Baken in het testamentair erfrecht, is de uiterste wilsbeschikking
Het testamentair erfrecht in Nederland draait sinds 2003 om de zogenaamde ‘uiterste wilsbeschikking‘. Het leerstuk zou iedere student erfrecht met de paplepel moeten worden ingegoten, in de breedte en de diepte. Elke notaris zou het op de bijscholingscursus “Nieuw erfrecht” moeten hebben geleerd en elke advocaat die zich afficheert als ‘specialist erfrecht’ hoort het te kunnen dromen.
Vreemd genoeg is dat niet het geval. Er bestaat overal onduidelijkheid over de juridische betekenis, rol en werking van het begrip, ook bij mensen die op grond van bepalingen in een testament als derde betrokken zijn bij de afwikkeling van de nalatenschap van anderen en bevoegdheden uitoefenen in de rol van executeur en bewindvoerder.
Daar zijn meerdere redenen voor aan te wijzen:
- uiterste wilsbeschikking lijkt op wilsbeschikking, uiterste wil en wilsverklaring – leken, deskundigen en internet zoekmachines mixen de begrippen;
- de begrippen uiterste wilsbeschikking en uiterste wil hadden binnen het oude erfrecht een andere betekenis en werking dan onder het huidige recht. Dat is in de praktijk niet overal goed doorgedrongen. Veel notarieel juristen werken nog steeds met een dissertatie uit 1992 van Wouter Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, toen het nieuwe erfrecht nog lang niet was ingevoerd.1 Zie het artikel:Uiterste wilsbeschikking en uiterste wil, wat is het verschil.2
- België gebruikt het begrip wilsbeschikking voor een document met wensen voor de uitvaart. Onoplettende tekstschrijvers van Nederlandse websites nemen informatie over uit het Belgisch recht zonder zich daarvan bewust te zijn. Dat doen AI bots als ChatGPT ook. Van de eerste vijftien zoekresultaten op de vraag “wat is een wilsbeschikking” geven 12 websites ronduit foute informatie. Daarvan tien uitvaartondernemingen, de thuisnotaris en de doehetzelfnotaris. Drie websites doen het goed: infotaris, de rijksoverheid en de patientenfederatie. ))
- veel websites met informatie over erfrecht hebben als doel klanten te trekken voor verkoop van advertenties, notariële aktes en zakelijke dienstverlening. De teksten worden opgebouwd rond steekwoorden die door zoekmachines en ChatGPT gevonden moeten worden. De tekstschrijvers krijgen niet als opdracht mee, dat de teksten juridisch moeten kloppen.
Met zoveel onjuiste informatie is het begrijpelijk dat er bij de afwikkeling van een erfenis vaak ruzie ontstaat. Het streven van dit coöperatieve kennisplatform is betrouwbare, controleerbare en juiste informatie te verstrekken onder het motto: “Erfrecht voor iedereen”, met als doel testamentmakers, erfgenamen en nalatenschappen te beschermen tegen onnodig hoge kosten veroorzaakt door slecht opgeleide erfrecht professionals, botweg aan te duiden als nalatenschapsmee-eters.
1. De erfrechtelijke betekenis van uiterste wilsbeschikking
Uiterste wilsbeschikking is een begrip uit het erfrecht dat in verschillende landen in hun eigen taal wordt gebruikt voor de juridische manier waarop iemand bij leven persoonlijk kan bepalen wat er met haar of zijn nalatenschap (erfenis) gebeurt na overlijden.In Duitsland heet dit letztwillige Verfügung, in Frankrijk disposition à cause de mort. Het Belgisch erfrecht, dat in 2022 ingrijpend is herzien en gemoderniseerd, gebruikt ”de wil van de erflater” (art. 4.2 BW), testament en uiterste wilsbeschikking (art. 4.192 e.v. BW). Met het begrip laatste wilsbeschikking wordt in België het document bedoeld waarmee de wensen voor de uitvaart vastgelegd kunnen worden.3
Het Nederlands erfrecht kent sinds 2003 een definitie van het begrip uiterste wilsbeschikking, te vinden in artikel 4:42 BW: het is een eenzijdige herroepelijke rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na overlijden en die in Boek 4 is geregeld of elders in een wet als zodanig wordt aangemerkt. Het laatste betekent dat niet elke wens voor overdracht, beheer, afwikkeling en verdeling van de nalatenschap in een testament rechtskracht heeft na overlijden, maar alleen de wensen die onder een in de wet genoemde zogenaamde ”uiterste wilsbeschikking” vallen.
De uiterste wilsbeschikking kan alleen worden gemaakt en herroepen door de persoon zelf om wiens of wier nalatenschap het gaat, vertegenwoordiging door, of medewerking van een derde is niet toegestaan. Wel kunnen derden als een advocaat, notaris of belastingadviseur ondersteunen bij het vinden van de juiste juridische formuleringen en fiscale besparingsmogelijkheden. Het maken van een uiterste wilsbeschikking is een rechtshandeling, de persoon moet bij het opmaken daarvan wilsbekwaam zijn en de wil geuit hebben een testament te willen maken (art. 3:32 en 3:33 BW). De making en herroeping moeten worden vastgelegd in een notariële akte of een onderhandse akte die aan de notaris in bewaring is gegeven (art. 4:94 BW). Dit is een strikt vormvereiste, ter bescherming van de maker. In de wet erfrecht heten deze akten uiterste wil, in het spraakgebruik testament. De wet noemt het wereldwijd bekende en eeuwenoude begrip testament vreemd genoeg niet. Verdere regels staan in Boek 4, titel 4, afdeling 1; afdeling 2 en afdeling 5 en titel 5 BW.
Alleen bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt kan worden afgeweken van de algemene wettelijke regels voor erfopvolging (art. 4:1 BW). Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat (art. 4:115 BW). Algemene hoofdregel voor de bepalingen in een testament is daarom: alleen aan bepalingen die onder de reikwijdte van een in de wet erfrecht of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking vallen, kan erfrechtelijke werking worden toegekend. Bepalingen die dat niet doen zijn in beginsel nietig.
Onder het erfrecht dat tot 2003 gold, werd voor de rechtshandeling die nu uiterste wilsbeschikking heet, ook het begrip uiterste wil gebruikt, zo kon een testamentuitvoerder of testamentair bewindvoerder bij uiterste wil worden benoemd. De wijziging van begripsgebruik en de verschillen in rol, functie en werking van de beide begrippen in het huidige recht zijn nog niet overal doorgedrongen, blijkt in literatuur over en bij toepassing van het erfrecht.
Zie het artikel: Uiterste wilsbeschikking en uiterste wil – wat is het verschil?
In de testamentenpraktijk worden bijvoorbeeld modelregelingen gebruikt als het langstlevende testament, een democratieclausule en de executeur-afwikkelingsbewindvoerder, met bepalingen die niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen en daarom nietig zijn als ze in een testament staan.
Zowel de vrijheid voor erflater om te bepalen wat er met zijn eigendommen gebeurt na overlijden en wie erfgenaam is, als de vrijheid voor erfgenamen de nalatenschap na overlijden daadwerkelijk in eigendom te verkrijgen, er over te beschikken en deze te behouden, zijn rechten gebaseerd op het Europees grondrecht op ongestoord genot van eigendom die in alle lidstaten van de Europese Unie gelding hebben voor hun burgers (EVRM art. 1 aanvullend protocol), in Nederland opgenomen in de Grondwet.4
2. Inhoud en erfrechtelijke werking
Een kenmerkende eigenschap van de uiterste wilsbeschikking is, dat zij als rechtshandeling tot stand komt op het moment van het maken van een testament, erflater dus leeft, maar pas effect sorteert na het overlijden van de erflater. Met de uiterste wilsbeschikkingen kan men de zelf gewenste verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke overgang van het eigen vermogen vastleggen, dat wil zeggen dat men kan bepalen op welke (rechts)personen het hele samenstel van zakelijke en vermogensrechten waaruit de nalatenschap bestaat, na overlijden overgaat. Daaronder kunnen goede vrienden zijn, stiefmoeders, goede doelen, onderwijsinstellingen of de staat, maar bijvoorbeeld niet de zorginstelling waar men werd verpleegd of de notaris die het testament opstelde (art. 4:59 BW, art. 20 Wet op het notarisambt Wna).
Bij uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt kan worden afgeweken van het wettelijk erfrecht, dat heet in het jargon erfopvolging bij versterf, waarmee bedoeld wordt de regeling die geldt bij sterven zonder dat een testament is gemaakt (art. 4:1 lid 2 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan men ook nadere rechten aan de erfgenamen toekennen, hen verplichtingen opleggen (testamentaire lasten), aan anderen verbintenisrechtelijke vorderingen op de erfgenamen toekennen, de legaten of het beheer over de goederen na overlijden tijdelijk bij een ander dan de erfgenamen leggen (benoeming executeur of instellen testamentair bewind). De rechten die de executeur en bewindvoerder op grond van een uiterste wilsbeschikking krijgen toebedeeld, zijn niet van goederenrechtelijke, maar van verbintenisrechtelijke aard. In goederenrechtelijke zin zijn de erfgenamen bij overlijden gezamenlijk eigenaar van alle nalatenschapsgoederen en -rechten geworden. Een uiterste wilsbeschikking kan altijd eenzijdig, door de maker, worden herroepen (art. 4:42 lid 3 BW), dat moet ook weer bij uiterste wilsbeschikking, opgenomen in een uiterste wil. Net als het opmaken van een testament is ook het wijzigen of intrekken een hoogstpersoonlijke aangelegenheid, wat bijvoorbeeld betekent dat bij een getrouwd paar één persoon het eigen testament kan wijzigen of opheffen zonder het de ander te hoeven vertellen. Het is mede daarom altijd verstandig na overlijden het Centraal Testamentenregister te raadplegen.
3. Wettelijke regeling voor overgang van nalatenschap en verbintenissen bij overlijden
Er bestaat geen uiterste wilsbeschikking waarmee een eigen regeling kan worden ontworpen voor de goederenrechtelijke overgang van de nalatenschap van erflater op de erfgenaam of erfgenamen. De manier waarop de nalatenschap overgaat is dwingendrechtelijk voorgeschreven in artikel 4:182 BW, de zogenaamde ‘saisine-regel‘. Daarin staat, dat bij overlijden van een persoon de erfgenamen hem van rechtswege opvolgen in alle voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap en dat de erfgenamen in plaats van erflater schuldenaar worden van alle schulden die niet met de dood tenietgaan. Hierop geldt één uitzondering, vastgelegd in artikel 4:13 BW, de zogenaamde ‘wettelijke verdeling‘, voor de situatie dat er bij overlijden een partner uit huwelijk of registratie is met eigen kinderen uit deze relatie of een andere. In dat geval volgt alleen de partner van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater, het kind of de kinderen van overledene worden wel erfgenaam genoemd maar aan hen wordt niets overgedragen, ze worden geen deelgenoot van de nalatenschap en hebben geen zeggenschap bij de afwikkeling. Met wettelijke verdeling wordt bedoeld: de wet regelt de toedeling van de nalatenschap aan één persoon, er ontstaat geen erfgemeenschap met meerdere deelgenoten en er hoeft niets verdeeld te worden. De kinderen krijgen niets in handen, slechts een vordering in geld op de langstlevende ter hoogte van hun theoretisch erfdeel dat pas opeisbaar is bij overlijden, voor wat er dan nog van over is.
Krachtens artikel 3:80 BW verkrijgen erfgenamen van erflater onder ‘algemene titel’ alle goederen van de nalatenschap, er is geen aparte handeling van levering nodig. Goederen van de nalatenschap zijn zaken en vermogensrechten (art. 3:1 BW). Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 lid 1 BW), daaronder vallen ook digitale zaken als bankrekeningen en de Hoge Raad bepaalde dat daar ook tegoeden van online games zijn onder te brengen. Bij de waardebepaling gaat de wet uit van de marktwaarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater (art. 4:6 BW), waarbij geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten. Krachtens artikel 6:249 BW volgen erfgenamen erflater op als partij bij overeenkomsten, deze regel is van aanvullend recht wat betekent dat men in overeenkomsten van deze algemene wettelijke hoofdregel kan afwijken en regelen dat iemand anders na overlijden als partij in de plaats van overledene komt.5 De erfgenamen kunnen op grond van deze regel lopende overeenkomsten opzeggen en (onder dezelfde condities) verlengen, of toegang vragen tot goederen waarover de overeenkomst betrekking heeft. De andere partij moet de erfgenamen als opvolgend partij accepteren, tenzij andere geregeld in de overeenkomst met overledene.
Ook kan buiten het erfrecht om worden afgesproken wie een persoon bij overlijden opvolgt in een bepaalde functie. Er is geen uiterste wilsbeschikking voor schulden, deze horen ook niet tot de nalatenschap. Erfgenamen worden op grond van art. 4:182 BW opvolgend partij in schuldposities van overledene en op grond van art. 4:7 BW mogen schuldeisers van overledene hun vorderingen verhalen op de nalatenschap die zijn of haar erfgenamen in eigendom hebben verkregen, na een rustperiode van drie maanden.
De automatische overgang van de nalatenschap uit handen van de overledene direct in handen van de erfgenamen, zonder juridische formaliteit, wordt het beginsel van de ‘saisine‘ genoemd.”Le mort saisit le vif” (de dode geeft de levenden de macht), een bepaling terug te vinden in de Franse Code Civil, na de revolutie daarin opgenomen om te voorkomen dat eigendom weer terug kon vallen aan de leenheer. Er kan niet van de saisineregel worden afgeweken, noch vooraf, noch achteraf. Wel kan bij uiterste wilsbeschikking een overgang in twee trappen worden geregeld (tweetrapsmaking of fideï-commis) en kan aan (rechts)personen het recht worden gegeven bepaalde goederen, rechten of een geldsom bij de erfgenamen op te vorderen (legaat). Na overlijden kan de verkrijging door een erfgenaam zelf ongedaan worden gemaakt door de erfenis te verwerpen. Door beneficiair te aanvaarden is een erfgenaam niet met het eigen vermogen aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap, door zuivere aanvaarding accepteert men persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor voldoening van alle schulden als de nalatenschap onvoldoende verhaal biedt. De erfkeuzes hebben in Nederland terugwerkende kracht tot overlijden.
4. Gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen
In Nederland geldt sinds 2003 een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Daarmee wordt bedoeld dat bepalingen in een uiterste wil (testament) binnen de reikwijdte van een in het erfrecht of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking moeten zijn onder te brengen om erfrechtelijke werking te kunnen ontvouwen, dat betekent dat wat de testamentenmaker bij leven heeft bepaald, bij overlijden juridische werking krijgen. Valt een bepaling uit een testament niet onder een uiterste wilsbeschikking, is deze als rechtshandeling ‘nietig’, wat betekent dat deze in erfrechtelijke zin nooit heeft bestaan en niet kan worden afgedwongen met juridische middelen. Dat volgt uit de algemene regels voor nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen die zijn opgenomen in Boek 3 BW, aldus wetgever tijdens de parlementaire behandeling.6 Het erfrechtelijk gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen sluit aan bij het gesloten systeem van het Nederlands goederenrecht voor de soorten van eigendom en de manieren van overdracht. Ook andere rechtsgebieden, zoals dat van de bijzondere overeenkomsten en het rechtspersonenrecht, kennen een vergelijkbare systematiek. Inmiddels hebben drie verschillende hogere rechters geoordeeld, dat het gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen niet door afwijkende bepalingen in een testament kan worden ‘opgerekt’.7 8 9
5. De wet erfrecht somt zeven soorten uiterste wilsbeschikkingen op, Boek 4, titel 5 BW:
- erfstellingen (artt. 4:115 – 116)
- legaten (artt. 4:117 – 129);
- testamentaire lasten (artt. 4:130 – 134);
- stichtingen (art. 4:135);
- makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde (artt. 4:136 – 141);
- executeurs (artt. 4:142 – 152);
- testamentair bewind (artt. 4:153 – 181)
Verder worden er verspreid in het erfrecht nog een aantal minder verstrekkende uiterste wilsbeschikkingen genoemd, bijvoorbeeld in de regeling voor de wettelijke verdeling, de opeisbaarheid van het vorderingsrecht van de kinderen.10
Ook buiten het erfrecht zijn er mogelijkheden om bij leven eenzijdig te beschikken met werking na overlijden, zoals wensen voor de uitvaart, genoemd in artikel 18 lid 2 Wet op de Lijkbezorging, de testamentaire uitsluitingsclausule in Boek 1, art. 94 BW en het beding dat geen verrekening plaatsvind indien dat volgens huwelijkse voorwaarden zou horen plaats te vinden (art. 1:134 BW) of de beschikkingen omtrent de persoonlijkheidsrechten van auteur en uitvoerend kunstenaar (art. 25 leden 2 en 4 Auteurswet, art. 5 lid 2 Wet op de naburige rechten. Ook is er het verrekenbeding in partnerschapsvoorwaarden of een schenking die wordt uitgekeerd na overlijden, dit wordt ”quasi-erfrecht” genoemd.11 12 13
6. Modellen voor gebruik in een testament door de notaris
De notariële praktijk gebruikt eigen constructies of modellen met bepalingen die buiten het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen gaan en op grond daarvan dus geen erfrechtelijke werking hebben, waarvan de rechtsgeldigheid niet is af te leiden uit bestendige jurisprudentie en die evenmin zijn getoetst door de hogere rechter.14 Bekende buitenwettelijke constructies zijn de driesterrenexecuteur ofwel executeur-afwikkelingsbewindvoerder, de quasi-wettelijke verdeling, de democratieclausule en de welwillendheidsbeslissing van de rechter.15 16 Achtergrond voor het bedenken van zulke buitenwettelijke constructies ligt deels in een door het notariaat vastgestelde maatschappelijke behoefte maar ook in het omzeilen van fiscale regels of het genereren van inkomsten door in een testament betrokken te worden bij de afwikkeling van een nalatenschap, des temeer bevoegdheden, des temeer werk.17 18 19 20 Dergelijke modellen worden vaak jarenlang door de notaris geadviseerd en in testamenten opgenomen maar noch het gebruik in het notariaat, noch het bestaan van een maatschappelijke behoefte was voor het Gerechtshof Amsterdam reden om een notariële modelbepaling rechtsgeldig te achten die niet binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen viel.21
7. Testamentaire bepalingen die niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen
Is een bepaling in een uiterste wil voor nietig te houden, is het aan de rechtsverkrijgenden, de erfgenamen gezamenlijk, de bepalingen al dan niet te volgen. Belanghebbenden als legitimaris, legataris en andere schuldeisers, of een executeur, en/of bewindvoerder, kunnen bij de rechter een oordeel vragen wanneer ze het niet eens zijn met een beroep op de nietigheid door een of meer erfgenamen, of de bepalingen vrijwillig opvolgen. Nietigheid betekent, dat de rechtshandeling in juridische zin wordt beschouwd alsof deze niet heeft plaatsgevonden. Er is geen bepaalde formele handeling nodig. Wel moet duidelijk worden gemaakt dat men van mening is, dat sprake is van een nietige testamentaire bepaling. Deze uiting kan informeel plaatsvinden, bijvoorbeeld via een bespreking, een online berichtendienst of e-mail, maar kan ook gebeuren door het laten opstellen van een verklaring, door bijvoorbeeld een deurwaarder of notaris.
Een deurwaarder kan de verklaring officieel bezorgen (‘betekenen’) bij de andere erfgenamen, legatarissen en legitimarissen (voorzover voor hen van belang) en indien betrokken de executeur / afwikkelingsbewindvoerder, boedelnotaris en de notaris die de akte opstelde. Een notaris kan de akte laten inschrijven in het kadaster of ander register, als er zich registergoederen in de nalatenschap bevinden. Zo weten andere notarissen, of eventuele kopers, dat ze niet zondermeer kunnen afgaan op handelingen verricht op grond van de betreffende bepalingen in het testament – een praktische bescherming voor erfgenamen die er waarde aan hechten dat hun rechten worden gerespecteerd.
Hierbij is het verstandig zich te verzekeren van het advies van een advocaat die niet ook zelf als executeur optreedt, of waarvan kantoorgenoten dat doen, en die niet onverbiddelijk de driesterrenleer van Schols aanhangt. Een nietigverklaring kan er namelijk toe voeren dat een bepaalde rechtsgang of rechtshandeling geen doorgang vindt of vertraging oploopt. Houdt een rechter de nietigverklaring uiteindelijk voor onterecht, kan er aansprakelijkheid zijn voor opgelopen schade.
Het juridische gevolg van een verklaring terzake van nietigheid die is ingeschreven in de registers is, dat een eventuele koper van dat goed, niet te goeder trouw af kan gaan op handelingen van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder op basis van de nietig verklaarde bepalingen. Als de koop achteraf wordt teruggedraaid omdat een rechter heeft vastgesteld dat een executeur-afwikkelingsbewindvoerder onbevoegd handelde op basis van een nietige testamentaire bepaling, kan de koper niet zeggen: daar wist ik niets van, ik mag afgaan op wat de verkopende persoon mij heeft verteld. Dat laatste wordt ‘derdenbescherming’ genoemd. Een executeur-afwikkelingsbewindvoerder of notaris die meewerkt aan levering van dat goed, of meewerkt zonder de verklaring over de (vermeende) nietigheid in de leveringsakte op te (laten) nemen, handelt mogelijk onrechtmatig tegenover de erfgenamen.22
Het volgen van nietige bepalingen in een uiterste wil kan juridisch niet afgedwongen worden. Het kan wel zijn dat andere gerechtigden en belanghebbenden het anders zien en de betreffende bepalingen niet voor nietig houden. Dan moet bij de rechtbank een verklaring voor recht worden gevraagd om uitsluitsel te krijgen over de juridische status van de betreffende bepaling. Voor deze procedure is bijstand van een advocaat verplicht. In een huurrechtzaak bepaalde de Hoge Raad, dat de rechter bij een ongeldige opzegging ambtshalve dient te toetsen of conversie mogelijk is.23
Bernard Schols voerde een rechtswetenschappelijke analyse uit in zijn promotie-onderzoek met betrekking tot de rechtsvraag of bij testament aan een executeur de bevoegdheid kan worden gegeven de erfenis van anderen te verdelen. Hij kwam tot dezelfde conclusie als eerder gepubliceerd in het WPNR, dat een testamentaire aanwijzing aan een derde om de nalatenschap (op een bepaalde manier) te verdelen, niet is onder te brengen bij een uiterste wilsbeschikking naar het huidige Nederlandse recht.24 25 De dissertatie stamt uit 2007 maar wordt in de notariële praktijk en notarieelrechtelijke wetenschap nog steeds als gezaghebbend beschouwd, mede omdat niemand zich daarna aan het onderwerp heeft gezet.26 Schols schrijft niet letterlijk dat testamentaire bepalingen die niet onder een in de wet genoemde uiterste wilsbeschikkingen zijn te brengen nietig zijn. Hij formuleerde als volgt: “een in eerste instantie niet in het stelsel passende uiterste wilsbeschikking” c.q. “Een echter, op het eerste gezicht, niet in het stelsel passende uiterste wilsbeschikking“. Maar nietigheid is de logische erfrechtelijke en vermogensrechtelijke consequentie van de vaststelling die Schols in zijn dissertatie doet. Voorts noemt Schols als volgende stap het juridische instrument van de ‘conversie’ dat zou kunnen worden ingezet om de in eerste instantie nietige bepalingen alsnog binnen het gesloten stelsel te brengen.27 Conversie (art. 3:42 BW) kan uitsluitend worden toegepast wanneer sprake is van een nietige rechtshandeling, dus er kan geen misverstand bestaan over het rechtsgevolg van de door Schols getrokken conclusie.
Zie het artikel: Verdeling erfenis door driesterren executeur is geen uiterste wilsbeschikking, erkent Bernard Schols in dissertatie
8. Conversie
De wetgever verklaarde bij de behandeling van het wetsontwerp nieuw erfrecht, dat de algemene regeling voor conversie van art. 3:42 BW, ook mag worden toegepast bij bepalingen in een testament.
Zijn in een testament bijvoorbeeld bepalingen opgenomen onder de titel van een uiterste wilsbeschikking, bijvoorbeeld ‘executeur’, die niet binnen de grenzen van die uiterste wilsbeschikking vallen en daarom in beginsel nietig zijn, maar die wel zijn in te passen bij een andere uiterste wilsbeschikking, bijvoorbeeld ’testamentair bewind’, kan de rechter beoordelen of conversie in rechtsgeldigheid mogelijk is. Aldus de minister van justitie tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Boek 4.
Het gaat er volgens de wetgever niet zozeer om welke woorden er zijn gebruikt, maar wat de wens van de erflater was. Dat wordt het materiële gezichtspunt genoemd. Als door uitleg van het testament de achterliggende wens boven tafel komt, en deze is in te passen binnen een andere uiterste wilsbeschikking, kan conversie worden toegepast. Dat kan minnelijk; de bij de nietige rechtshandeling betrokken en belanghebbende partijen komen onderling overeen te converteren. Lukt dat niet, is het aan de rechter. Binnen het rechtswetenschappelijk denken over het leerstuk conversie, wordt het instrument gezien als een redelijkheidscorrectie vanuit de expliciete of impliciete bedoeling of wens van degene die de in beginsel nietige rechtshandeling heeft verricht en met de inachtneming van alle betrokken belangen. Om over te kunnen gaan tot conversie, moet in het algemeen aan drie voorwaarden zijn voldaan:
- De strekking van de nietige rechtshandeling moet beantwoorden aan die van een geldige rechtshandeling
- Aangenomen moet kunnen worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht indien van de eerste rechtshandeling zou zijn afgezien, en
- De conversie mag niet onredelijk zijn jegens een belanghebbende die niet als partij tot die rechtshandeling heeft meegewerkt. Dit geldt met name bij eenzijdige rechtshandelingen.
Het opmaken van een testament is een eenzijdige rechtshandeling en de testamentmaker is overleden. Als belanghebbenden in de zin van art. 3:42 BW kunnen ondermeer de erfgenamen worden gezien. De rechter heeft dus te toetsen of conversie onredelijk is te achten tegenover de erfgenamen. Bernard Schols betoogt in zijn dissertatie dat sprake is van een ‘erfrechtelijke conversieplicht’.28 Daar willen we bij opmerken dat deze houding lijkt te getuigen van een zekere misachting voor de beginselen van de rechtsstaat. Het oordeel is aan de rechter en deze heeft op de voet van art. 3:42 BW als absolute voorwaarde te toetsen of conversie in rechtsgeldigheid onredelijk is te achten voor belanghebbenden die geen partij waren bij de rechtshandeling. Dat zijn in ieder geval de erfgenamen. Bij bepalingen in een uiterste wil die niet onder de uiterste wilsbeschikking vallen waarbinnen ze in een testament gekaderd zijn, moet beoordeeld worden of ze geheel of gedeeltelijk binnen de reikwijdte van een andere uiterste wilsbeschikking zijn onder te te brengen, en vervolgens of de transformatie in een rechtsgeldige beschikkingshandeling onredelijk is te achten voor de erfgenamen.29 De huidige wet erfrecht kent geen uiterste wilsbeschikking die het geven van een verdelingsaanwijzing mogelijk maakt, evenmin is er een uiterste wilsbeschikking die zelfstandig verdelen door de bewindvoerder mogelijk maakt. Heeft een rechter te beoordelen of bepalingen in een testament eventueel bij artikel 4:171 BW dienen te worden ondergebracht, zal conversie in rechtsgeldigheid meebrengen dat de eigendomsrechten van erfgenamen sterk worden ingeperkt. Gelet op het grondrecht van een ongestoord genot van eigendom, zal het lastig worden niet tot het oordeel te komen dat conversie onredelijk is wanneer de erfgenamen meerderjarig zijn en handelingsbekwaam. De bepalingen in de uiterste wil zijn immers niet gebaseerd op nationale wetgeving, uitgevaardigd in het algemeen belang. De notariële modelregeling is ontworpen om een oerbehoefte in het notariaat te bevredigen de executeur alle macht te geven door de rechten van erfgenamen te doen verstikken – dat is geen algemeen belang en moet strijdig worden geacht met de goede zeden.
Speelt een testamentaire bepaling die erfrechtelijk op losse schroeven staat, een rol bij het opmaken van een verklaring van erfrecht door de notaris, is het niet aan de notaris de bepaling te duiden. 30 Of om de bepaling commentaarloos in de verklaring van erfrecht over te nemen. Als een erfgenaam de nietigheid van een bepaling heeft ingeroepen, zal dat horen te worden vermeld in de verklaring. Er kan door de notaris advies worden gegeven aan de erfgenamen, maar alleen zij kunnen gezamenlijk een beslissing nemen en bij verschil van mening de kwestie aan de rechter voorleggen.31
Nietige testamentaire bepalingen door conversie in rechtsgeldigheid transformeren? – tips voor de advocaat >> klik om te openen
Schols oppert in zijn dissertatie, dat testamentaire bepalingen die een afwikkelingsbewindvoerder bevoegd maken de nalatenschap te verdelen, die ‘in eerste instantie’ c.q. ‘op het eerste gezicht’ niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen, mogelijk aan rechtsgeldigheid kunnen worden geholpen door het instrument van de ‘conversie’ in te zetten. Schols formuleert in bevelende toon: de bepalingen dienen te worden geconverteerd. Hij bouwt het verhaal op dat er een erfrechtelijke conversieverplichting zou bestaan (zie b.v. p. 100 dissertatie). Schols vermeldt niet dat een beslissing daarover niet door een notaris kan worden genomen, ook niet de notaris die het testament heeft opgesteld. Conversie kan uitsluitend door de rechter worden toegepast, art. 3:42 BW, en deze heeft de onredelijkheidstoets door te voeren. Acht de rechter conversie onredelijk tegenover belanghebbenden die niet betrokken waren bij opstellen van de rechtshandeling, mag niet worden geconverteerd. Gaat het om conversie van nietige testamentaire bepalingen die bewust zijn opgesteld met het doel de eigendomsrechten in te perken die erfgenamen rechtsgeldig aan de nalatenschap hebben verkregen op grond van art. 4:182 BW, komt mogelijke strijd met het grondrecht op een ongestoord genot van eigendom in het spel, beschermd door art. 1 eerste protocol EVRM. Het lijkt ‘juridisch veilig’ een beroep te doen op de nietigheid, onder verwijzing naar de conclusie van Schols in zijn dissertatie (p. 425 ) en de verklaring bij deurwaardersexploit bij de bewindvoerder te laten betekenen.
9. De Crux: testamentaire bepalingen die geen uiterste wilsbeschikking zijn
Een testament kan bepalingen bevatten die geen uiterste wilsbeschikking zijn maar op andere wetsartikelen berusten, bijvoorbeeld een bepaling over het loon van de executeur of over de bevoegdheden van de bewindvoerder die opereert binnen een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld testamentair bewind (resp. art. 4:144 lid 2 en 4:171 lid 1 BW). Zulke bepalingen werden door het Hof Den Haag gezien als nadere regeling die deel uitmaakt van de uiterste wilsbeschikking.32 Ze mogen niet buiten de grenzen van de wettelijke regels voor de betreffende wilsbeschikking gaan, anders zijn ze eveneens nietig.33
Bevat een testament bepalingen die niet binnen de reikwijdte van een uiterste wilsbeschikking zijn onder te brengen en ondervindt een erfgenaam of belanghebbende als een schuldeiser daar mogelijk nadeel van, hoeft men zich daar niet bij neer te leggen en kan een beroep worden gedaan op de nietigheid of vernietigbaarheid. Het testament blijft voor het overige in stand. Twee verschillende Gerechtshoven bevestigden de hoofdregel en hielden bepalingen in een testament die geen uiterste wilsbeschikking waren voor nietig, een derde Hof bevestigde de hoofdregel maar hield de bestreden testamentaire bepaling voor geldig. Voor een beroep op de nietigheid gelden geen vormvereisten maar vanwege de bewijskracht kan gedacht worden aan de schriftelijke vorm of bij notariële akte. Houden andere belanghebbenden de bepaling echter voor geldig, moet bij de rechter een verklaring voor recht worden gevraagd.
Regelmatig voorkomende testamentaire bepalingen die niet binnen de reikwijdte van een uiterste wilsbeschikking vallen, zijn aanwijzingen voor verdeling van de nalatenschap of toekenning van de bevoegdheid de nalatenschap zelfstandig te verdelen aan de executeur of bewindvoerder.34
10. Verschil uiterste wilsbeschikking en uiterste wil
Van het begrip uiterste wilsbeschikking moet worden onderscheiden het begrip uiterste wil, dat is de wettelijk voorgeschreven vorm waarbij een of meer uiterste wilsbeschikkingen rechtsgeldig kunnen worden gemaakt en herroepen (art. 4:42 lid 3 BW] en art. 4:111 BW).35 Onder ”’uiterste wil”’ verstaat de wet de authentieke notariële of onderhandse akte of het handgeschreven stuk (testament of codicil) waarin de uiterste wilsbeschikkingen kunnen worden opgenomen (art. 4:94 BW en 4:97 BW), of het geheel van uiterste wilsbeschikkingen in verschillende documenten (bv art. 4:46 BW en art. 4:47 BW).36 Beide begrippen zijn niet gelijk te stellen. In een uiterste wil kunnen ook andere, nadere bepalingen worden opgenomen, deze hebben echter andere rechtsgevolgen dan de in een uiterste wil opgenomen uiterste wilsbeschikkingen. Er is bijvoorbeeld geen goederenrechtelijke werking.
Mist een notariële akte authenticieit door het schenden van vormvoorschriften, bijvoorbeeld omdat de notaris er geen jaartal op heeft gezet of de notaris niet bevoegd was de akte op te maken wegens een tuchtrechtelijke schorsing, is de akte vernietigbaar (art. 4:109 lid 4 BW). Met een vernietiging van de uiterste wil zouden ook de daarin vastgehouden uiterste wilsbeschikkingen van tafel zijn (art. 3:39 BW). De Hoge Raad bepaalde echter dat het voor misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) wordt gehouden wanneer een belanghebbende de vernietigbaarheid van de uiterste wil inroept omdat het jaartal mistte, terwijl op een andere manier kan blijken in welk jaar de akte is opgemaakt.37
Onder het oude recht, dat tot 2003 gold, was er geen gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen en werd er veel geprocedeerd over de geldigheid van testamentaire bepalingen. Daar wilde wetgever duidelijkheid verschaffen. Verder hadden onder het oude recht de begrippen uiterste wil en uiterste wilsbeschikking een andere betekenis.38 Zo konden er onder het oude Nederlands erfrecht bij uiterste wil een testamentuitvoerder (exécuteur testamentaire) en een testamentair bewindvoerder worden aangesteld. Dergelijke bepalingen in een testament opgemaakt onder huidig recht zijn nietig. Mensen die lang onder het oude erfrecht beroepsmatig in het vakgebied werkten, gebruiken de begrippen vaak nog steeds door elkaar zonder zich ervan bewust te zijn dat onder het huidige recht alleen die bepalingen in een uiterste wil rechtsgeldig zijn, en de beoogde erfrechtelijke werking hebben, die binnen de reikwijdte van een uiterste wilsbeschikking vallen.
- Zie hierover uitgebreid het artikel: Uiterste wilsbeschikking en uiterste wil – wat is het verschil?
Veel gelezen:
Bronvermeldingen, commentaar, aanvullende informatie
Voetnoten | bronvermeldingen en commentaar- Groningen: Kluwer 1992.[↩]
- Prof. mr. S. Perrick schrijft in de Asser 4 (editie 2021) over het wetsartikel 4:171 BW dat het een uiterste wilsbeschikking is, terwijl het een nadere regeling is die bij uiterste wil kan worden vormgegeven, de uiterste wilsbeschikking is het instellen van een testamentair bewind. [↩]
- Zie: Kamerstukken op de website 2019 2020 Belgische Kamer van volksvertegenwoordiging 55e zittingsperiode, DOC55 1272/001 p. 7 (PDF) en officiële website: vlaanderen.be/laatste-wilsbeschikking [↩]
- Artikel 17 – Het recht op eigendom, European Union Agency for Fundamental Rights [↩]
- Handboek Asser/Perrick 4, Erfrecht en Schenking (2021) nr. 436, Wolters Kluwer [↩]
- Memorie van toelichting – Invoering Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van nieuw Burgerlijk Wetboek, derde gedeelte (Overgangsrecht) – Parlementaire monitor. [↩]
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4239, rov. 6.3: “Niettemin kan het door [de beschermingsbewindvoerder] verzochte niet worden toegewezen. De wetgever gaat blijkens artikel 4:42 lid 1 BW uit van een gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen. In de wet is niet de mogelijkheid opgenomen bij uiterste wilsbeschikking te bepalen dat de kantonrechter een deskundige benoemt, laat staan dat – indien de kantonrechter dat zou doen – dat een beslissing is waartegen hoger beroep openstaat. De uiterste wilsbeschikking van [de erflater] inzake de benoeming van een deskundige door de kantonrechter is dan ook nietig.” [↩]
- Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 2021, zaaknr. 200.277.856/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:696, citaat 1: (on)toelaatbare testamentaire bepaling:
rov 5.6.1 “Zoals gemeld is voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang het vanaf 1 januari 2003 geldende artikel 4:42 lid 1 BW, inhoudende dat een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling is, waarbij de erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. Er is aldus sprake van een gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen, omdat het moet gaan om een beschikking die in boek 4 of in de wet als zodanig is geregeld.
De vraag is of de testamentaire bepaling binnen het gesloten systeem van de wet valt, of anders gezegd, of de testamentaire bepaling valt binnen de reikwijdte van het bepaalde in artikel 4:144 lid 2 BW en in het bijzonder binnen ‘tenzij bij uiterste wil anders is geregeld‘ (vet door redactie). Het hof beantwoordt deze vraag negatief. (…) De erflater heeft immers geen andere beloning geregeld dan een ten honderd van de waarde van het vermogen van de erflater op diens sterfdag, maar een bevoegdheid gecreëerd die niet is gebaseerd op de wet. Hij is niet afgeweken van de wettelijke beloning, maar heeft in aanvulling daarop bepaald dat op verzoek van de executeur of één van de erfgenamen door de kantonrechter te Amsterdam in hoogste ressort de beloning anders kan worden geregeld. De bepaling van artikel 1:144 lid 2 BW is van regelend recht. De testateur mag hiervan in zijn testament afwijken en materieel een andere beloning vaststellen, dat wil zeggen een hogere, een lagere of geen beloning. Naar het oordeel van het hof volgt daaruit niet de mogelijkheid te bepalen dat het loon op verzoek door een kantonrechter kan worden vastgesteld. De wet kent geen concrete wetsbepaling kent op grond waarvan het mogelijk is een dergelijk verzoek aan de kantonrechter te doen (artikel 261 Rv). Laat staan dat hij een relatief niet bevoegde kantoorrechter kan aanwijzen. Daarbij komt dat de erflater gezien het gesloten stelsel niet bevoegd is een hoger beroepsmogelijkheid uit te sluiten of een bevoegdheid te creëren voor een executeur of een erfgenaam die de wet niet kent.[↩] - Vreemde eend in de bijt is het arrest Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2021, 200.271.859/01, ECLI:NL:GHDHA:2021:549, Ro. 12, met plv. raadsheer prof. mr.Wouter Burgerhart, hoogleraar op een leerstoel bekostigd vanuit het notariaat (notariële stichting) oud-notaris, langjarig zakenpartner van Bernard Schols en volgens het voorwoord van Schols’ dissertatie een goede vriend, betrokken (geweest) bij de advisering aan bedrijven als de ABN AMRO bank / als lid van het samenwerkingsverband Estate planning van de Katholieke Universiteit Nijmegen en de ABN AMRO bank vanaf ongeveer 1998 tot (?), welke bank een van de klantleveranciers is van Capital Support (zie interview in Financial Focus van de ABN AMRO bank met Laurens Kost van Capital Support), een van de belanghebbend partijen in deze zaak, die in het gelijk werd gesteld. Bronvermeldingen worden hier later geplaatst, elders op website te vinden. [↩]
- Noot: de raadsheren van het Gerechtshof Den Haag zien dit anders, zij menen dat een testamentaire bepaling voor de opeisbaarheid van de vordering van de kinderen onder de nadere regeling van art. 4:171 BW valt, als onderdeel van de uiterste wilsbeschikking Testamentair bewind. [↩]
- Rechtbank Gelderland, 3 november 2021, zaaknr. C/05/388091 / HZ ZA 21-172 url, De Rechtspraak (online), ECLI:NL:RBGEL:2021:5835 [↩]
- Mr. P.C. van Es, Boekbespreking “Quasi-erfrecht” F.W.J.M. Schols, dissertatie, Nijmegen, 2005, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk recht, jaargang 2006 (8), pagina’s 356-360 online publicatie [↩]
- Pas op met formuleringen van quasi-erfrechtelijke overeenkomsten in ‘Estate Tip Review’, Schols Burgerhart Schols 6 februari 2013, Radboud Universiteit Nijmegen – <a href=”https://web.archive.org/web/20170817003439/http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/115898/115898.pdf?sequence=1″>archief url</a> [↩]
- P. Huijgen, Cum Suis: Vriendenboek Carel Stolker (medeauteurs: Sombroek-van Doorm, M.; Leun, J. van der; Ellian, A.; Boom (redactie), Universiteit Leiden (2021), pp 169 – 180, Hoofdstuk: De rol van de rechtswetenschap en het notariaat [↩]
- Schols, Mr. B.M.E.M., notaris, De quasi-wettelijke verdeling als ‘Teilungsanordnung’ (II, slot), Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (W.P.N.R.) 2004 nr 6572, citaat p. 243: “De vraag die meteen opkomt is of een dergelijke Teilungsanordnung ook naar ons huidige erfrecht mogelijk is. Het antwoord hierop vinden we in art. 4:42, waar het ‘gesloten stelsel’ van uiterste wilsbeschikkingen is neergelegd. Alleen wat in de wet de sticker ‘uiterste wilsbeschikking’ krijgt, behoort tot de mogelijkheden. Het overlaten van de verdeling aan een derde behoort niet tot de mogelijkheden.” [↩]
- Reijnen, mr. dr. T.F.H., De welwillendheidsbeslissing: over de (on)wil van rechters en formulering in notariële akten, 2023-04-12 publicatie op website FBN Juristen [↩]
- mr K.D. de Lange, Gouden tijden voor de executeur?, Nieuw Erfrecht 2006-03 [↩]
- Boelens, G.G.B., Enkele vraagpunten bij de quasi-wettelijke verdeling, mede in het licht van het besluit van 15 juni 2022, Tijdschrift Erfrecht, 2023 nr 1, p. 2 en noot 14 [↩]
- Sylvia Kuijsten Erfrecht is booming business, Het Advocatenblad (2018 [↩]
- De ‘booming business’ van erfrechtplanbureaus, Kassa (TV-programma), BNN-VARA, 19-10-2019 [↩]
- Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 2021, zaaknr. 200.277.856/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:696, Raad voor de Rechtspraak, citaat: “Anders dan [verweerder] meent, doet aan het voorgaande niet af dat het in de notariële praktijk al jarenlang gebruikelijk is dit soort bepalingen in testamenten op te nemen en evenmin dat dit soort bepalingen volgens [verweerder] voorziet in een maatschappelijke behoefte gezien het bepaalde in artikel 4:42 BW. Van conversie, zoals [verweerder] verder betoogt, van de omstreden testamentaire bepaling in een last kan geen sprake zijn. De erflater heeft immers geen verplichting opgelegd, maar enkel een bevoegdheid gecreëerd.” [↩]
- Deze manier van doen is in de praktijk ingezet door een slagvaardige advocaat, gedreven door een mondige cliënt, na overleg met een notaris. Het staat (nog) niet in handboeken en naslagwerken – de juridische vragen zullen nog worden uitgediept en uitgewerkt. Commentaar, vragen en tips welkom. [↩]
- In artikel 7A:1631 lid 1 slotzin BW was een uitdrukkelijke conversiemogelijkheid opgenomen die in de huidige wettelijke regeling over opzegging van bedrijfsruimte (artikel 7:296 BW ) niet is teruggekomen. Voor woonruimte is de conversieregel uitdrukkelijk in artikel 7:271 lid 6 BW opgenomen. [↩]
- Mr. Bernard M.E.M. Schols, Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder, Nijmegen, 2007, p. 425. [↩]
- Mr. B.M.E.M. Schols, WPNR 2004/6572, p. 243, 243, met herpublicatie in 2009, nadat Schols een aanstelling had gekregen als professor. Dus de vaststelling dat bepalingen in een testament, die een derde de bevoegdheid geven te verdelen niet onder een Nederlandse uiterste wilsbeschikking vallen, kan niet als ‘slip of the pen’ worden beschouwd. [↩]
- Schols kreeg van een collega professor de bijnaam: ‘Godfather van de executele‘. [↩]
- BMEM verwijst voor deze idee naar het handboek Nieuw Erfrecht, (2002), p. 99, waarvan hij medeauteur is. [↩]
- De minister van justitie: “Dezelfde leden (red.: Commissie erfrecht KNB, niet parlementsleden) wierpen nog de vraag op, hoe volgens het ontwerp moet worden beoordeeld het geval, waarin een erflater bij testament spreekt van executeur en executele, maar daaraan een regeling toevoegt inzake de duur of de bevoegdheden, welke niet past in de executele-regeling, doch wel in de regeling van het bewind, zoals de laatste er naar nieuw burgerlijk recht uit zal gaan zien. Moet men dan aannemen, dat er executele is, zodat duur en bevoegdheden moeten worden gereduceerd tot wat wettelijk is toegestaan, of mag men uitgaan van bewind, al is dat niet in overeenstemming met de gebezigde titulatuur? De Regering gaf als haar oordeel te kennen, dat men het materiële gezichtspunt moet laten prevaleren. Al is de benaming dan foutief, de wens van de erflater inzake duur en bevoegdheden is decisief. Als deze laatste stroken met de regeling van het bewind, is er wezenlijk ook inderdaad sprake van bewind.” (Van den Burght c.s., MO bij art. 4.4.6.1 (art. 4:142 BW), Parl. Gesch. BW Boek 4 2002, p. 837) Lezers die het dossiernummer en volgnummer van het originele kamerstuk kennen, kunnen dit graag doorgeven, zodat we uit een primaire bron kunnen citeren. Van den Burght heeft vaak erg korte stukjes tekst opgenomen, zodat de context niet duidelijk is en een woord als ‘verdeling’ niet juist kan worden uitegelegd. . [↩]
- Mr. P.C. van Es, Executeur of bewindvoerder? Zelfs de goede Homerus slaapt wel eens, WPNR 2021/7352 [↩]
- Een lezer die testamentaire bepalingen onder de noemer ‘Executeur / afwikkelingsbewindvoerder’ aan prof. mr. Bernard Schols had gestuurd met de vraag of hij deze rechtsgeldig achtte, kreeg als antwoord dat ‘afwikkelingsbewind’ een ander woord is voor een testamentair bewind in een gemeenschappelijk belang en dat het beste aan de notaris kon worden gevraagd, het testament uit te leggen… [↩]
- Geld, Mr. L.A.G.M van der, 10 jaar nieuw erfrecht en uitleg van uiterste wilsbeschikkingen; p. 98, Tijdschrift Erfrecht, 2013-12, p. 98 [↩]
- Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2021, 200.271.859/01, ECLI:NL:GHDHA:2021:549, Ro. 12 (een van de raadsheren was overigens prof. mr. Wouter Burgerhart, vanaf 2004 zakelijk partner van Bernard Schols.) [↩]
- Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 2021, zaaknr. 200.277.856/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:696. [↩]
- Van Mourik, Prof. mr. J.M.A., Jonge Onderzoekers in discours met Martin Jan van Mourik, Weekblad voor het Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR), 2013 nr 7000 [↩]
- Van Es, Mr. P.C., Enige opmerkingen over de nietigheid en vernietigbaarheid van een uiterste wil op grond van vormgebreken (online publicatie), Tijdschrift Erfrecht, April 2014 [↩]
- Kamerstukken II 1962/63, 3771, nr. 6, p. 23 (MvA II) [↩]
- Hoge Raad 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3665, (NJ 2002/410) [↩]
- Kamerstukken II, 26822, nr. 3, Invoering Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van nieuw Burgerlijk Wetboek, derde gedeelte (Overgangsrecht); Memorie van toelichting, Staten-Generaal der Tweede Kamer, 1999-10-01, uitgever Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [↩]

