese Erfrechtverordening viel, maar interessant is door toepassing van het criterium ‘gewone verblijfplaats’. Het ging om het criterium als bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis. De Raad overwoog dat het hof had moeten onderzoeken of uit het geheel van feitelijke omstandigheden volgt, dat op het moment van indiening van het verzoekschrift sprake was van een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving in Nederland.

In het simplistische overzicht dat de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB) maakte voor de Nederlandse notaris, staat het volgende: Hoe stel ik de laatste gewone verblijfplaats van een overledene vast? U bepaalt op basis van de feiten en omstandigheden wat de laatste gewone verblijfplaats was. De gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) zijn niet doorslaggevend, maar kunnen wel een aanwijzing van de verblijfplaats zijn.

► Verder lezen: prof. Ian Sumner, Gewone verblijfplaats in de erfrechtverordening (Open Access), Tijdschrift Erfrecht. 4, p. 71-76 2015-4.

4. Minderjarigen, ouderlijke verantwoordelijkheid en rechtsmacht

Zijn er minderjarigen bij de afwikkeling van een internationale nalatenschap betrokken? Dan is een eerste vraag die speelt voor de bepaling van rechtsmacht, of een handeling zoals de verwerping van een nalatenschap onder het erfrecht valt of onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. Art. 2 sub 7 van de Verordening Brussel II-bis,12 definieert dat onder ouderlijke verantwoordelijkheid niet alleen het toezicht op de persoon valt, maar ook het toezicht op het vermogen van het kind. Artikel 1 lid 3 sub f Brussel II-bis sluit de erfopvolging van het toepassingsgebied van de verordening uit, terwijl aan de andere kant de Erfrechtverordening de staat van natuurlijke personen, familierechtelijke betrekkingen en de bekwaamheid van natuurlijke personen uitsluit, zie artikel 1, lid 2, onder a) en b), van de Erfrechtverordening.

Hof van Justitie van de Europese Unie No 2201/2003 | Matouŝkowá

Die vraag van kwalificatie, of het geschil onder het toepasselijke erfrecht of de ouderlijke verantwoordelijkheid
valt, kwam aan de orde in de Matouŝkowá zaak van het Europese Hof van Justitie. Het Hof bepaalde daar, dat Brussel II-bis aldus moet worden uitgelegd dat de goedkeuring van een overeenkomst tot verdeling van de nalatenschap die voor rekening van minderjarige kinderen is gesloten door de bewindvoerder, een maatregel betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van Brussel II-bis vormt, die derhalve binnen de werkingssfeer ervan valt, en geen maatregel is inzake erfopvolging in de zin van artikel 1, lid 3, onder f), van Brussel II-bis, die van de werkingssfeer ervan is uitgesloten. Wanneer het om machtiging voor verwerping gaat, zou dezelfde redenering gevolgd kunnen worden: de rechtsmacht voor de machtiging voor verwerping wordt bepaald door Brussel II-bis en niet door de EU Erfrechtverordening.13

Hof van Justitie van de Europese Unie 19-04-2018 | Saponara en Xylina

Prolongatie In dit arrest kwam de vraag aan de orde onder welke omstandigheden prorogatie op grond van art. 12 lid 3 Brussel II-bis gerechtvaardigd is. Erflater was in Griekenland overleden en liet daar een boot en auto na, maar hij had waarschijnlijk veel schulden. Zijn weduwe en kinderen verwierpen de nalatenschap, zijn kleindochter, die met haar ouders in Italië woonde, zou nu enig erfgename zijn. De ouders wilde verwerpen en de Griekse rechter moest bepalen of hem rechtsmacht toekwam om machtiging voor de verwerping namens het kind te geven op grond van artikel 12 lid 3 van Brussel II-bis. Italië naar Griekenland zijn beide gebonden aan Brussel II-bis en HKV 1996, waarbij Brussel II-bis voorgaat.

► Verder lezen: Mr. S.H. Heijning, Welke rechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek tot machtiging om een internationale nalatenschap te verwerpen namens een minderjarige erfgenaam?, WPNR 2019 / 7253.

5. Voorvraag

De Erfrechtverordening regelt niet alle rechtsverhoudingen die bij de afwikkeling van een internationale nalatenschap aan bod komen. Er zijn geschilpunten die buiten de verwijzingscategorie van de toegepaste verwijzingsregel vallen. Dit is de problematiek van de ‘Vorfrage’. Bij de vraag naar het toepasselijke recht op de vererving (hoofdvraag waarop bijvoorbeeld Frans recht van toepassing is) komt bijvoorbeeld de vraag naar voren of iemand de echtgenote van de erflater is (voorvraag huwelijk) dan wel of iemand een wettig kind van de erflater is (voorvraag afstamming). Het antwoord op de voorvraag heeft een impact op de hoofdvraag.

De rechter moet dus allereerst onderzoeken of het een rechtsverhouding betreft die onder de Erfrechtverordening valt. Een rechter moet de juridische kwestie kwalificeren en onderzoeken onder welke verwijzingscategorie het voorgelegde probleem moet worden ondergebracht. Het is mogelijk dat de rechtsverhouding van de Vorfrage niet onder de Erfrechtverordening valt. Het gaat als beginsel om verhoudingen die geen erfrechtelijk karakter hebben. Artikel 1 sub 2 bevat een limitatieve lijst van de uitgesloten verhoudingen.14

Een voorbeeld daarvan zijn clausules in statuten van een vennootschap die bepalen wat er met de aandelen gebeurt bij een overlijden (art. 1 sub 2, h). Zulke regelingen hebben soms een erfrechtelijk karakter en kunnen in een land een verboden erfovereenkomst uitmaken. De rechter zal in dergelijke rechtsverhoudingen een opsplitsing moeten maken tussen de erfrechtelijke aspecten van de rechtsverhouding en de niet-erfrechtelijke aspecten ervan.

De samenstelling van een nalatenschap wordt bij huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwoners met gezamenlijk vermogen mede bepaald door het relatievermogensrecht. De rechter heeft dan te bepalen welke delen van de zaak door het relatievermogensrecht worden geregeld en welke door het erfrecht. Het Kammergericht Berlin heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie in verband met de Duitse Zugewinngemeinschaft. Een langstlevende echtgenoot, gehuwd onder de Duitse Zugewinngemeinschaft krijgt bovenop een verrekenvordering via het huwelijksvermogensrecht, ook één vierde van de intestaat nalatenschap. Volgens het Hof van Justitie valt deze regeling, die volgt uit het gekozen huwelijksvermogensstelsel, onder de Erfrechtverordening.15

6. Wat regelt de Europese Erfrechtverordening niet

6.1 Schenkingen

De Erfrechtverordening regelt in art. 1 sub 2, g de schenkingen. Een schenking is in eerste instantie een contract tussen de schenker en de begunstigde. Schenkingen (cf. overw. 14) worden daarom niet geregeld door de Erfrechtverordening. Hetzelfde geldt overigens voor bedingen van aanwas en levensverzekeringscontracten (art. 1 sub 2, g). Schenkingen zijn onderworpen aan andere conflictenregels.16

6.2 Zakelijke rechten

Artikel 1, sub 2, k sluit de aard van zakelijke rechten uit van het toepassingsgebied. Op deze manier wordt vermeden dat de lidstaten een buitenlands zakelijk recht dat ze in hun eigen rechtsstelsel niet kennen, onverkort zouden moeten inschrijven of toepassen in de nationale registers. Veel lidstaten kennen immers het numerus clausus-beginsel. Dit betekent echter niet dat lidstaten op voorhand mogen weigeren om een voor hen onbekend zakelijk recht in te schrijven of toe te passen. Artikel 31 ErfVo verplicht de lidstaten om in dat geval te zoeken naar een equivalent.

6.3 Inschrijving registers

De Erfrechtverordening ziet ook niet op de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register (art. 1 sub 2, l). Dit is met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan. Dit hele – voor de notaris – belangrijke terrein is niet onderworpen aan de Erfrechtverordening (art. 1, lid 2, l).

Voor de registratie is de Europese erfrechtverklaring evenwaardig aan een nationaal erfrechtcertificaat. Indien het nationale recht bij het nationale certificaat bijkomende documenten vereist voor de inschrijving, dan mag deze lidstaat dat ook eisen als er een Europese erfrechtverklaring voorligt. Men voegt er ook aan toe dat lidstaten niet kunnen weigeren rekening te houden met een Europese erfrechtverklaring door zich te beroepen op een wettelijke bepaling in hun nationale recht die de toegang tot de registers beperkt tot documenten afgeleverd door een lokale autoriteit. Nederland heeft zijn wetgeving op dit punt aangepast, zodat de Europese erfrechtverklaring een instrument vormt tot inschrijving.17

6.3.1 Vakantiehuis in het buitenland en overlijden

Dit betekent voor Nederlanders met een tweede huis in een ander Europees land, bijvoorbeeld België, Frankrijk of Spanje, dat voor het overschrijven van onroerend goed na overlijden nog (veel) formaliteiten vereist zijn. Nederlanders met een vakantiehuis in Spanje moeten er op beducht zijn dat het nog maanden kan duren voordat alle formaliteiten afgewikkeld zijn. Bedenk daarbij dat de Nederlandse wettelijke regeling voor erfopvolging bij een echtpaar waar een van de partners overlijdt, in het buitenland volstrekt ongebruikelijk is, te weten dat de kinderen dan niets erven. Om deze uitzonderlijke regel uit het Nederlands erfrecht in het buitenland te laten gelden, is voorwaarde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op de nalatenschap. En dat moet voor instanties in het buitenland juridisch 100% zeker zijn. Bij een Nederlander die in Nederland woont, maar regelmatig in het vakantiehuis in Spanje verblijft, is die volledige zekerheid er niet.

Een goed opgestelde Europese Erfrechtverklaring, waarin wordt bevestigd dat bij overlijden van de eerste partner in een huwelijk of geregistreerd partnerschap de kinderen volgens het Nederlands erfrecht niets erven, kan hier behulpzaam zijn. Jammer genoeg hebben veel notariskantoor-medewerkers niet paraat dat de kinderen niets erven. Hen zijn in het (commercieel) erfrechtonderwijs door de docenten vage begrippen in het hoofd geplant als ‘erfrechtelijke wachtkamer’ of ’tegoedbon’. Kortom, welk notariskantoor heeft 100% helder dat de nalatenschap bij de wettelijke verdeling niet wordt verdeeld in vermogensrechtelijke zin (scheiding en deling)?

Een testament waar aandacht wordt besteed aan de eventuele internationale aspecten van een nalatenschap, kan in de praktijk ook een goed instrument zijn om de afwikkeling te bespoedigen.18

7. Overledene woonde in land waar de ErfVo niet geldt

Om te bepalen of de Erfrechtverordening van toepassing is als een burger ten tijde van overlijden in het Verenigd Koninkrijk (tot 1 februari 2020), Ierland of Denemarken woonde, geeft de ErfVo regels. Dat moet dus van geval tot geval worden bekeken. Ongeacht in welke lidstaat van de EU een burger ten tijde van overlijden woonde en voor hoe lang, blijft nationaliteit een belangrijk ankerpunt of de Erfrechtverordening van toepassing is of niet, wanneer zich goederen van overledene in een andere lidstaat bevinden.

7.1 Verenigd Koninkrijk

Per 1 februari 2021 is het Verenigd Koninkrijk geen lid van de EU meer. Op civielrechtelijk vlak blijven lopende procedures en procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid onder het EU-recht vallen. Tot eind 2024 behoort het Verenigd Koninkrijk nog tot de keuzemogelijkheden in de beschikbare formulieren voor de aanvraag van een Europese Verklaring van erfrecht. Een uitzondering op deze regel vormen de formulieren voor openbare documenten, waarin het Verenigd Koninkrijk niet gekozen dient te worden.

8. Europese Verklaring van Erfrecht 

De Europese Erfrechtverordening bepaalt dat er één Europese Verklaring van Erfrecht kan worden gebruikt bij de afwikkeling van een internationale nalatenschap. De autoriteit die in het betreffende land bevoegd is verklaringen over erfopvolging af te geven, in Nederland is dat de notaris, neemt in de verklaring op wie erfgenaam is, of er een testament is met een rechtskeus en welk nationaal erfrecht op grond daarvan van toepassing is op de nalatenschap. De notaris kan een inschatting geven over het toepasselijk recht als er geen rechtkeuze is gemaakt, maar het uiteindelijke oordeel daarover ligt bij de rechter.

De plaatselijk bevoegde autoriteiten in de lidstaten waar de Verordening van toepassing is, verschillen van land tot land. Daarom is het belangrijk dat de Nederlandse notaris in de Europese verklaring van erfrecht duidelijk maakt dat hij*zij in Nederland bevoegd is. Wat betreft de regels voor het kadaster en andere registers zijn er in Europa verschillende rechtsstelsels. In Zweden kent men bijvoorbeeld de notaris niet en in Slovenië en Kroatië bepaalt de rechter wie de erfgenamen en andere begunstigden zijn en welke goederen tot de nalatenschap behoren.19 Er moet dus per land worden nagegaan wie de bevoegde instantie is. Vervolgens is de vraag: is deze instantie of deze notaris inhoudelijk bevoegd?

Voor de aanvraag stelt de EU een standaardformulier ter beschikking, maar het is niet verplicht dat te gebruiken, het gaat er om dat alle benodigde gegevens aan de betreffende autoriteit worden gestuurd.20.

► Verder lezen: Bart Verdickt en Alain Laurent Verbeke, Procederen in internationale nalatenschappen, TEP 2019/1

B. Overzicht jurisprudentie Europese Erfrechtverordening

Er is in Nederland nog niet veel rechtspraak. Maar het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) heeft inmiddels wel een aantal prejudiciële beslissingen geveld over uitleg van de ErfVo, veelal op verzoek van rechterlijke autoriteiten van lidstaten. Hieronder een samenvatting van de arresten Brisch, Mahnkopf en Oberle die zijn gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Duitse rechter.

Hof van Justitie van de EU (zesde kamer), 17-01-2019 (C102/18) | Brisch

Feiten van de zaak (prejudiciële vraag)

In de Brisch-zaak, die aan het Hof was voorgelegd door het Oberlandesgericht Köln (vergelijkbaar met de Nederlandse rechtbank), speelde een internationaal erfrechtelijk geschil waarbij de erfgenamen zich in verschillende lidstaten van de Europese Unie bevonden, en de overledene bezittingen in meerdere EU-landen had. In dit kader werd een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de interpretatie van de Erfrechtverordening, met name artikel 65 lid 2 van de verordening en de er mee verbonden Regeling voor Implementatie (EU) No. 1329/2014, die regels geeft voor de Erfrechtverklaring.

Juridisch vraagpunt

Het centrale punt in de zaak was of gebruik van het standaardformulier ‘Formulier IV‘ uit Verordening (EU) nr. 1329/2014 verplicht is bij het aanvragen van een Europese erfrechtverklaring, dat is een implementatieregeling.

Oordeel van het Hof

Het Hof oordeelde dat het gebruik van Formulier IV optioneel is. Hoewel de verordening het formulier aanbiedt om de aanvraag te vergemakkelijken, is de aanvrager niet verplicht dit specifieke formulier te gebruiken. De aanvrager kan kiezen om de benodigde informatie in een andere vorm aan te leveren, zolang de informatie voldoet aan de vereisten die de verordening voorschrijft.

Het Hof:

“Article 65(2) of Regulation (EU) No 650/2012 […] and Article 1(4) of Commission Implementing Regulation (EU) No 1329/2014 of 9 December 2014 establishing the Forms referred to in Regulation No 650/2012 [mean] that, for the purposes of an application for a European Certificate of Succession, within the meaning of Article 65(2) of Regulation No 650/2012, the use of Form IV in Annex 4 to Implementing Regulation No 1329/2014 is optional”.

Deze uitspraak heeft praktische implicaties voor burgers die te maken hebben met grensoverschrijdende nalatenschappen binnen de EU. Het biedt flexibiliteit in hoe de erfrechtverklaring kan worden aangevraagd, terwijl tegelijkertijd de voordelen van standaardisering worden erkend, zoals efficiëntie en eenvoud voor zowel aanvragers als de bevoegde autoriteiten. Deze zaak illustreert de balans die de wetgever nastreeft tussen standaardisering en de behoefte aan flexibiliteit in procedures die variëren per lidstaat.

Verder lezen: Sjef van Erp & Katje Zimmerman, The EU Succession Certificate, From standardization to digitalization, 31 August 2022, open acces via de universiteit (PDF) en via het ERA Forum (commerciële uitgeverij).

Hof van Justitie Europese Unie (Tweede kamer) 01-03-2018, ECLI:EU:C:2018:138 | prejudiciële beslissing (C-558/16) | Mahnkopf / Mahnkopf

De Mahnkopf-zaak behandelde een belangrijke inhoudelijke kwestie die werd opgehangen aan de kapstok van afgifte van een Europese Verklaring van Erfrecht onder de Europese Erfrechtverordening (Verordening 650/2012). Het ging over rechten van de langstlevende echtgenoot op grond van het huwelijksvermogensrecht binnen de nalatenschap van de overledene waarover in Duitsland al decennia wordt gestreden. Met onder meer een arrest uit 2015 van het Bundesgerichtshof (BGHZ 205, 289). De zaak ontstond toen mevrouw Mahnkopf, als langstlevende echtgenote, een Europese Verklaring van Erfrecht wilde laten opstellen waarin haar aandeel in de nalatenschap van haar overleden echtgenoot was opgenomen. De rechtsvraag was, of haar aanspraak onder het Duitse huwelijksvermogensrecht (§1371 (1) BGB), waarbij haar erfdeel werd verhoogd, moest worden opgenomen in de Verklaring.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) oordeelde dat de aanspraak van de langstlevende echtgenoot, gebaseerd op de verrekening van ‘Zugewinn’ van de huwelijksgemeenschap onder §1371 (1) BGB, binnen de definitie van “erfenis” in de Erfrechtverordening viel. Het HvJ-EU verduidelijkte, dat deze bepaling vooral betrekking had op het erfdeel en niet zozeer op de verdeling van huwelijksgoederen bij een echtscheiding, en dat deze daarom kon worden opgenomen in de verklaring van erfrecht. Dit zorgde voor consistentie in grensoverschrijdende nalatenschappen, omdat de volledige rechten van de langstlevende echtgenoot werden erkend.

Dit oordeel week af van eerdere Duitse jurisprudentie, waar deze kwestie werd beschouwd als onderdeel van het huwelijksgoederenrecht. Het HvJ benadrukte dat het doel van de Erfrechtverordening is om een duidelijke en omvattende regeling te bieden voor grensoverschrijdende nalatenschappen, inclusief de erkenning van de rechten van de echtgenoot onder nationaal recht, wanneer die zijn vastgelegd als onderdeel van het erfproces.

► verder lezen: Jan von Hein, The CJEU settles the issue of characterising the surviving spouse’s share of the estate in the context of the Succession Regulation, Conflict of Laws, 17 april 2018

en: W. Pintens, De eerste arresten van het Hof van Justitie over de Erfrechtverordening, in Liber amicorum Aloïs Van den Bossche, Brugge, die Keure, 2019, 12827, 28

Hof van Justitie EU, 2 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:426 | prejudiciële beslissing | Verklaring verwerping nalatenschap

In deze zaak, ingeleid door het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen met het verzoek om een prejudiciële beslissing, ging het om de vraag aan welke vormvereisten een verklaring tot verwerping van een nalatenschap moet voldoen als het gaat om een buitenlandse nalatenschap. In die zaak hadden Nederlandse erfgenamen een Duitse nalatenschap verworpen door het afleggen van een verklaring tot verwerping bij de rechtbank Den Haag. De Duitse rechter oordeelde daarop dat de Nederlandse erfgenamen geacht moesten worden de nalatenschap te hebben aanvaard omdat de verwerping bij de rechtbank Den Haag niet voldoet aan de vormvoorschriften die in Duitsland gelden voor verwerpen. Het Hof van Justitie oordeelt echter dat een verwerping die door een erfgenaam is afgelegd bij het gerecht van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats naar de vorm geldig is als is voldaan aan de voor dit gerecht geldende vormvereisten. De verklaring hoeft niet te voldoen aan de vormvereisten van het op de erfopvolging toepasselijke recht, zijnde in dezen Duits recht.


Noot redactie: Dit is een work-in-progress; er is aandacht voor het verzamelen en samenvatten van oudere / andere uitspraken, nationaal en van het Hof van Justitie EU. Tips, samenvattingen, kritische opmerkingen en eigen uitspraken welkom!21

Nieuwe artikelen in erfrechtblog ‘Lang leve de nalatenschap’:

Voetnoten
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar
  1. Officiële naam: “Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring”. [↩]
  2. Het eerste Commissievoorstel dateert van 2009. Op 13 maart 2012 stemde het Europees Parlement in met een sterk gewijzigde versie van het Commissievoorstel. Op 8 juni 2012 werd de nieuwe tekst aangenomen door de Raad van Ministers en op 4 juli 2012 werd die ondertekend. De verordening verscheen op 27 juli 2012 in het Publicatieblad van de Europese Unie. [↩]
  3. Wet van 5 november 2014 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. Pb. 2012, L 201. [↩]
  4. Dat is niet vanzelfsprekend, zie bijvoorbeeld de regels voor deurwaarders en de afschaffing van de ‘exequaturprocedure’ in de herschikte Brussel I-Verordening van 2015. [↩]
  5. Ingangsdatum 1 januari 2012. Kwesties van betekening en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen zijn niet in boek 10 geregeld. [↩]
  6. Art. 21 lid 1 ErfVo, zie mr. Maria de L. Monteiro, De quasi-wettelijke verdeling over de grens, Estate Planner Digitaal 2015/12. [↩]
  7. In de spraakmakende zaak over de rechtsopvolging van Hans van Breukhoven en aanspraken van kinderen, werd in het testament een ongeldige rechtskeuze gemaakt, Gerechtshof Amsterdam 22-03-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:841. De advocate van de executeur, gespecialiseerd in het erfrecht, lid VEAN, hield twee instanties vol dat de rechtskeuze rechtsgeldig was. Onkunde of procestaktiek? Het heeft de in het testament onterfde kinderen jaren wachten gebracht en het heeft de Nederlandse gemeenschap handenvol geld gekost. Erfgenamen wordt afgeraden naar dit kantoor te gaan voor bijstand. [↩]
  8. Hiermee is de uitspraak ‘Gasser’ teruggedraaid, Europees Hof van Justitie 9 december 2003, C-116/02, NJ 2007, 151 (Gasser/ Misat) met noot Vlas. [↩]
  9. J.G. Knot, Ontwikkeling van het Nederlandse internationaal erfrecht in de afgelopen twintig jaar, Tijdschrift Erfrecht, 01-08-2023. [↩]
  10. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof pasten in de zaak van de Nederlandse zakenman Hans Breukhoven, die de laatste jaren van zijn leven in de VK woonde en daar een testament liet opstellen, de Europese Erfrechtverordening toe. In het Engelse testament was een rechtskeuze gemaakt voor Engels recht (“I choose English law as the law governing the inheritance of my entire estate.“). De Nederlandse advocaat van de Engelse executor, zelfbenoemd erfrechtspecialist, stelde dat de vererving en afwikkeling van de nalatenschap worden beheerst door Engels recht en baseerde dat op de Europese Erfrechtverordening (Rechtbank Noord-Holland 19 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11507, ro 4.4). De Nederlandse advocaat van een van de kinderen stelt dat Nederlands recht van toepassing is en baseert dat eveneens op de Erfrechtverordening (uitspraak Rb, ro 4.5). De rechter spreekt recht op grond van het feit dat toepasselijkheid van de ErfVo tussen partijen niet in geschil is. ‘Terecht’ zei het Hof (dat bijna twee jaar onderzoekstijd nodig had) en kwam in de volgende stap via twee redeneerwegen tot toepasselijkheid van Nederlands recht. Gerechtshof Amsterdam 22-03-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:841. [↩]
  11. Rechtbank Zeeland 01-05-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2931 [↩]
  12. Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000. [↩]
  13. Mr. S.H. Heijning, Welke rechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek tot machtiging om een internationale nalatenschap te verwerpen namens een minderjarige erfgenaam?, WPNR 2019 / 7253, ► online publicatie. [↩]
  14. Diepgaande toelichting in: A. Bonomi en P. Wautelet, Le droit européen des successions. Commentaire du Règlement nr. 650/2012 du 4 juillet 2012, Brussel, Bruylant, 2016, 75 ev. [↩]
  15. Zie verder: HvJ 1 maart 2018, nr. C-558/16, Mahnkopf/Mahnkopf. [↩]
  16. Verord. (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). [↩]
  17. Art. 13 onderdeel A Uitvoeringswet 5 november 2014 en art. 27a Kadasterwet. [↩]
  18. Beste modellenboekmakers, pak dit hiaat op! Ook van toepassing bij mensen die uit een EU-land naar Nederland zijn geëmigreerd. [↩]
  19. Wilma van Hoeflaken, Europese verklaring van erfrecht ‘Het is beslist een vooruitgang’, Notariaat Magazine juli/augustus 2015; Van Dijken, WPNR 2024/7463, p. 380 [↩]
  20. Hof van Justitie van de EU (HvJEU) in de zaak Brisch (prejudiciële vraag Oberlandesgericht Köln), 17-01-2019 (C102/18), zie verder. [↩]
  21. per e-mail: post voor apenstaart, naam website en punt nl er achter. [↩]
____________________________________________

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *