Niet alle wensen en bepalingen in een testament hebben erfrechtelijke werking
In een testament kunnen eigen wensen worden vastgelegd voor de manier waarop de eigen nalatenschap bij overlijden op zelfgekozen erfgenamen zal overgaan. Maar het erfrecht biedt niet voor elke wens de mogelijkheid, na overlijden in rechte afgedwongen te kunnen worden. Bij zulke wensen kan de testamentmaker er alleen maar op vertrouwen dat de erfgenamen deze vrijwillig zullen uitvoeren. Er is weinig informatie te vinden voor de gewone burger die een testament wil maken, of die een erfenis op basis van een testament moet afwikkelen en verdelen, hoe dat precies zit. Dit artikel geeft uitleg en een overzicht.
1. Wat is een uiterste wilsbeschikking?
In het Wetboek van Erfrecht, Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat er een beperkt aantal mogelijkheden is voor een testamentmaker, om bij leven rechtsgeldig te beschikken over de eigen nalatenschap met werking na overlijden. De mogelijkheden moeten zijn genoemd in de wet erfrecht of in een andere wet. Dat worden uiterste wilsbeschikkingen genoemd, het wetsartikel is 4:42 lid 1 BW:
Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.
De uiterste wilsbeschikkingen kunnen alleen door de persoon zelf worden genomen en kunnen ook weer alleen door deze persoon worden herroepen.
Alleen aan wensen en aanwijzingen in een testament die vallen binnen een in een wet omschreven uiterste wilsbeschikking, verleent de wet erfrechtelijke werking. Daarmee wordt bedoeld dat de bepalingen in het testament na overlijden juridisch een bepaald gevolg hebben. Het belangrijkste rechtsgevolg dat bij een testament geregeld kan worden, is dat het eigendom van de nalatenschap bij overlijden op andere personen overgaat dan in de wet is bepaald. Deze bepaling in een testament heet ‘erfstelling’.
Er zijn nog meer regels in het erfrecht over wat er wel en niet rechtsgeldig in een testament kan worden opgenomen. Bijvoorbeeld dat de bepalingen niet in strijd mogen zijn met de ‘goede zeden’, daarmee worden algemene rechtsnormen bedoeld, en ze mogen niet in strijd zijn met de openbare orde. Deze andere rgels behandelt dit stuk verder niet.
In de wet erfrecht (Boek 4 Burgerlijk Wetboek) zijn zeven verschillende soorten uiterste wilsbeschikkingen limitatief opgesomd. Ook enkele andere wetten kennen ‘beschikkingen na dode‘, bij elkaar zijn er zo’n twintig stuks.1De meeste beschikkingen zijn tamelijk onbekend, zoals de wensen voor de uitvaart, geregeld in de Wet op de Lijkbezorging.2
2. Wensen in een testament moeten vallen onder een in de wet beschreven ‘uiterste wilsbeschikking’, anders zijn ze nietig
De wilsbeschikkingen genoemd in Boek 4, het erfrecht, samen met de rechtshandelingen genoemd in andere wetten, beslaan een twintigtal te onderscheiden soorten rechtshandelingen die als uiterste wilsbeschikking zijn geregeld en officieel als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het gaat altijd om eenzijdige rechtshandelingen en alleen om beschikkingen die in het erfrecht of een andere wet zijn opgenomen en voldoen aan de vormvereisten. Alleen dan kan erfrechtelijke werking worden toegekend.
Uit de wetsregel voor de uiterste wilsbeschikking volgt omgekeerd geredeneerd, dat alle bepalingen in een testament die niet onder een wettelijke uiterste wilsbeschikking vallen ‘nietig’ zijn. Zulke bepalingen mogen voor niet geschreven worden gehouden. Verschillen de erfgenamen of andere belanghebbenden van mening over het al dan niet geldig zijn van een testamentaire bepaling, mag alleen de rechter daarover een besluit nemen.
Een erflater kan en mag wel wensen opnemen in het testament die niet onder een in de wet genoemde mogelijkheid vallen. De erfgenamen kunnen dan op basis van vrijwilligheid besluiten zo’n ‘buitenwettelijke’ wens uit te voeren. Maar als een erfgenaam het daar niet mee eens is, kan na overlijden gewezen worden op de mogelijke ‘nietigheid’ van die bepaling. Dat heet officieel ‘inroepen van de nietigheid’ en daar gelden geen wettelijke vormvereisten voor. Het is wel belangrijk dat alle andere belanghebbenden op de hoogte worden gebracht van de stelling dat een bepaling door iemand voor nietig wordt gehouden.
► zie: Testament maken of erfenis verdelen? Ken het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen.
3. Uitvoer testamentaire bepalingen – erfrecht kent geen toezichthouder
Er bestaan geen handhavingsregels voor het opvolgen van uiterste wilsbeschikkingen en er is geen ‘erfrecht politie’. Onder het oude erfrecht bestond de functie van ’testamentuitvoerder’ (executeur-testamentair), een persoon die in een testament kon worden benoemd om bepaalde wensen in een testament uit te voerren. Deze ‘erfrechtelijke functionaris’ is met ingang van 1 januari 2003 afgeschaft. De nieuwe functie van executeur krijgt uit de wet alleen de bevoegdheid om de nalatenschap te beheren en om een reeks schulden te voldoen die zijn opgesomd in art. 4:7 BW, voor zover deze opeisbaar zijn. Daarom is er in het huidige erfrecht niemand anders dan de erfgenamen, die de verantwoordelijkheid heeft de wensen van de erflater na overlijden uit te voeren.
Het komt regelmatig voor dat erfgenamen de wens in een testament niet uitvoeren waar is bepaald dat er een legaat moet worden gegeven aan een goed doel. Ze informeren het goede doel niet en daarmee is de kous meestal af. Sommige notarissen zien het als hun plicht het goede doel te informeren, ook zonder expliciete opdracht daartoe van de erfgenamen.3
► zie: Executeur-testamentair is afgeschaft in Nederlands erfrecht
Overgang eigen vermogen. Voor de testamentmaker bestaat er dus geen garantie dat het testament na overlijden wordt uitgevoerd zoals gewenst. Wel zeker is altijd dat de eigendom van het eigen vermogen van de erflater bij overlijden in zijn geheel overgaat op de in de wet en/of in het testament genoemde erfgenamen (art. 4:1 BW). Deze hoofdregel voor vermogensoverdracht is dwingendrechtelijk vastgelegd in artikel 4:182 lid 1 BW. Dit wordt de saisine genoemd. Hier kan een testamentmaker niets aan veranderen.
Overgang lopende contracten. Ook worden de erfgenamen automatisch (‘van rechtswege’) opvolgend partij bij overeenkomsten (contracten) die erflater heeft gesloten en die niet met de dood tenietgaan. De Hoge Raad bepaalde dat dit de hoofdregel is.4 De regeling voor het opvolgen bij overeenkomsten is echter van regelend recht, dus daar kan wel van worden afgeweken, en wel in de betreffende overeenkomst. Er kan ook in de overeenkomst worden opgenomen dat een vordering of schuld bij overlijden op een bepaalde (rechts)persoon overgaat. Ook kan bij overeenkomst de opvolging in een bedrijf worden geregeld. Dus er moet na overlijden gekeken worden in de overeenkomsten, of erfgenamen opvolgend partij worden. Bij sommige overeenkomsten bepaalt de wet dat deze eindigt bij overlijden, bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst of de overeenkomst van vertegenwoordiging (volmacht).
Verantwoordelijk voor uitvoer testament. De gezamenlijke erfgenamen zijn verantwoordelijk voor het al dan niet volgen van de wensen in een testament. Vallen bepalingen in een testament onder een wettelijke uiterste wilsbeschikking en worden ze niet uitgevoerd, kan een belanghebbende die daar nadeel van ondervindt, naar de civiele rechter en daar om een oordeel te vragen. Wordt de vordering toegewezen en doen de erfgenamen niets, of niet genoeg, moet het vonnis ’tenuitvoer worden gelegd’ door een deurwaarder.
4. Overzicht uiterste wilsbeschikkingen Nederlands recht
Bijzonder hoogleraar Onderwerpen notarieel recht Willem Breemhaar,5 analyseerde in een dissertatie uit 1992 wat toendertijd, in theorie, als uiterste wilsbeschikking kan worden gezien:6
Burgerlijk Wetboek, Boek 4
- Erfstellingen – art. 4:115 BW
- Legaten – art. 4:117 BW
- Testamentaire lasten – art. 4:130 BW
- Stichtingen – art. 4:135 BW jo. 2:286 lid 2, laatste zin BW
Deze afdeling is ietwat gecompliceerd, want er staat ‘verstopt’ een wilsbeschikking in tot het oprichten van een stichting. Ook bevat deze afdeling van het wetboek erfrecht conversie- en handhaaf voorschriften (art. 4:135 jo. 2:286 lid 2, vierde zin BW). Dat laatste is een uitzondering voor de afwikkeling waar in het algemeen geldt: er zijn geen regels voor handhaving, er is geen erfrechtpolitie. - Executeurs – art. 4:142 BW

Let op. In onderwijs, literatuur en praktijk wordt verwarring gesticht door te spreken van ‘executele‘. De enige dissertatie over de uiterste wilsbeschikking ‘Executeurs’ kreeg deze term als titel mee en de term staat in handboeken die studenten notariaat, advocaten en rechters de juridische systematiek van het erfrecht moeten bijbrengen.
Kernelement van de benoeming tot executeur is dat een persoon wordt benoemd die dan automatisch enkele wettelijke bevoegdheden heeft. Bij deze uiterste wilsbeschikking wordt géén verband over goederen gelegd.
- Met de uiterste wilsbeschikking ‘Executeurs’ kunnen in een testament een of meer executeurs worden benoemd. Een persoon met deze functie heeft dan op grond van de wet bij overlijden automatisch enkele bevoegdheden die normaal gesproken alleen de erfgenamen hebben. Deze bevoegdheden bestaan alleen als er schulden zijn die vallen onder art. 4:7 BW, die direct opeisbaar zijn. Zodra deze schulden zijn voldaan, of wanneer een erfgenaam voldoende middelen ter beschikking stelt om deze schulden te voldoen, vervallen de bevoegdheden van rechtswege.
Er wordt geen verband over de goederen van de nalatenschap ingesteld. De fase waarin een executeur de wettelijke bevoegdheden mag gebruiken kan ‘de executele’ worden genoemd. Of sprake is van deze executiefase, wordt door de (stand van werkzaamheden van de) van de executeur bepaald. Heeft een executeur na overlijden de benoeming niet aanvaard en starten de erfgenamen een kantongerechtsprocedure, is geen sprake van executele en zijn de erfgenamen gezamenlijk verantwoordelijk voor beheer van de nalatenschap en voldoening van schulden. Op grond van het vermogensrecht kan één deelgenoot van een goederengemeenschap zonder instemming van de andere deelgenoten handelingen verrichten ten behoeve van het normaal onderhoud en behoud van de goederen en zaken en handelingen in kwesties die geen uitstel dulden. Daaronder kan ook begrepen worden het voldoen van openstaande bedragen die aangemaand worden. - Testamentair bewind – 4:153 BW
Hier wordt vaak verwarring gesticht door te spreken van de aanstelling van een bewindvoerder, of er wordt gezegd dat je een executeur kunt bekleden met een testamentair bewind. Dat is slecht uitgedrukt of klopt gewoonweg niet. De bewindvoerder is als het ware van rechtswege inbegrepen ter uitvoering van het ingestelde bewind. Is bij uiterste wilsbeschikking in een testament een bewind ingesteld, maar geen bewindvoerder benoemd, kan na overlijden op verzoek van belanghebbenden de kantonrechter deze alsnog benoemen. Het ingestelde bewind, de vorm en de duur zijn bepalend voor de werkopdracht en functieomschrijving van de bewindvoerder.
Wordt er in een testament alleen een bewindvoerder benoemd, zonder verdere uitleg, is dat in eerste instantie geen geldige bepaling. Erfgenamen kunnen samen besluiten dat de erflater heeft bedoeld een bewind in te stellen, maar dan moet wel duidelijk zijn over welke goederen het bewind dan zou zijn ingesteld en voor welke duur. Komt er onenigheid, kan een vordering bij de rechtbank worden ingediend. De rechter kan op grond van art. 3:42 BW besluiten de nietige rechtshandeling om een bewindvoerder te benoemen, te ‘converteren’ in een rechtgeldige als dat niet onredelijk is te achten tegenover de belanghebbenden. - beschikkingen over de vermindering van legaten en testamentaire lasten (art. 4:120 BW, art. 4:121 BW jo. art. 4:130 BW)
- onterving (art. 4:1 BW),
- beschikkingen omtrent het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater (art. 4:13 BW, art. 4:17 BW, art. 4:25 BW, art. 4:27 BW),
- beschikkingen over de wettelijke rechten van afd. 4.3.2 BW (art. 4:30 BW en art. 4:37 BW),
- beschikkingen over de legitieme portie (art. 4:82 BW, art. 4:83 BW, art. 4:87 BW),
- beschikking over het ‘gesloten houden’ van een gedeponeerd onderhandse testament (art. 4:95 BW),
- de herroeping van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:111 BW)
- beschikkingen omtrent de inbreng van giften (art. 4:229 BW)
Burgerlijk Wetboek, Boek 1
- testamentaire uitsluitingsclausule (art. 1:94 lid 4 BW),
- beschikking om niet te verrekenen (art. 1:134 BW)
- ontzegging van het wettelijke ouderlijk vruchtgenot (art. 1:253m BW),
- benoeming van een testamentair voogd (art. 1:292 lid 1 BW).
- benoeming van een bewindvoerder over de verkrijging van een minderjarige of onder curatele gestelde (art. 1:253i lid 4, aanhef en onder c, BW, art. 1:337 BW, art. 1:386 BW),
Burgerlijk Wetboek, Boek 2
- benoeming van een bewindvoerder over de verkrijging van een minderjarige of onder curatele gestelde (art. 1:253i lid 4, aanhef en onder c, BW, art. 1:337 BW, art. 1:386 BW),
- oprichting van een stichting (art. 2:286 lid 2, vierde zin);
Wet op de Lijkbezorging (Wlb) | Wensen uitvaart en asbestemming
- beschikking over wensen omtrent de uitvaart, ter beschikkingstelling van de wetenschap (sectie), en bestemming van de as (art. 18, 19 en 72).
Artikel 18 lid 1 Wlb stelt dat de wensen van overledene zoveel als mogelijk gevolgd moeten worden (door de nabestaanden). Op sommige regels in de Wlb zijn strafsancties gesteld.7
Andere wetten
- herroeping van een schenking of gift bij dode (Boek 7 Burgerlijk Wetboek, art. 7:177 lid 2 BW jo. art. 7:186 lid 1 jo. 7:177 lid 2 BW),
- beschikkingen omtrent persoonlijkheidsrechten van de auteur en de uitvoerend kunstenaar (Auteurswet 1912, art. 25 leden 2 en 4; Wet op de naburige rechten, art. 5 lid 2),
- beschikking omtrent transplantatie (Wet op de orgaandonatie, art. 9 lid 4),
- beschikking tot het geheimhouden van de uiterste wil tot na de uitvaart (Wet op het Notarisambt, art. 49a),
- toestemming tot postmortale procreatie (Embryowet, art. 7, tweede zin, Embryowet).8
Sinds 1 april 2014 kan een voogd ook worden benoemd door middel van een aantekening in het gezagsregister.
5. Conclusie
Er bestaan in Nederland ruim twintig uiterste wilsbeschikkingen. Bepalingen in een testament zijn alleen rechtsgeldig, als ze onder een van deze regelingen zijn onder te brengen. De erfgenamen kunnen gezamenlijk op vrijwillige basis besluiten om een in beginsel ‘nietige’ testamentaire bepaling uit te voeren. Omgekeerd kunnen erfgenamen ook gezamenlijk besluiten een geldige uiterste wilsbeschikking niet uit te voeren. Ondervinden belanghebbenden daar nadeel van, kunnen ze naar de rechter stappen.
Verder lezen in het blog ‘Lang leve de nalatenschap‘
Referenties
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar- Prof. A. Nuytinck stelt in ‘Het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen: weg ermee! (2006)’ dat alleen maar sprake kan zijn van een uiterste wilsbeschikking, als precies deze woorden in de wet zijn gebruikt: “de woorden ‘bij uiterste wilsbeschikking’ zijn sacrosanct”. Onder meer Perrick en Freek Schols zien het iets minder strikt. [↩]
- Iedere notaris, notarieel wetenschapper, estate planner en rechter die spreekt over ‘de begrafenisexecuteur‘, raden we aan even in deze wet te duiken. Wikipedia lezen is zelfs al genoeg. Dan heeft men al een betere eerste indruk dan uit de ‘verhaaltjes’ van deeltijdprof. Bernard Schols… [↩]
- Website KNB, Wat de erflater wil gebeurt – of niet [↩]
- Hoge Raad 23 juni 1989, ‘Erven Gaasbeek’ ► zie: Standaard arresten erfrecht. [↩]
- leerstoel bekostigd door de Stichting ter Bevordering van de Notariële Wetenschap, zie website UvA [↩]
- in theorie, want de nieuwe wet erfrecht, met het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen, lag er al 40 jaar alleen als ontwerp en werd uiteindelijk pas in 2003 ingevoerd. [↩]
- Zie uitgebreid: Ter Haar, WPNR [↩]
- Hierover publiceerde Nuytinck, met een kritische blik 2003, 2006. [↩]



